← Nederland

ECLI:NL:HR:1998:ZC2667

5 juni 1998 Eerste Kamer Rek.nr. 9097 (R97/162HR) DK Hoge Raad der Nederlanden Beschikking in de zaak van: [de vader], wonende te [woonplaats], VERZOEKER tot cassatie, advocaat: mr B.J. van den Broek, tegen [de moeder], wonende te [woonplaats], VERWEERSTER in cassatie, advocaat: mr E. Grabandt. 1. Het geding in feitelijke instanties Met een op 23 januari 1997 ter griffie van de Rechtbank te Almelo ingekomen verzoekschrift heeft verzoeker tot cassatie - verder te noemen: de vader - zich gewend tot die Rechtbank met het verzoek een omgangsregeling vast te stellen tussen hem en het uit verweerster in cassatie - verder te noemen: de moeder - op [geboortedatum] 1995 geboren kind [het kind], zulks op straffe van een dwangsom voor het geval de moeder aan zo'n regeling haar medewerking niet zou geven. De moeder heeft het verzoek bestreden. De Rechtbank heeft bij beschikking van 26 februari 1997 de vader ontvankelijk verklaard in zijn verzoek tot het treffen van een omgangsregeling tussen hem en voormeld kind, elke beslissing met betrekking tot het omgangsrecht van de vader aangehouden ter fine van nadere dagbepaling, en de Raad voor de Kinderbescherming te Almelo verzocht ter zake van het verzochte en het daartegen gevoerde inhoudelijke verweer rapport en advies uit te brengen. Tegen deze beschikking heeft de moeder hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof te Arnhem. Bij beschikking van 16 september 1997 heeft het Hof voormelde beschikking van de Rechtbank vernietigd en de vader alsnog niet-ontvankelijk in zijn verzoek verklaard. De beschikking van het Hof is aan deze beschikking gehecht. 2. Het geding in cassatie Tegen de beschikking van het Hof heeft de vader beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit. De moeder heeft verzocht het beroep te verwerpen. De conclusie van de Advocaat-Generaal in buitengewone dienst Moltmaker strekt tot verwerping van het beroep. 3. Beoordeling van de middelen 3.1 In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan. (

  1. i)Partijen hebben van medio 1993 tot en met augustus 1996 een relatie gehad. Uit deze relatie is op [geboortedatum] 1995 [het kind] geboren. Verzoeker tot cassatie is de biologische vader van [het kind]. Hij heeft het kind niet erkend. De moeder is van rechtswege belast met het ouderlijk gezag over [het kind]. De vader is bij beschikking van de Kantonrechter te Enschede van 19 mei 1995 benoemd tot toeziend voogd. (
  2. ii)De vader heeft gesteld dat hij begin 1995 bij de moeder is ingetrokken en met haar heeft samengewoond tot de verbreking van de relatie in augustus 1996. Voorts heeft hij gesteld na de geboorte van [het kind] een aandeel te hebben gehad in haar opvoeding en verzorging. Volgens hem wijst een tot hem gerichte verzoek van de moeder om mee te gaan naar het Audiologisch Centrum te Nijmegen (in verband met de gehoorproblemen van [het kind]) erop dat partijen zich gedroegen als ouders van [het kind]; ook heeft, aldus de vader, de moeder em nadien geïnformeerd over een op handen zijnde operatie van [het kind]. De moeder heeft aangevoerd dat de vader nimmer met haar en met [het kind] heeft samengewoond. (iii) Volgens het Hof staat vast of is aannemelijk: dat de vader nimmer ingeschreven heeft gestaan op het adres van de moeder, maar dat hij haar tot en met augustus 1996 wel regelmatig heeft bezocht; dat hij aanwezig is geweest bij de geboorte van [het kind], dat hij enkele malen op [het kind] heeft gepast en haar heeft verschoond en dat de moeder enkele malen telefonisch contact met de vader heeft gehad over de gehoorproblemen van [het kind]. 3.2 De vader heeft, stellende dat tussen hem en [het kind] sprake is van familie- en gezinsleven in de zin van art. 8 EVRM, zich tot de Rechtbank gewend met het verzoek een omgangsregeling vast te stellen tussen hem en [het kind]. De moeder heeft als verweer tegen dit verzoek aangevoerd dat er nimmer familie- en gezinsleven tussen de vader en [het kind] heeft bestaan en dat, mocht zulks anders zijn, dit is verbroken. De Rechtbank heeft geoordeeld dat sprake is van "family life" in de zin van art. 8 EVRM, dat niet is verbroken door tijdsverloop sedert het einde van de relatie. Op deze grond heeft zij het verzoek van de vader ontvankelijk verklaard en de Raad voor de Kinderbescherming verzocht een onderzoek in te stellen. Het Hof is echter in rov. 4.6 van zijn beschikking tot de slotsom gekomen dat onvoldoende aannemelijk is geworden dat de vader in een nauwe persoonlijke betrekking staat tot het kind - dat ten tijde van het verbreken van de relatie tussen partijen één jaar oud was - of dat tussen hem en het kind een band bestaat, die kan worden aangemerkt als "vie familiale/family life" in de zin van art. 8 EVRM. Op grond daarvan heeft het de beschikking van de Rechtbank vernietigd en de vader alsnog niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzoek. Hiertegen richten zich de middelen. 3.3 Middel I keert zich tegen rov. 4.2 van de bestreden beschikking, waarin het Hof heeft geoordeeld dat voor de ontvankelijkheid van het verzoek van de vader vereist is dat hij naast het biologisch vaderschap voldoende bijkomende omstandigheden aannemelijk maakt, waaruit blijkt dat hij in een nauwe persoonlijke betrekking staat tot het kind. Het middel bestrijdt dit oordeel en betoogt dat in het licht van recente jurisprudentie van het Europese Hof voor de rechten van de mens - waarbij het met name een beroep doet op EHRM 24 april 1996, NJ 1997, 539 (Boughanemi/Frankrijk) - moet worden aangenomen dat voor het bestaan van "familie- en gezinsleven" in de zin van art. 8 EVRM het biologische vaderschap voldoende is, zodat het Hof het verzoek van de vader reeds op de enkele grond dat hij de biologische vader van [het kind] is, ontvankelijk had moeten verklaren. Dit betoog kan niet als juist worden aanvaard. Noch uit voormelde uitspraak van het Europese Hof, noch uit de andere uitspraken waarop het middel een beroep doet, kan worden afgeleid dat naar de opvatting van dit Hof tussen de biologische vader en zijn kind reeds door de enkele geboorte een als familie- en gezinsleven aan te merken betrekking bestaat. Er is derhalve geen grond aanwezig om terug te komen van de door de Hoge Raad in zijn beschikking van 10 november 1989, NJ 1990, 628, aanvaarde en door het Hof in rov. 4.2 van de bestreden beschikking toegepaste regel dat de vader, wil hij ontvankelijk zijn in zijn verzoek om een omgangsregeling, behalve het biologische vaderschap bijkomende omstandigheden dient te stellen waaruit voortvloeit dat er tussen hem en het kind een band bestaat, die als familie- en gezinsleven kan worden aangemerkt. Wordt eenmaal vastgesteld dat de persoonlijke relatie tussen de vader en het door hem verwekte kind in de concrete omstandigheden van het geval van dien aard is dat zij buiten het gebied van het door art. 8 EVRM beschermde familie- en gezinsleven valt, dan kan art. 14 EVRM niet meebrengen dat de biologische vader desondanks aanspraak zou kunnen maken op de door art. 8 geboden bescherming (vgl. EHRM 21 februari 1997, NJ 1997, 580, paragraaf 33) . De anders luidende stelling van het middel kan dus niet als juist worden aanvaard. 3.4 Middel IIa keert zich tegen 's Hofs oordeel (rov. 4.6) dat onvoldoende aannemelijk is geworden dat de vader in een nauwe persoonlijke betrekking staat tot het kind, die kan worden aangemerkt als "vie familiale/family life". Dit oordeel geeft echter geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en kan voor het overige, verweven als het is met waarderingen van feitelijke aard, in cassatie niet op zijn juistheid worden getoetst. Het is ook niet onvoldoende gemotiveerd. 3.5 Middel IIb klaagt dat het Hof bij de beantwoording van de vraag of kon worden gesproken van een als familie- en gezinsleven aan te merken band tussen de vader en het kind, een aantal door de vader gestelde omstandigheden buiten beschouwing heeft gelaten; daarbij wijst het middel met name op de omstandigheid dat, naar onweersproken vaststaat, de vader tot toeziend voogd van [het kind] is benoemd. De klacht faalt. Het Hof heeft in zijn rov. 4.6 tevens overwogen dat méér door de vader gestelde omstandigheden, waaruit zou moeten blijken dat hij in een nauwe persoonlijke betrekking tot het kind staat, niet zijn gebleken. Het Hof heeft derhalve kennelijk aangenomen dat ook de omstandigheid dat de vader tot toeziend voogd van het kind was benoemd, niet van zodanig gewicht is dat deze omstandigheid, gevoegd bij de door het Hof in zijn rov. 3.1 en 4.5 vermelde omstandigheden, zou moeten leiden tot de slotsom dat wel van een nauwe persoonlijke betrekking sprake is. 3.6 Middel III mist zelfstandige betekenis naast middel II en is derhalve eveneens tevergeefs voorgesteld. 3.7 Middel IV berust op de veronderstelling dat het Hof heeft aangenomen dat te eniger tijd tussen de vader en [het kind] familie- en gezinsleven heeft bestaan en dat dit vervolgens is verbroken. Deze veronderstelling is, zoals uit het vorenoverwogene volgt, onjuist. Middel IV kan derhalve bij gebrek aan feitelijke grondslag niet tot cassatie leiden. 4. Beslissing De Hoge Raad verwerpt het beroep. Deze beschikking is gegeven door de vice-president Roelvink als voorzitter en de raadsheren Korthals Altes, Neleman, Heemskerk en Jansen, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer Heemskerk op 5 juni 1998.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.