6 maart 1998 Eerste Kamer Nr. 16.530 (C97/008HR) AS Hoge Raad der Nederlanden Arrest in de zaak van: Interfood B.V., gevestigd te Hapert, gemeente Hapert, Hoogeloon en Casteren, EISERES tot cassatie, advocaat: mr A.R. Sturhoofd, t e g e n [verweerder] , wonende te [woonplaats] , VERWEERDER in cassatie, advocaat: mr J. Groen. 1. Het geding in feitelijke instanties Verweerder in cassatie — verder te noemen: [verweerder] — heeft bij exploit van 30 november 1992 eiseres tot cassatie — verder te noemen: Interfood — gedagvaard voor de Rechtbank te 's-Hertogenbosch en gevorderd: 1. voor recht te verklaren dat de hierna onder 3.1 te omschrijven overeenkomst is ontbonden, althans die overeenkomst ontbonden te verklaren; 2. Interfood te veroordelen om de ten processe bedoelde partij van 30.000 kilogram volle melkpoeder aan [verweerder] af te geven op straffe van een dwangsom van ƒ 1.000,-- per dag. Interfood heeft de vorderingen bestreden en harerzijds in reconventie vorderingen ingesteld: a. tot ontbinding, althans tot ontbondenverklaring van de bedoelde overeenkomst; b. tot veroordeling van [verweerder] om aan Interfood te betalen een bedrag van ƒ 42.000,-- met de wettelijke rente vanaf 19 februari 1993; c. tot uitvoerbaarverklaring bij voorraad van de sub a en b gevorderde beslissingen. [verweerder] heeft de vorderingen in reconventie bestreden. Na een ingevolge tussenvonnis van 2 april 1993 gehouden comparitie van partijen heeft [verweerder] zijn eis in conventie verminderd met de vordering tot afgifte en vermeerderd met een vordering tot veroordeling van Interfood om aan hem te betalen een bedrag van ƒ 64.820,-- met de wettelijke rente vanaf 1 oktober 1993. Vervolgens heeft Interfood haar vordering in reconventie sub b vermeerderd met een bedrag van ƒ 3.448,98. De Rechtbank heeft bij eindvonnis van 29 juli 1994 in conventie de vordering van [verweerder] afgewezen. In reconventie heeft de Rechtbank de tussen partijen gesloten koopovereenkomst ontbonden, [verweerder] veroordeeld om aan Interfood te betalen een bedrag van ƒ 20.446,98, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 19 februari 1993, en het meer of anders gevorderde afgewezen. Tegen dit eindvonnis heeft [verweerder] zowel in conventie als in reconventie hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch. Bij tussenarrest van 22 september 1995 heeft het Hof het bestreden eindvonnis bekrachtigd voor zover daarbij in reconventie de koopovereenkomst tussen partijen was ontbonden, en, onder aanhouding van iedere verdere beslissing in reconventie, Interfood bewijslevering opgedragen. Na op 2 november 1995 gehouden enquête heeft het Hof bij tussenarrest van 17 september 1996 aan beide partijen bewijslevering opgedragen in voege als in dat arrest vermeld en iedere verdere beslissing aangehouden. Beide tussenarresten van het Hof zijn aan dit arrest gehecht. 2. Het geding in cassatie Tegen beide tussenarresten heeft Interfood beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. [verweerder] heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep. De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten. De conclusie van de Advocaat-Generaal Hartkamp strekt tot verwerping van het beroep. 3. Beoordeling van het middel 3.1 In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan. Op 15-16 september 1992 is tussen partijen een koopovereenkomst tot stand gekomen, waarbij [verweerder] voor een prijs van ƒ 3,50 per kg aan Interfood verkocht 30.000 kg "volle melkpoeder 26%’’ van een in de overeenkomst nader omschreven kwaliteit. Ter uitvoering van deze overeenkomst heeft [verweerder] op 17 september 1992 aan Interfood 18.660 kg melkpoeder geleverd, welke partij echter niet aan de overeengekomen kwaliteitseisen bleek te voldoen. Na een desbetreffend kort geding tussen partijen en krachtens een vervolgens door hen gesloten dading heeft Interfood die partij aan een derde doorverkocht voor ƒ 25.002,--. 3.2 In het huidige geding vordert Interfood in reconventie, aanvoerende dat [verweerder] in de uitvoering van de overeenkomst is tekortgeschoten, ontbinding daarvan en vergoeding van de door haar volgens haar stellingen ten gevolge van die tekortkoming geleden schade ten belope van ƒ 45.448,98, welk bedrag is samengesteld uit: (1°) een bedrag van ƒ 1,40 per kg, derhalve 30.000 x ƒ 1,40 of ƒ 42.000,--, en (2°) een in cassatie niet meer van belang zijnde post van ƒ 3.448,98. De Rechtbank heeft in reconventie de overeenkomst ontbonden wegens de tekortkoming van [verweerder] in de uitvoering ervan en, overwegende dat deze de hoogte van het door Interfood gevorderde bedrag niet had weersproken, de vordering tot schadevergoeding toegewezen tot dat bedrag, verminderd met de opbrengst van de doorverkochte partij ten belope van ƒ 25.002,--, derhalve tot een bedrag van ƒ 45.448,98 minus ƒ 25.002,--, of ƒ 20.446,98. 's Hofs andersluidende beslissing berust, voor zover in cassatie van belang, op de volgende gronden. Evenals de Rechtbank oordeelt het Hof dat de tekortkoming van [verweerder] in de uitvoering van de overeenkomst van dien aard is dat daardoor de ontbinding van de overeenkomst wordt gerechtvaardigd (tussenarrest van 22 september 1995 rov. 4.4). De stellingen van Interfood, waarop deze haar hiervoor onder (1°) omschreven vordering tot schadevergoeding baseert, houden in, aldus het Hof: (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.