← Nederland

ECLI:NL:HR:1998:ZD1191

30 juni 1998 Strafkamer nr. 107.189 LD Hoge Raad der Nederlanden Arrest op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 11 februari 1997 alsmede tegen alle op de terechtzitting van dit Hof gegeven beslissingen in de strafzaak tegen: [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1945, wonende te [woonplaats] , ten tijde van de bestreden uit spraak gedetineerd in de gevangenis "Nieuw Vosseveld" te Vught.

  1. De bestreden einduitspraak Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Arrondissementsrechtbank te Rotterdam van 14 juni 1995 - de verdachte vrijgesproken van het hem bij inleidende dagvaarding onder 5 primair en 5 sub subsidiair tenlastegelegde en hem voorts ter zake van 1.,
  2. en
  3. "medeplegen van opzettelijk handelen strijd met een in artikel 2, eerste lid, onder A, van de Opiumwet, gegeven verbod, meermalen gepleegd",
  4. "medeplegen van poging tot opzettelijk handelen strijd met een in artikel 3, eerste lid, onder A, van de Opiumwet, gegeven verbod",
  5. "deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven" en (separate dagvaarding) a. ‘’handelen strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een schietwapen in de vorm van een pistool", b., c. en d. "handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, meermalen gepleegd" en e. "handelen in strijd met artikel 13, eerste lid, van de Wet wapens en munitie" veroordeeld tot vijftien jaren gevangenisstraf, alsmede tot een geldboete van één miljoen gulden, subsidiair één jaar hechtenis, met onttrekking aan het verkeer zoals in het arrest omschreven.
  6. Het cassatieberoep 2.
  7. Het beroep - dat zich kennelijk niet richt tegen de gegeven vrijspraken - is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben mr A.A. Franken, advocaat te 's-Gravenhage, en mr Tj.E. van der Spoel, advocaat te Rotterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. 2.
  8. De Hoge Raad heeft kennis genomen van een na de terechtzitting waarop de conclusie van het Openbaar Ministerie is genomen nog ingekomen brief van de raadslieden, gedateerd 16 maart
  9. De conclusie van het Openbaar Ministerie De Advocaat-Generaal Fokkens heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad het beroep niet-ontvankelijk zal verklaren voorzover dit is gericht tegen de beslissingen genomen ter terechtzitting van 22 of 23 november 1995, de bestreden uitspraak zal vernietigen doch uitsluitend voorzover daarin is verzuimd art. 12 Opiumwet te vermelden onder de wettelijke voorschriften waarop de straf berust, dit artikel zal vermelden als wettelijk voorschrift waar op de straf mede berust en het beroep voor het overige zal verwerpen.
  10. Bewezenverklaring en bewijsvoering 4.
  11. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat: "
  12. hij in de periode van 1 februari 1990 tot en met 17 mei 1991, te Rotterdam, en elders in Nederland en/of Suriname, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, (met een schip, genaamd [A] ) opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht ongeveer 357 kilogram, althans een handelshoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel vermeld op de bij Opiumwet behorende lijst I"; "
  13. hij in januari 1992, te Rotterdam, en elders in Nederland en in Spanje en/of in Marokko, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht a. ongeveer 3 kilogram, althans een handelshoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel vermeld op de bij Opiumwet behorende lijst I"; "
  14. hij in november 1991, te Rotterdam en elders in Nederland en in Spanje en/of in Marokko, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht a. ongeveer 2 kilogram, althans een handelshoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel vermeld op de bij Opiumwet behorende lijst I"; "
  15. hij in de periode van 1 januari 1993 tot en met 19 augustus 1993 te Rotterdam en/of elders in Nederland en/of in Roemenië en/of in Nigeria ter uitvoering van het door hem voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland te brengen een handelshoeveelheid van een materiaal bevattende hennep (marihuana), zijnde hennep een middel vermeld op de bij Opiumwet behorende lijst II; opzettelijk tezamen met zijn mededaders, genoemde handelshoeveelheid materiaal hennep (marihuana) (vanuit Nigeria) naar Roemenië, heeft verscheept en vervoerd en doorgevoerd, zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid alleen tengevolge van een van verdachtes wil en de wil van zijn mededaders onafhankelijke omstandigheid dat het transport door de Roemeense autoriteiten is onderschept"; "6.hij in of omstreeks de periode van 1 januari 1990 tot en met 31 december 1993 te Rotterdam en/of (elders) in Nederland heeft deelgenomen aan een organisatie die tot oogmerk had het plegen van misdrijven; de organisatie bestond uit een groep samenwerkende personen en rechtspersonen (onder wie [B] B.V. en Garage- en automobiel bedrijf [C] B.V.), hij, verdachte gaf leiding aan deze organisatie; de misdrijven waren: A. het opzettelijk importeren in en/of exporteren vanuit Nederland van middelen vermeld op de lijsten I en/of II van de Opiumwet en het opzettelijk vervoeren en/of opzettelijk aanwezig hebben, van middelen vermeld op de lijsten I en/of II van de Opiumwet en/of B. het (doen) plegen van valsheid in geschrifte", en voorts dat hij op 16 mei l994 te Rotterdam een aantal overtredingen van de Wet Wapens en Munitie, heeft gepleegd. 4.
  16. Deze bewezenverklaring berust op de volgende bewijsmiddelen
  17. De verklaring van de verdachte a. De verdachte heeft ter terechtzitting in eerste aanleg van 16 februari 1995 verklaard – zakelijk weergegeven-: In 1987 – 1988 heb ik gewerkt voor [betrokkene 1] . In 1989 ben ik getrouwd met [betrokkene 2] . Sinds 1991 ben ik directeur van [D] . [betrokkene 3] werkte ook bij [D] . [betrokkene 3] heb ik via zijn zus [betrokkene 4] leren kennen. [D] en [B] B.V. waren één. [B] B.V. is voortgekomen uit [B] B.V. dat van [betrokkene 5] was. [betrokkene 8] heb ik rond 1990 leren kennen via [betrokkene 1] . Op 1 januari 1991 ben ik directeur geworden van [B] B.V. [B] is eind 1991 verhuisd van de [a-straat] te [plaats] naar de [b-straat] te [plaats] . Rond 1990 heb ik [betrokkene 7] leren kennen op het kantoor van [B] BV. [betrokkene 8] , die ook wel [betrokkene 8] of [betrokkene 8] genoemd wordt, [betrokkene 2] , [betrokkene 8] ’s vrouw en ik waren de aandeelhouders van [B] B.V. Ik had 40 aandelen van [B] B.V. Het aandelenpakket is in 1991 uitgebreid. [E] heeft een grote hoeveelheid aandelen van [B] gekocht. In 1991 of daaromtrent heb ik wel eens met de advocaat [betrokkene 9] gesproken over de uitbreiding van het aandelenpakket van [B] B.V. Op een gegeven moment werd [betrokkene 10] als accountant aangesteld. [betrokkene 11] ken ik wel. Als ik wat verdiende, kreeg [betrokkene 11] ook wat. [betrokkene 8] hield de papieren bij. Hij kreeg van mij geen loon, hij kreeg een vergoeding voor de benzine e.d. Ik vertrouwde hem wel. [betrokkene 4] werkte bij ons. In 1992 werd [betrokkene 12] de secretaresse van [betrokkene 8] . [betrokkene 13] ken ik ook zakelijk. Ik heb met hem gesproken over transporten voor het buitenland. Ik heb hem via [betrokkene 14] , die ik al veel langer kende, leren kennen. Het is goed mogelijk dat [F] . het bedrijf van [betrokkene 14] , [betrokkene 15] en [betrokkene 13] is. In 1991 heb ik met [G] en [betrokkene 32] gehandeld in Suriname. Op een gegeven moment kreeg [B] een eigen vestiging in Suriname. [betrokkene 16] werd daarvoor aangetrokken. [betrokkene 17] van [E] ken ik ook van zaken. [betrokkene 17] heeft veel gedaan voor de houthandel vanuit Suriname. [betrokkene 18] van [H] is ook met hout bezig geweest. [betrokkene 18] was aangesloten bij dan wel in dienst van [betrokkene 17] . Hij deed mee aan zakelijke besprekingen. [betrokkene 19] ken ik al zo lang. In de zomer van 1992 heb ik [betrokkene 20] en [betrokkene 21] leren kennen. [betrokkene 8] kende hen al langer. Zij zaten in van alles. We zaten allemaal in het hout. [betrokkene 20] en [betrokkene 21] waren altijd bij elkaar. In 1992 heb ik [betrokkene 22] , de zus van [betrokkene 4] leren kennen. Zij heeft in 1993 gewerkt bij [I] . In 1992 ben ik in de handel van zonnebanken gegaan met [betrokkene 21] . [betrokkene 21] had een bedrijf aan de [c-straat] . Ik zag er handel in en heb dat spul naar me toegetrokken en [betrokkene 21] is toen meegegaan naar de [d-straat] . Mijn vrouw [betrokkene 2] is eigenaar van [J] aan de [d-straat] te [plaats] . Zij deed de administratie van dit bedrijf. In het begin deed zij dit samen met [betrokkene 8] . Ze maakte de kasboeken op voor [J] . [betrokkene 23] heeft de boekhouding gedaan van [J] . [betrokkene 20] heeft bij mij gewerkt en stond op de loonlijst bij [K] / [J] aan de [d-straat] . [betrokkene 4] werkte boven. [betrokkene 3] bracht weleens zonnebanken weg. [betrokkene 21] is alleen directeur geweest van [K] . Ik wist dat [betrokkene 22] een bedrijfje had in [plaats] . Ik heb [betrokkene 22] in opdracht van [betrokkene 14] f 15.000,- geleend om dat bedrijfje in [plaats] te kopen, want [betrokkene 15] , [betrokkene 14] en [betrokkene 13] hadden handel in meubels etc. voor haar. [betrokkene 14] is regelmatig bij [B] geweest. Ik doe al jaren zaken met de Mercedeshandelaar [betrokkene 24] . [betrokkene 25] ken ik vanaf
  18. [betrokkene 25] zat sinds 1983 in de hash-handel. Ik heb [betrokkene 25] in een shoppie in [plaats] leren kennen. In maart 1991 is [betrokkene 26] met [betrokkene 27] bij mij geweest. Ik heb in [plaats] een koffietent gehad. [betrokkene 25] was mijn leverancier van soft drugs. Ik ben in augustus 1991 in Marokko geweest. Ik ben regelmatig in Marokko geweest. In de periode 1991/1992 ben ik twee keer met [betrokkene 25] in Marokko geweest. [betrokkene 28] is een vriend van mij. [betrokkene 29] ken ik ook. [betrokkene 30] ken ik via [betrokkene 25] . [betrokkene 26] ken ik vanaf begin
  19. Ik heb hem via [betrokkene 27] leren kennen. Hij vroeg mij f 30.000,= te leen. Ik heb toen de bank betaald. [betrokkene 26] zou mij binnen een paar maanden het geld terugbetalen. [betrokkene 25] weet dit ook. [betrokkene 3] heeft voor mij twee auto’s naar Spanje gebracht. Hij heeft in opdracht van mij een Mitsubishi naar Spanje gebracht. Hij heeft niet direct iets gekregen voor het transport van die Mitsubishi. Ik heb een auto voor hem gekocht van f 29.000,=. Ik heb vóór 17 januari 1992 opdracht en instructies aan [betrokkene 3] gegeven om de Renault Fuego naar Spanje te brengen. [betrokkene 3] moest naar Ceuta. Hij heeft die auto in mijn opdracht aangeschaft. Ik heb tegen [betrokkene 8] gezegd dat hij een auto moest kopen. Ik heb [betrokkene 3] geld voor de reis gegeven, dan wel heeft [betrokkene 8] dit voor mij gedaan. Het ging altijd om mijn geld. U houdt mij voor dat de Mitsubishi in de periode van 16 of 17 november naar Spanje is gebracht. Dit ging allemaal op dezelfde manier als met de Renault Fuego. Ik heb ook hier instructies gegeven om de auto aan te schaffen en heb vervolgens [betrokkene 3] met die auto naar Ceuta gestuurd. [betrokkene 3] moest de auto afleveren aan [betrokkene 26] . Dit is ook gebeurd. Ik heb [betrokkene 3] geld gegeven voor onderweg. Ik heb [betrokkene 26] een kopie van het paspoort van [betrokkene 3] gegeven. [betrokkene 26] woont in Marokko. Met betrekking tot zaak
  20. Het was een camper van mij die naar Parijs is gegaan. Met betrekking tot zaak
  21. [betrokkene 13] , [betrokkene 15] en [betrokkene 14] zie ik als één. Ik stelde [betrokkene 14] aansprakelijk voor de aan [betrokkene 22] geleende f 15.000,=. Het is goed mogelijk dat [betrokkene 22] ‘’ [betrokkene 22] ’’ wordt genoemd. Ik heb een vrachtwagen gekocht. [betrokkene 13] heeft hem opgehaald bij [B] . Tevoren heb ik de vrachtwagen samen met [betrokkene 12] opgehaald. [betrokkene 8] heeft de verzekering geregeld voor de tijd van drie dagen met betrekking tot de vrachtwagen. Ze wilden spullen naar Nederland importeren via het bedrijf van [betrokkene 22] . c. De verdachte heeft ter terechtzitting in eerste aanleg van 21 februari 1995 verklaard – zakelijk weergegeven – : Met betrekking tot zaak
  22. Het klopt dat de politie op 16 mei 1994 in mijn woning aan de [e-straat 1] te [plaats] een schietwapen, merk Star Fire, kaliber .9 mm met daarbij behorende munitie, te weten 6 kogelpatronen, heeft aangetroffen en in beslag genomen. U vraagt mij waarom ik dit wapen had. Ik heb vast gezeten. Vanaf die tijd voel ik mij niet meer veilig. Het klopt dat een houder met munitie, kaliber .9 mm, is aangetroffen. De houder behoorde bij het pistool merk FN. Ik heb eveneens in mijn woning een nabootsing van een schietwapen, JS Combat Commander MK 4, aanwezig gehad.
  23. Het ambtsedig proces-verbaal d.d. 17 mei 1991, kenmerk P.V.O. 889/91 (als bijlage B gevoegd bij bijlage 1/AH/1 van proces-verbaal nr 1/1994 van regiopolitie Rotterdam-Rijnmond), opgemaakt en ondertekend door [verbalisant 1] , ambtenaar van de Belastingdienst bevoegd inzake de invoerrechten en accijnzen te Rotterdam, tevens speurhondgeleider. Het houdt onder meer in – zakelijk weergegeven – : als relaas van de verbalisant: Op 16 mei 1991 bevond ik mij op het haventerrein van het stuwadoorsbedrijf [L] B.V., gelegen aan de [f-straat] binnen de gemeente Rotterdam, ter controle van een partij hout. Deze partij hout, zijnde gezaagde palen in twintig bundels, was die dag gelost van het motorschip [A] . Genoemd schip was op 15 mei 1991 Nederland vanuit zee binnengekomen, had ligplaats gekozen langszij voornoemd terrein en was aldaar ingeklaard. Ik heb de aan mijn zorgen toevertrouwde speurhond Banco zoekend rond de bundels hout geleid. Hierbij reageerde de hond positief bij twee bundels hout genummerd 5 en 6 met witte verf. Nader onderzoek van deze twee bundels toonde aan, dat er zich in het midden van de bundels hout een ruimte bevond waarin een plastic kist was gemaakt, inhoudende pakketten, welke met plastic en plakband waren omwonden. Uit de bundel gemerkt nummer 5 heb ik een dergelijk pakket als monster inbeslaggenomen. De inhoud van dit pakket was een witte substantie, welke positief op de Narco Disposakit nummer 4 reageerde. Het betrof hier vermoedelijk cocaïne als bedoeld in de Opiumwet. Ik heb de bundels weer in de oude staat gebracht. De bundels en het door mij inbeslaggenomen pakket zijn door mij voor een nader in te stellen onderzoek overgedragen aan de Fiscale Inlichtingen en Opsporingsdienst afdeling Douane Recherche regio Rotterdam.
  24. Een geschrift, zijnde het ambtsedig proces-verbaal d.d. 18 mei 1991, nr 91.022, als bijlage AF gevoegd bij proces-verbaal nr 102B/1991 (bijlage 1/AH/3 gevoegd bij het proces-verbaal nr 1/1994 van de regiopolitie Rotterdam-Rijnmond), opgemaakt en ondertekend door [verbalisant 2] , ambtenaar van de Belastingdienst, werkzaam bij de Fiscale Inlichtingen en Opsporingsdienst. Het houdt onder meer in – zakelijk weergegeven – : als relaas van de verbalisant met betrekking tot de bevindingen van verbalisanten wier identiteit niet blijkt: Naar aanleiding van het gerelateerde in het proces-verbaal met nummer P.V.O. 889/91 heb ik op 17 mei 1991, met de observanten met de codenummers 1.01, 1.02, 1.03, 1.04, 1.06, 2.01, 2.02, 2.03, 2.05 en 2.06, ambtenaren van de Belastingdienst, werkzaam bij de Fiscale Inlichtingen en Opsporingsdienst, een onderzoek ingesteld naar het vervoer van 20 bundels gezaagd hout. Om 13.15 uur werd door de observanten 1.02 en 1.06 waargenomen dat de hiervoor genoemde bundels hout uit de loods van [L] , expeditie en stuwadoors maatschappij, gelegen aan de [f-straat] binnen de gemeente Rotterdam, werden gereden en dat deze bundels geladen werden op een trailer met daarvoor een truck met het kenteken [kenteken 1] . Om 14.20 uur waren de 20 bundels op de trailer geladen en werd de lading door de chauffeur vastgebonden. Om 15.00 uur werd door de observanten 1.01, 1.02, 1.03, 1.04 en 1.06 waargenomen dat de truck met de trailer het terrein van [L] verliet. De truck met trailer reed via de A 16 naar een terrein gelegen aan de [g-straat] binnen de gemeente Breda. Om 18.00 uur werd de truck met trailer op het voornoemde terrein geparkeerd. Aldaar werden uit bundels hout pakketten gehaald en onder andere in een loods en groene Opel Kadett [kenteken 2] gezet.
  25. Het ambtsedig proces-verbaal d.d. 20 mei 1991, nr 102/1991 (als bijlage 1/AH/1 gevoegd bij het proces-verbaal nr 1/1994 van regiopolitie Rotterdam-Rijnmond), opgemaakt en ondertekend door [verbalisant 3] , brigadier-rechercheur van gemeentepolitie Rotterdam, en een andere bevoegde opsporingsambtenaar. Het houdt onder meer in – zakelijk weergegeven – : als relaas van de verbalisanten: Op woensdag 15 mei 1991 is binnengekomen het motorschip ‘ [A] ’ welke werd afgemeerd langs het haventerrein van [L] aan de [f-straat] te Rotterdam. Aan boord van het schip bevond zich onder andere een lading van 20 bundels gezaagd hout. Op 16 mei 1991 werd door [verbalisant 1] met zijn speurhond een onderzoek ingesteld. Vanuit de ruimte in het midden van de bundel hout nummer 5 werd als monster een pakket in beslaggenomen. Het inbeslaggenomen monster wed gemerkt G1 en bleek na weging 1055 gram zwaar te zijn. Op 17 mei 1991 werd waargenomen dat alle bundels hout werden geladen op een oplegger, waarvan staat gekoppeld een trekker met kenteken [kenteken 3] . Alle 20 bundels hout werden gelost op het terrein aan de [g-straat] 16 te Breda. Op dit terrein waren 5 personen aanwezig. Daar het vermoeden rees dat verdachten de partij aan het uitsplitsen waren, werd op 17 mei 1991 te 19.40 uur tot aanhouding van verdachten overgegaan. Aangehouden werden onder andere [betrokkene 31] en [betrokkene 1] . Op het terrein, in de opstallen en voertuigen op het adres [g-straat] 16 te Breda werd onder andere inbeslaggenomen: Vanuit een trekker, genoemd B: - een plunjezak, legermateriaal, gemerkt 16B.1, inhoudende 52 pakken cocaïne, met een totaal gewicht van 55.355 gram. Vanuit de personenauto, merk Opel Kadett, kenteken [kenteken 4] , genoemd C: - zwarte kunststof zak, gemerkt 16C.1, inhoudende 12 pakken cocaïne, gemerkt 16C.1.1 t/m 16C.1.12 met een totaal gewicht van 12.860 gram; - een plunjezak, legermateriaal, gemerkt 16C.2, inhoudende 44 pakken cocaïne, gemerkt 16C.2.1 t/m 16C.2.44 met een totaal gewicht van 46.473 gram; - een kartonnen doos, gemerkt 16C.3, inhoudende 24 pakken cocaïne, gemerkt 16C.3.1 t/m 16C.3.24 met een totaal gewicht van 25.502 gram; - een plunjezak, legermateriaal, gemerkt 16C.4, inhoudende 7 pakken cocaïne, gemerkt 16C.4.1 t/m 16.4.7, met een totaal gewicht van 7.356 gram; - zwarte kunststof zak, gemerkt 16C.5, inhoudende 34 pakken cocaïne, gemerkt 16C.5.1 t/m 16C.5.34, met een totaal gewicht van 36.201 gram. Aangetroffen op het terrein: - een plunjezak, legermateriaal, gemerkt 16D.1, inhoudende 48 pakken cocaïne, gemerkt 16D.1.1 t/m 16D.1.48, met een totaal gewicht van 50.318 gram; - een plunjezak, legermateriaal, gemerkt 16E.1, inhoudende 30 pakken cocaïne, gemerkt 16E.1.30, met een totaal gewicht van 31.675 gram. Vanuit de Romyloods, genoemd F: - een plunjezak, legermateriaal, gemerkt 16F.2, inhoudende 40 pakken cocaïne, gemerkt 16F.2.1, met een totaal gewicht van 42.354 gram; - twee pakken cocaïne, gemerkt 16F.3.1 en 16F.3.2, respectievelijk met een gewicht van 1076 gram en 1061 gram; - een plunjezak, legermateriaal, gemerkt 16F.4, inhoudende 44 pakken cocaïne, gemerkt 16F.4.1 t/m 16F.4.
  26. Totaal werd aan cocaïne in beslag genomen ongeveer 357,5 kilogram.
  27. Het ambtsedig proces-verbaal d.d. 20 mei 1991, nr. 102/1991 (als bijlage G gevoegd bij bijlage 1/AH/1 van proces-verbaal nr 1/1994 van regiopolitie Rotterdam-Rijnmond), opgemaakt en ondertekend door [verbalisant 4] , hoofdagent-rechercheur van de gemeentepolitie te Rotterdam. Het houd onder meer in -zakelijk weergeven-: als relaas van de verbalisant: Op 18 en 19 mei 1991 stelde ik een onderzoek in naar:
  28. de zeven inbeslaggenomen legerplunjezakken, gemerkt met de cijfer- en lettercombinatie: 16B.1, 16C.4, 16D.1, 16E.1, 16F.1, en 16F.4;
  29. de twee inbeslaggenomen zwarte van kunststof gevlochten zakken, gemerkt met de cijfer- en lettercombinatie 16C.1 en 16C.5;
  30. de inbeslaggenomen kartonnen doos, gemerkt met de cijfer- en lettercombinatie 16C.3;
  31. de twee inbeslaggenomen pakketten met daarin vermoedelijk cocaïne, gemerkt 16F.3.1 en 16F.3.2.;
  32. het door de Douane te Rotterdam aangetroffen en inbeslaggenomen pakket met daarin vermoedelijk cocaïne gemerkt G
  33. In de drie pakketten, gemerkt 16F.3.1, 16F.3.2, en G1, met daarin vermoedelijk cocaïne, werd door mij een monster genomen. De legerplunjezak, gemerkt 16B.1, bevatte 52 pakketten met daarin vermoedelijk cocaïne. Vanuit die hoeveelheid werden door mij willekeurig 18 monsters genomen. De zwarte van kunststof gevlochten zak, gemerkt 16C.1, bevatte 12 pakketten met daarin vermoedelijk cocaïne. Vanuit die hoeveelheid werden door mij 12 monsters genomen. De legerplunjezak, gemerkt 16C.2, bevatte 44 pakketten met daarin vermoedelijk cocaïne. Vanuit die hoeveelheid werden door mij willekeurig 15 monsters genomen. De kartonnen doos, gemerkt 16C.3, bevatte 24 pakketten met daarin vermoedelijk cocaïne. Vanuit die hoeveelheid werden door mij willekeurig 10 monsters genomen. De legerplunjezak, gemerkt 16C.4, bevatte 7 pakketten met daarin vermoedelijk cocaïne. Vanuit die hoeveelheid werden door mij 7 monsters genomen. De zwarte van kunststof gevlochten zak, gemerkt 16C.5, bevatte 34 pakketten met daarin vermoedelijk cocaïne. Vanuit die hoeveelheid werden door mij willekeurig 15 monsters genomen. De legerplunjezak, gemerkt 16D.1, bevatte 48 pakketten met daarin vermoedelijk cocaïne. Vanuit die hoeveelheid werden door mij willekeurig 20 monsters genomen. De legerplunjezak, gemerkt 16E.1, bevatte 30 pakketten met daarin vermoedelijk cocaïne. Vanuit die hoeveelheid werden door mij willekeurig 16 monsters genomen. De legerplunjezak, gemerkt 16F.2, bevatte 40 pakketten met daarin vermoedelijk cocaïne. Vanuit die hoeveelheid werden door mij willekeurig 16 monsters genomen. De legerplunjezak, gemerkt 16F.4, bevatte 44 pakketten met daarin vermoedelijk cocaïne. Vanuit die hoeveelheid werden door mij willekeurig 17 monsters genomen. De door mij getrokken monsters, voorzien van correspondentienummer 204/1991, werden ter beschikking gesteld van het Gerechtelijk Laboratorium te Rijswijk, voor onderzoek inzake de Opiumwet.
  34. Het ambtsedig rapport d.d. 19 juni 1991, zaaknummer 91.05.23.055 (als bijlage gevoegd bij bijlage 1/AH/13 van proces-verbaal nr 1/1994 van de regiopolitie Rotterdam-Rijnmond), van het Gerechtelijk Laboratorium, opgemaakt door de deskundige onder meer in -zakelijk weergegeven-: Verdachte (n): [betrokkene 1] Aanvrage van: Gemeentepolitie Rotterdam Kenmerk: 204/1991 Verbalisant: [verbalisant 4] , hoofdagent-rechercheur. ONTVANGST MATERIAAL Onderzoekaanvrage en materiaal werden op 21 mei 1991 ontvangen van de gemeentepolitie Rotterdam. VRAAGSTELLING Verzocht werd om een onderzoek in te stellen naar de aanwezigheid van middelen, welke vallen onder de bepalingen van de Opiumwet. ONDERZOEKSMETHODEN Naast een beoordeling van de uiterlijke kenmerken van materiaal werd bij het onderzoek gebruikt van de volgende methoden. M1 = microchemische reacties; M3 = plaatchromatografie; M4 = gaschromatografie; M5 = gaschromatografie met massaselectieve detectie. TABELLARISCHE WEERGAVE MATERIAAL EN ONDERZOEKSRESULTAAT Kenmerk Omschrijving Resultaat 204/1991 149 monsters Bevatten alle 149 cocaïne witte brokjes en poeder VERMELDING VAN HET MIDDEL IN DE OPIUMWET Cocaïne is vermeld op lijst I, behorende bij de Opiumwet.
  35. Het ambtsedig proces-verbaal d.d. 16 juni 1994 (als bijlage 01/V2/2 gevoegd bij het proces-verbaal nr 1/1994 van de regiopolitie Rotterdam-Rijnmond), opgemaakt en ondertekend door [verbalisant 5] , brigadier-rechercheur van de regiopolitie Rotterdam-Rijnmond, en een andere bevoegde opsporingsambtenaar. Het houdt onder meer in -zakelijk weergegeven-: als de op 16 juni 1994 tegenover de verbalisanten afgelegde verklaring van [betrokkene 8] : [verdachte] is in contact gekomen met [betrokkene 32] die het bedrijf [G] in Suriname bezat. Door [verdachte] is mij later verteld, dat [betrokkene 32] en hij besloten hadden om samen te werken. Er werd een samenwerkingsverband opgezet tussen “ [B] B.V.“ en “ [G] ”. In 1991 ben ik samen met [verdachte] naar Suriname gegaan. Wij gingen namens “ [B] B.V.”. Tijdens ons verblijf ben ik met [betrokkene 16] doende geweest “ [G] ” In orde te maken. Korte tijd na onze terugkeer in Nederland gingen we weer naar Suriname. We verbleven in het ”Torarica hotel”. We kwamen op een maandag aan in Paramaribo aan. Op de donderdag erop zagen [verdachte] en ik dat [betrokkene 1] eveneens in het hotel verbleef.
  36. Het proces-verbaal d.d. 21 mei 1991 (als bijlage 1/GV.4/1 gevoegd bij het proces-verbaal nr 1/1994 van de regiopolitie Rotterdam-Rijnmond) van de rechter-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in de arrondissementsrechtbank te Rotterdam. Dit proces-verbaal houdt onder meer in -zakelijk weergegeven-: als de op 21 mei 1991 tegenover de rechter-commissaris afgelegde verklaring van [betrokkene 1] : Ongeveer een jaar geleden werd ik benaderd door een groep Nederlanders. Zij vroegen mij of ik de mogelijkheid had om voor hen tropisch hout vanuit Zuid-Amerika binnen Nederlands te importeren. In het vierde kwartaal van 1990 kreeg ik een aanbieding vanuit Suriname om daar het hout te kopen. Ik heb dat doorgegeven aan de eerdergenoemde groep mensen en ben in december 1990 in hun opdracht naar Suriname gereisd om aldaar het hout te bestellen en afspraken te maken over de aflevering. Zij wilden dat ik een bedrijf in Nederland zou zoeken dat als tussenhandelaar zou kunnen fungeren. Ik heb [betrokkene 33] toen bereid gevonden om als zodanig op te treden. In februari van dit jaar ben ik in opdracht van de groep naar Suriname gegaan. Die groep mensen bevond zich toen ook in Suriname. Nadat ik het geld aan de verkoper had betaald ben ik teruggegaan naar Nederland. In april 1991 kreeg ik van de groep bericht dat de partij hout was verscheept vanuit Suriname. Ongeveer 1 week geleden werd ik wederom benaderd door de eerdergenoemde groep mensen. Ik heb diezelfde dag mijn broers [betrokkene 31] , [betrokkene 35] en [betrokkene 36] gevraagd om mij te helpen. De groep gaf mij f 10.000,=. De groep vertelde mij dat het materiaal uit het hout verwijderd moest worden en dat ik het daarna naar het industrieterrein aan de Spaanse Polder te Rotterdam moest vervoeren. Op 17 mei 1991 heb ik tegen mijn broers en [betrokkene 37] gezegd dat wij naar het bedrijfsterrein van [betrokkene 37] in Breda moesten gaan. Ik heb of toen of later op het bedrijfsterrein tegen hen gezegd dat er spullen uit de partij hout verwijderd moesten worden. Daarna ben ik van Rotterdam naar Breda gegaan. Op het bedrijfsterrein verschenen ook mijn broers [betrokkene 31] , [betrokkene 36] en [betrokkene 35] alsmede [betrokkene 37] en de vrachtauto met het hout. Ik ben zelf op de vrachtauto geklommen en gaan zoeken naar de bundels vijf en zes. [betrokkene 27] kwam in 1989 bij mij langs. Hij hielp mij bij het opkopen van faillissementspartijen. Met betrekking tot zaak
  37. In 1990/1991 kreeg ik contact met Suriname. In februari 1991 ben ik samen met [betrokkene 8] bij besprekingen geweest met de bank in Suriname. Ik heb [betrokkene 1] in februari 1991 in het Toraricahotel in Paramaribo gezien. Ik ben twee keer in Suriname geweest. Ik ken [betrokkene 38] . Zij was een vriendin van [betrokkene 1] . In de tijd dat ik met [betrokkene 1] werkte kwam ik regelmatig bij [betrokkene 38] . [betrokkene 27] heeft in twee jaar bij mij f 125.000,= verdiend. Voor november 1989 had ik niets met [betrokkene 27] te maken. Ik ken [betrokkene 33] . Met betrekking tot zaak 2.
  38. U toont mij een leenovereenkomst voor een bedrag van drie en een half miljoen gulden van [E] aan [B] B.V. , waarvan ik directeur was. Er is door [B] geen rente betaald. Het kan wel kloppen dat er ooit een bespreking is geweest waarbij [betrokkene 9] als adviseur optrad. De handtekening op de door U getoonde leenovereenkomst ten bedrage van drie en een half miljoen (bijlage 02.1/D9 van het dossier) is van mij. [betrokkene 8] is bij de notaris geweest toe het aandelenpakket van [B] werd uitgebreid. Er heeft geld van mij op een bank in Oostenrijk gestaan. Als er staat dat ik op 21 september 1990 en 28 september 1990 bij besprekingen in Luxemburg ben geweest, kan dat kloppen. b. De verdachte heeft ter terechtzitting in eerste aanleg van 17 februari 1995 verklaard -zakelijk weergegeven-: Met betrekking tot zaak 2.
  39. U toont mij de notulen van een vergadering van 9 januari
  40. Ik herken die notulen alsmede mijn handtekening die daaronder staat. Op de door U getoonde correspondentie, als bijlage 02.1/D 23 gevoegd bij het dossier, herken ik telkens mijn handtekening op de brieven. Op de Oostenrijkse bank had ik meer dan een miljoen gulden staan. Dat geld heb ik administratief niet verantwoord. Met betrekking tot zaak 2.2.a. Ik weet van die leenovereenkomst ten behoeve van het zonnebankcentrum [K] / [J] (bijlage 02.2a/D12), waar het gaat over een overeenkomst van geldlening ten bedrage van f 400.000,= tussen [betrokkene 7] en mijn vrouw [betrokkene 2] . Deze overeenkomst is bevestigd bij een notariële akte van 5 april
  41. Ik weet dat ik een lening heb met [betrokkene 7] . Ik had geld nodig voor [J] . [betrokkene 8] heeft die geldlening met [betrokkene 7] geregeld. Er is helemaal niets niet verantwoord. Alles is via de notaris gegaan. Ik was aanwezig bij de notaris ten tijde van de ondertekening van de leenovereenkomst. Er was geen onderpand voor deze lening. De financiën van [J] heeft [betrokkene 8] geregeld. Het maakt niet uit of de lening op naam van mijn vrouw stond of niet. Als er wat gebeurt, moet het wel goed op papier staan. Op die lening is niets afbetaald. Met betrekking tot zaak 2.2.b. Het kan kloppen dat [betrokkene 7] f 260.000,= heeft ontvangen. Ik had een bankgarantie van [betrokkene 7] gekregen voor een bedrag van f 400.000,= bestemd voor [J] . Ik heb met [betrokkene 7] de afspraak gemaakt dat hij wat provisie zou krijgen. U houdt mij voor dat [betrokkene 8] een enveloppe heeft gegeven aan [betrokkene 24] . Er worden zoveel zaken gedaan met [betrokkene 24] . Alle geldkwesties heb ik persoonlijk met [betrokkene 24] gedaan. Met betrekking tot zaak
  42. Ik heb [betrokkene 39] ontmoet in de woning van [betrokkene 11] aan de [h-straat] te [plaats] . Ik weet dat [betrokkene 25] [betrokkene 39] moest spreken. Hij wilde weten war er met [betrokkene 40] aan de hand was. [betrokkene 26] vertelde dat [betrokkene 40] door de Spaanse politie was aangehouden. Ik heb ervoor gezorgd dat de vrouw van [betrokkene 40] , [betrokkene 39] , naar een woning aan de [h-straat] werd gebracht. [betrokkene 25] is in die woning geweest en heeft met [betrokkene 39] gesproken. Er was handel weg. De verklaring van [betrokkene 8] klopt op zichzelf wel. Ik ben op 3 november 1991 met [betrokkene 4] naar Marokko geweest. In Marokko heb ik een bankrekening geopend. Ik heb [betrokkene 11] naar Spanje gestuurd om te zien wat eraan de hand was. Met betrekking tot de zaken 5 en
  43. In augustus 1991 heb ik [betrokkene 26] voor de eerste keer gezien in Marokko. [betrokkene 26] had probleem met de bank. Ik zal ook wel tegen de anderen verteld hebben dat de spullen in die bundels verstopt zaten. Ik trof in die bundels een groot aantal pakketten aan. Het viel mij op dat de pakketten dichtgetaped waren. Mijn broers, [betrokkene 37] en ik hebben de pakketten in plunjezakken gedaan. Ik besloot toen om die plunjezakken in mijn trekker en in de auto waar mijn broers [betrokkene 35] en [betrokkene 36] mee waren gekomen, te plaatsen. Toen wij daarmee bezig waren kwam de politie en werden wij gearresteerd.
  44. Het proces-verbaal d.d. 26 september 1991 (als bijlage 1/G4/2 gevoegd bij het proces-verbaal nr 1/1994 van de regiopolitie Rotterdam-Rijnmond) van de rechter-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in de arrondissementsrechtbank te Rotterdam. Dit proces-verbaal houdt onder meer in -zakelijk weergegeven-: als de op 26 september 1991 tegenover de rechter-commissaris afgelegde verklaring van [betrokkene 1] : Ik ben in de maand februari 1991 naar Suriname afgereisd om alles te regelen in verband met de transactie van het hout. Ik ben toen alleen naar Suriname vertrokken en verbleef weer in hetzelfde hotel Torarica. Enkele mensen van die groep Nederlanders zijn na mij vertrokken. Twee personen uit die groep heb ik in Suriname gezien. Zij verbleven ook in hetzelfde hotel.
  45. Het ambtsedig proces-verbaal d.d. 10 januari 1995 (als bijlage 1A/AH/17 gevoegd bij proces-verbaal nr 1/1994 van regiopolitie Rotterdam-Rijnmond), opgemaakt door [verbalisant 5] , brigadier-rechercheur van regiopolitie Rotterdam-Rijnmond. Het houdt onder meer in -zakelijk weergegeven-: als relaas van de verbalisant: Op 17 mei 1991 werd te Breda in beslag genomen circa 357 kilogram cocaïne verpakt in hout en werd onder meer [betrokkene 1] , geboren op [geboortedatum] 1963 te Paramaribo, Suriname, aangehouden. Tijdens de onder andere door mij afgenomen verhoren van [betrokkene 1] , werd door hem verklaard dat voor de invoer van de eerder genoemde partij ‘hout’ een organisatie verantwoordelijk was, die hij in zijn verklaringen omschreef als ‘een groep Nederlanders’. In vertrouwen en buiten het procesdossier om benoemde [betrokkene 1] de ‘groep Nederlanders’ en noemde hij de namen van [verdachte] en [betrokkene 8] .
  46. Het ambtsedig proces-verbaal d.d. 23 september 1993 (als bijlage 1V10/1 gevoegd bij het proces-verbaal nr 1/1994 van de regiopolitie Rotterdam-Rijnmond), opgemaakt door [verbalisant 6] , hoofdagent-rechercheur van de gemeentepolitie Rotterdam, en een ander bevoegde opsporingsambtenaar. Het houdt onder meer in -zakelijk weergegeven-: als de op 2 september 1993 tegenover de verbalisanten afgelegde verklaring van [betrokkene 27] : Met betrekking tot een man, genaamd [betrokkene 1] , in relatie met de invoer van een partij van 350 kilogram cocaïne uit Suriname in Nederland, wens ik de navolgende verklaring af te leggen. In de maanden augustus 1990 tot begin 1991 vonden besprekingen plaats tussen [betrokkene 8] en [verdachte] . Ik ben bij vele besprekingen aanwezig geweest. Er werd onder meer over de voorbereidingen van cocaïne transporten vanuit Suriname gesproken. [verdachte] zei tegen [betrokkene 8] dat hij zich met de zakelijke dingen met betrekking tot Suriname bezig moest houden. [verdachte] zei dat hij zichzelf wel met de cocaïne transporten bezig zou gaan houden. In de maand februari 1991 zijn [verdachte] en [betrokkene 8] naar Suriname vertrokken. Zij zijn toen ongeveer vier of vijf dagen in Suriname geweest. Bij de bezoeken van [verdachte] en [betrokkene 8] aan Suriname logeerde zij in hotel Torarica in Paramaribo. [verdachte] vertelde dat hij drie dagen besprekingen had gevoerd met de militairen, onder andere met [betrokkene 41] , over het afnemen van cocaïne. [verdachte] vertelde mij dat de militairen af wilden van de kleine jongens, die maar hoeveelheden van 100 kilo cocaïne afnamen, en alleen met de grote jongens zoals [verdachte] zaken wilden doen. [verdachte] vertelde mij pas later dat [betrokkene 8] op de hoogte was dat [verdachte] met de militairen over het afnemen van cocaïne had gesproken. Ik hoorde van [verdachte] , [betrokkene 8] en [betrokkene 1] dat het idee om cocaïne in hout te verstoppen en te transporteren van Suriname naar Nederland afkomstig was van [betrokkene 1] . Eind 1990 begin 1991 hoorde ik van [verdachte] dat hij met de invoer van een partij cocaïne uit Suriname bezig was en dat [betrokkene 1] met de voorbereiding van het cocaïnetransport in Suriname bezig was. Hoewel wij hadden afgesproken dat wij geen cocaïne zouden doen, vertelde [verdachte] mij toen dat hij met de invoer van 350 kilo cocaïne bezig was. Hij zei dat deze 350 kilo cocaïne door [betrokkene 1] binnen gebracht zou gaan worden. Ik hoorde op [geboortedatum] 1991 van [betrokkene 19] , die ik in Rotterdam tegenkwam, dat [verdachte] met [betrokkene 1] bezig was een partij van ongeveer 350 kilo cocaïne van Suriname naar Nederland te transporteren. [betrokkene 19] zei mij dat de cocaïne in een partij hout verstopt zou zitten. Ik hoorde van [betrokkene 8] en [verdachte] , dat [betrokkene 1] in die tijd veel contact had met een Nederlandse man die een bedrijfsterrein had in Breda. Ik hoorde in juni 1991 van [verdachte] dat hij was bang dat er tegen hem verklaringen waren afgelegd door [betrokkene 1] .
  47. Het ambtsedig proces-verbaal d.d. 19 juli 1993, nr 102-E/1991 (als bijlage 1/AH/6 gevoegd bij het proces-verbaal nr 1/1994 van regiopolitie Rotterdam-Rijnmond), opgemaakt en ondertekend door [verbalisant 5] , hoofdagent van gemeentepolitie Rotterdam, en andere bevoegde opsporingsambtenaren. Het houdt onder meer in -zakelijk weergegeven-: a. als relaas van de verbalisanten: Op 18 januari 1993 had ik, verbalisant [verbalisant 5] , telefonisch contact met [betrokkene 42] . Ik deelde [betrokkene 42] mede dat hij niet tot antwoorden verplicht was. Ik vroeg hem vervolgens wat hij over de “ [betrokkene 1] zaak” kon vertellen. [betrokkene 42] verklaarde mij dat hij alles daarvan afwist, omdat hij in de tijd dat dit speelde, als boekhouder werkzaam was bij [betrokkene 1] . [betrokkene 42] verklaarde tevens dat hij wist wie er zoal in de partij cocaïne had geïnvesteerd. [betrokkene 42] vertelde mij dat hij dit niet telefonisch wilde vertellen, omdat hij ook een gezin had. [betrokkene 42] zei letterlijk: “Ik zal je een naam noemen, [verdachte] ”. Op mijn vraag welke [verdachte] , antwoordde [betrokkene 42] : “ [verdachte] ”. b. als de op respectievelijk 22 en 23 januari 1993 (abusievelijk vermeld als 1992) tegenover de verbalisanten afgelegde verklaring van [betrokkene 42] : Ik ben een aantal jaren geleden boekhouder geweest van [betrokkene 1] . Ik heb [betrokkene 1] ongeveer 6 jaar geleden ontmoet. In die tijd, ik spreek dan over 1987, werkte [betrokkene 1] samen met een man wiens naam ik niet wil noemen, [betrokkene 33] en nog anderen. In mijn verdere verklaring zal ik deze man dan ook X noemen. In die tijd zaten [betrokkene 33] , [betrokkene 1] en X al zaken te doen in de verdoven middelen handel. Een lijfwacht van X ken ik als [betrokkene 27] . In het jaar 1990 kreeg ik in de gaten dat [betrokkene 1] , [betrokkene 33] en X bezig waren met het importeren van hout van Suriname naar Nederland. Ik weet dat [betrokkene 33] en [betrokkene 1] elk f 975.000,= erin gestoken hebben. X heeft het ontbrekende bedrag aangevuld. Op een gegeven moment werd het woord cocaïne wel genoemd. [betrokkene 1] , X en [betrokkene 33] spraken namelijk over de afzet van de cocaïne. In die tijd deed [betrokkene 1] ook veel zaken met een man genaamd [betrokkene 8] . De naam van het bedrijf van [betrokkene 8] is “ [B] B.V.”. [betrokkene 8] sprak met [betrokkene 1] ook gewoon over verdovende middelen. Ik weet dat X veel geld in [B] B.V. heeft gestopt. Wat ik heb gehoord, is dat X meer dan 5 miljoen in die zaak heeft gestopt. [betrokkene 1] en X zaten regelmatig bij [betrokkene 8] op kantoor. Dat was in de tijd dat de verscheping van het hout, met de cocaïne, gaande was. Inmiddels was ook [betrokkene 37] in beeld gekomen. [betrokkene 37] had een bedrijfsterrein in Breda. Dat zou gebruikt moeten worden om de cocaïne uit te pakken.
  48. Het proces-verbaal d.d. 7 november 1994 van de rechter-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in de arrondissementsrechtbank te Rotterdam. Dit proces-verbaal houdt onder meer in -zakelijk weergegeven-: als de op 7 november 1994 tegenover de rechter-commissaris afgelegde verklaring van [verbalisant 5] : De opmerking opgenomen op pagina 40, bijlage 1/AH/6 van zaak 1: “dat daar, waar in de verklaringen van [betrokkene 42] X staat genoemd, tijdens het verhoor door [betrokkene 42] , de naam [verdachte] werd genoemd. Na het tonen van de politiefoto van [verdachte] verklaarde [betrokkene 42] dat deze foto de beeltenis vertoonde van de door hem als X aangeduid [verdachte] (…) doch dat hij dit niet in zijn verklaring opgenomen wilde zien” is juist.
  49. Het ambtsedig proces-verbaal d.d. 31 augustus 1994 (als bijlage 1/V46/1 gevoegd bij het proces-verbaal nr 1/1994 van de regiopolitie Rotterdam-Rijnmond), opgemaakt en ondertekend door [verbalisant 5] , brigadier-rechercheur van de regiopolitie Rotterdam-Rijnmond, en een andere bevoegde opsporingsambtenaar. Het houdt onder meer in -zakelijk weergegeven-: als de op 31 augustus 1994 tegenover de verbalisanten afgelegde verklaring van [betrokkene 38] : Ik ken [betrokkene 1] al sinds
  50. Kort nadat ik bij [betrokkene 1] was gaan werken, leerde ik [betrokkene 8] kennen. [betrokkene 1] deed regelmatig zaken met [betrokkene 8] . Later leerde ik een man kennen die zich toen voorstelde als [verdachte] . Inmiddels ken ik hem als [verdachte] . Vanaf die tijd kwam [verdachte] geregeld bij [betrokkene 1] op de zaak. In 1990 is [betrokkene 1] bezig geweest om een partij hout van Suriname naar Nederland te importeren. Dit betref de partij hout, waar bij aankomst in Nederland, 357 kilogram cocaïne in is aangetroffen. Ik ben wel eens op kantoor bij [betrokkene 8] geweest. [betrokkene 8] vertelde mij dat hij naar Suriname wilde gaan om te gaan bekijken hoe de stand van zaken met het hout was. [betrokkene 1] was daar ook bij. Kort daarop zijn [betrokkene 8] en [betrokkene 1] naar Suriname gereisd. Ik weet niet wie er eerder is vertrokken. Zij zijn echter niet gelijktijdig vertrokken. Ik dacht dat dit in 1991 was. [betrokkene 1] is echter heel kort in Suriname geweest. Nadat [betrokkene 1] was teruggekeerd uit Suriname vertelde hij mij dat hij [verdachte] en [betrokkene 8] in Suriname had ontmoet. Ongeveer 1 maand na de aanhouding van [betrokkene 1] vanwege de handel in cocaïne ben ik in contact gekomen met [verdachte] . [verdachte] was heel nieuwsgierig wat [betrokkene 1] allemaal tegen de politie had verteld. [verdachte] vroeg of ik al door de politie was verhoord en vroeg wat de politie allemaal over hem had gevraagd. [verdachte] was heel erg nieuwsgierig of zijn naam in het politie-onderzoek was gevallen. Ik moet hem bellen als ik iets over het politie-onderzoek wist.
  51. Het ambtsedig proces-verbaal d.d. 10 maart 1993 (als bijlage 6/V4/! Gevoegd bij proces-verbaal nr 1/1994 van de regiopolitie Rotterdam-Rijnmond), opgemaakt en ondertekend door [verbalisant 6] , hoofdagent van regiopolitie Rotterdam-Rijnmond, en een andere bevoegde opsporingsambtenaar. Het houdt onder meer in -zakelijk weergegeven-: als de op 10 maart 1993 tegenover de verbalisanten afgelegde verklaring van [betrokkene 26] : Ik woon sinds 1986 in Marokko. Mijn vrouw heeft […] . In 1991 had ik in het El Minza Hotel een ontmoeting met [verdachte] , [betrokkene 25] en de vader van [betrokkene 28] , die ik in mijn verdere verklaring [betrokkene 29] zal noemen. [verdachte] vroeg toen aan mij of ik een auto vanuit Ceuta naar Marokko wilde brengen. [verdachte] gaf mij hiervoor een fotokopie van een kentekenbewijs van een personenauto van het merk Mitsubishi Galant, kleur groen. Het kenteken was [kenteken 5] . Ik zag dat het kentekenbewijs op naam was gesteld van [betrokkene 3] . Verder kreeg ik van [verdachte] een fotokopie van een Nederlands paspoort ten name van [betrokkene 3] . [verdachte] zei tegen mij dat de roepnaam van de jongen, die de auto in Ceuta zou brengen, [betrokkene 3] is. [betrokkene 3] is de broer van de vriendin die [verdachte] bij zich had in Tanger. Ik dacht dat zij [betrokkene 4] heette. [verdachte] vroeg mij de auto voor hem over de grens bij Ceuta te brengen. [verdachte] zei dat die wagen bestemd was voor [betrokkene 29] . [betrokkene 29] zei tegen [verdachte] dat hij bij ministers in Rabat cocaïne zou kunnen verkopen. [betrokkene 29] zei dat hij cocaïne voor een bedrag van f 100.000,= per kilo zou kunnen verkopen. Ik had tegen [verdachte] verteld dat ik kontakten heb bij de douane in Ceuta. Er kan tegen betaling bij de douane in Ceuta veel worden geregeld. [verdachte] heeft mij gezegd dat er in de Mitsubishi een partij verdovende middelen verstopt zouden zitten. [verdachte] vertelde mij, dat er twee kilogram cocaïne verborgen zou zitten in het reservewiel van deze auto. [verdachte] zei dat de cocaïne 94 procent zuiver was. [verdachte] vertelde met trots dat het Surinaamse cocaïne zou zijn. [verdachte] vertelde mij dat hij de cocaïne in Suriname voor f 9.000,= per kilo inkocht. [verdachte] zei dat de Mitsubishi al klaar stond in Nederland en al was gerepareerd. [verdachte] heeft mij verzocht de cocaïne uit de band te verwijderen en de twee kilo cocaïne aan [betrokkene 29] te overhandigen samen met de Mitsubishi. In de maand november 1991 ontving ik van [verdachte] een fax. In deze fax stond, dat [betrokkene 3] de volgende dag met de eerste boot na 09.00 uur in Ceuta, vanuit Algeciras aan zou komen. Ik ben de volgende dag naar Ceuta gereden. Ik ben naar de haven in Ceuta gereden. Ik zag dat [betrokkene 3] van de veerboot af kwam rijden. Ik herkende [betrokkene 3] van de foto, van de fotokopie van het paspoort, die ik van [verdachte] had gekregen. Ik zag dat [betrokkene 3] reed in een groene Mitsubishi, type Galant, voorzien van het Nederlandse kenteken [kenteken 5] . Ik heb kontakt gemaakt met [betrokkene 3] en ben vervolgens bij hem in de auto gestapt. Ik heb [betrokkene 3] bij een restaurantje afgezet. Ik ben hierna met de auto de grens bij Ceuta overgereden naar Marokko. Ik betaalde de douane f 100,=. Ik ben met de Mitsubishi naar zijn woning gereden. Ik heb de auto in de garage gezet. Ik heb hierna het reservewiel uit de kofferbak van Mitsubishi gehaald. Vervolgens heb ik de buitenband open gesneden en verwijderd. Ik zag dat deze band met geel schuim was opgevuld. Ik zag dat tussen dit schuim twee pakketten zaten. De twee pakketten waren met bruin tape omwikkeld en zaten verpakt in witte plastic zakken met daarin vloeibare zeep. Ik heb hierna de twee kilo cocaïne aan [betrokkene 29] gegeven. [betrokkene 29] zou aan [verdachte] doorgeven, dat hij de auto van mij had gekregen. [betrokkene 29] zou ook doorgeven dat hij de cocaïne van mij had gekregen. Ik heb hierna met [verdachte] gebeld. Ik zei tegen [verdachte] dat de auto was aangekomen en dat alles goed was gegaan. Ik zei tegen [verdachte] dat de Mitsubishi aan [betrokkene 29] had overgedragen.
  52. Het ambtsedig proces-verbaal d.d. 25 mei 1994 (als bijlage 6/V5/2 gevoegd bij proces-verbaal nr 1/1994 van de regiopolitie Rotterdam-Rijnmond), opgemaakt en ondertekend door [verbalisant 4] , brigadier-rechercheur van regiopolitie Rotterdam-Rijnmond, en een andere bevoegde opsporingsambtenaar. Het houdt onder meer in -zakelijk weergegeven-: als de op 25 mei 1994 tegenover de verbalisanten afgelegde verklaring van [betrokkene 3] : Begin november 1991 werd mij door [betrokkene 8] verteld dat een groene Mitsubishi Galant te koop stond. Ik kreeg van [betrokkene 8] de opdracht naar deze auto te informeren met betrekking tot de vraagprijs en de staat van onderhoud. Na een dag of twee kreeg ik van [betrokkene 8] ongeveer f 6.000,= om deze auto te kopen. Ik ben naar het garagebedrijf gegaan en heb daar de Mitsubishi Galant gekocht. In opdracht van [betrokkene 8] ben ik naar Reisbureau Toeras in Schiedam gegaan om daar de auto te laten verzekeren voor een korte periode. Dezelfde dag, u zegt mij op 11 november 1991, heb ik de auto op het postkantoor aan het Zuidplein op mijn naam laten zetten. Ik ben met de Mitsubishi Galant naar het bedrijfspand te Zwijndrecht gereden. Ik heb de auto achter het hek op de binnenplaats van het bedrijf geparkeerd. Ik heb de autosleutels met een kaartje “Mitsubishi” boven op het kantoor op een bureau waar [betrokkene 8] zat neergelegd. Ongeveer twee dagen later was kwam [verdachte] in Zwijndrecht naar mij toe en vroeg of ik wat voor hem wilde doen. Ik zei tegen hem, dat het goed was. [verdachte] vroeg mij de Mitsubishi Galant naar Spanje te brengen. Ik moet van hem deze auto aan een kennis van hem daar afgeven. Ook daarop zei ik: “Ja”. [verdachte] zei tegen mij, dat er wat met de auto mee ging. [verdachte] zei verder tegen mij dat de auto naar Ceuta gebracht moest worden. [betrokkene 8] heeft mij toen de route uitgelegd naar Ceuta. De dag voor mijn vertrek kreeg ik van [verdachte] en [betrokkene 8] instructies mee. Deze instructies waren, dat ik ’s avonds moest bellen naar [betrokkene 8] of [betrokkene 4] om te laten weten waar ik was. Als u mij vraagt wie de instructies gaf, dan moet ik zeggen dat [verdachte] de instructies gaf waarna [betrokkene 8] ze nog eens herhaalde. De Mitsubishi Galant, kenteken [kenteken 5] , moest ik afgegeven aan […] . […] zou mij opwachten nabij de afrit van de veerboot in Ceuta. Er werd gezegd door [verdachte] dat […] mij daar zou kunnen herkennen. [verdachte] zei mij dat ik daar op een bepaalde dag moest zijn. Later hoorde ik van […] dat dat was in verband met de Douane. Ik kreeg van [verdachte] op de dag van vertrek ongeveer f 5.000,= mee. Het geld kreeg ik voor de onkosten en een vliegticket voor mijn terugreis. Op 14 november 1991 in de vroege ochtend ben ik vanaf mijn woonadres met de Mitsubishi Galant vertrokken. Geheel volgens de instructies van [verdachte] en [betrokkene 8] ben ik met de Mitsubishi in één naar Fuengirola te Spanje gereden. Onderweg heb ik telefonisch contact gehouden met [betrokkene 8] en mijn zus [betrokkene 4] . Ik heb hen beiden op de hoogte gehouden van de plaatsen waar ik op dat moment was. Op 16 november 1991 moet ik volgens de instructies voor de middag te Ceuta zijn. Ik ben met de auto naar Algeciras gereden en heb de veerboot naar Ceuta genomen. Toen ik van de veerboot afreed werd ik door […] , U zegt mij [betrokkene 26] , aangehouden. […] stond voor de auto en is bij mij in de auto gestapt. Voordat hij instapte vroeg hij mij: “Ben jij [betrokkene 3] ?” Ik heb toen bevestigend geantwoord. Samen zijn we naar een café gereden. Ik heb de auto aan […] overhandigd. Twee weken later kwam [verdachte] naar Zwijndrecht met een zwarte Mercedes-Benz 190E, kenteken [kenteken 6] . [verdachte] zei tegen mij dat ik de Mercedes-Benz van hem kon kopen voor f 29.000,=. Ik ging daarmee accoord, maar had op dat moment geen geld. [verdachte] zei toen letterlijk: “Je staat nu vierduizend gulden in de schuld.’’ Ik vroeg hoe hij dit bedoelde. [verdachte] zei toen letterlijk: “Je hebt vijfentwintigduizend gulden verdiend”. Naderhand vroeg ik aan [verdachte] wat ik precies met de Mitsubishi had vervoerd. [verdachte] zei toen letterlijk: “Een klein beetje coke”. Een aantal dagen later heb ik op het kantoor in Zwijndrecht aan [betrokkene 8] gevraagd wat er precies in die auto had gezeten. Ook [betrokkene 8] zei tegen mij dat ik cocaïne had vervoerd. [betrokkene 8] vertelde mij dat de cocaïne die ik had vervoerd, bestemd was voor mensen die cocaïne gebruikten. [betrokkene 8] vertelde mij dat deze mensen kennissen waren van [betrokkene 26] . [betrokkene 8] heeft mij uitgelegd dat het niet ging om cocaïne poeders maar om stukjes c.q. brokjes cocaïne.
  53. Het ambtsedig proces-verbaal d.d. 10 maart 1993 (als bijlage 5/V4/1 gevoegd bij proces-verbaal nr 1/1994 van regiopolitie Rotterdam-Rijnmond), opgemaakt en ondertekend door [verbalisant 7] , hoofdagent van regiopolitie Rotterdam-Rijnmond, en een andere bevoegde opsporingsambtenaar. Het houdt onder meer in -zakelijk weergegeven-: als de op 10 maart 1993 tegenover de verbalisanten afgelegde verklaring van [betrokkene 26] : In het voorjaar van 1991 ben ik in Den Haag in kontakt gekomen met een man, genaamd [verdachte] , geboren [geboortedatum] 1945 te [geboorteplaats] . U toonde mij zojuist een foto, nummer 738/1985, waar [verdachte] op staat afgebeeld, Ik zal hem in mijn verder verklaring [verdachte] blijven noemen. In de maand januari 1992 vertelde [verdachte] mij dat hij geen probleem had om aan cocaïne te komen. [verdachte] zei dat hij hiervoor het bedrijf [B] had opgezet. [verdachte] vertelde mij dat er grote hoeveelheden cocaïne in Suriname zouden liggen. [verdachte] zei dat [B] zou gaan dienen als dekmantel voor de cocaïnehandel. Verder zei [verdachte] mij dat er in Paramaribo een nevenbedrijf van [B] was opgezet. [verdachte] zei mij dat hij vanuit Suriname naar Nederland partijen hout zou gaan verzenden. Tussen deze partijen hout zouden grote hoeveelheden cocaïne worden verstopt. [verdachte] vroeg of ik genegen was nog een auto binnen Marokko te brengen. [verdachte] zei tegen mij, dat deze auto al klaar stond in Nederland. [verdachte] zei tegen mij dat er in deze auto cocaïne zat verstopt. Deze auto was al gerepareerd. [verdachte] zei tegen mij, dat het ging om een Renault Fuego. Verder zei [verdachte] dat er in de benzinetank aan de bovenzijde een ruimte was gemaakt waarin de cocaïne verstopt zou zitten. [verdachte] zei tegen mij dat ik de benzinetank onder de auto uit moest halen. Ik heb tegen [verdachte] gezegd dat ik met hem mee wilde werken. [verdachte] zei dat ik de auto mocht houden. Ik kreeg weer een kopie van het paspoort van [betrokkene 3] . De cocaïne zou ik overgeven aan [betrokkene 43] . [verdachte] zei tegen mij, dat [betrokkene 3] een week later, de juiste dag en datum kan ik mij niet meer herinneren, het was nog wel in de maand januari 1992, in Ceuta zou aankomen met de Fuego. Omstreeks 20 januari 1992 in de ochtenduren ben ik met mijn zwager naar de haven van Ceuta gereden. Ik had aan mijn zwager gevraagd of hij de Fuego over de grens wilde rijden. Ik zag [betrokkene 3] met een Renault Fuego, voorzien van het kenteken [kenteken 7] . [betrokkene 3] vertelde dat er in de benzinetank van de Renault Fuego 3 kilo cocaïne zat verstopt. Ik heb de sleutels van de Renault Fuego van [betrokkene 3] overgenomen. Ik heb hierna de sleutels van de Renault Fuego aan mijn zwager gegeven. Ik gaf mijn zwager opdracht om naar mijn woning in Martil te rijden. Ik heb de douane ongeveer f 100,= betaald om een vlotte doorgang voor de Renault Fuego te regelen. Mijn zwager parkeerde de Renault Fuego in de garage van mijn woning. [betrokkene 43] was naar mijn woning gekomen. In de garage ben ik onder de Renault Fuego gekropen en heb de benzinetank losgeschroefd. Het waren twee beugels, die ik los moest maken, waarna ik benzinetank er onderuit kon laten zakken. Ik moest ook de benzineslang afkoppelen. Ik zag dat de benzinetank ongeveer 80 centimeter lang, ongeveer 60 centimeter dik en ongeveer 25 centimeter hoog was. Ik heb de benzinetank op de grond gezet. Ik zag dat op de bovenzijde van de tank een plaat was bevestigd. Ik zag dat deze plaat met siliconenkit was vastgezet. Ik heb hierna de plaat verwijderd. Ik zag dat er onder deze plaat een ruimte was gemaakt van ongeveer 40 bij 30 centimeter en een diepte van ongeveer 20 centimeter. Precies zoals [verdachte] mij had gezegd. Ik zag dat in de geprepareerde ruimte o.a. drie rechthoekige pakketten lagen, welke in bruine tape waren gewikkeld. Deze drie pakketten wogen ongeveer 1 kilo per stuk. Ze waren verpakt in plastic zakken met zeep. Ik veronderstelde dat dit de cocaïne was. Ik heb de verdovende middelen samen met [betrokkene 43] uit de tank gehaald. [betrokkene 43] zei mij dat de verdovende middelen er goed uitzagen. [betrokkene 43] is hierna met de verdovende middelen weggegaan.
  54. Het ambtsedig proces-verbaal d.d. 17 mei 19944 (als bijlage 5/V5/2 gevoegd bij proces-verbaal nr 1/1994 van regiopolitie Rotterdam-Rijnmond), opgemaakt en ondertekend door [verbalisant 4] , hoofdagent-rechercheur van regiopolitie Rotterdam-Rijnmond, en een andere bevoegde opsporingsambtenaar. Het houdt onder meer in -zakelijk weergegeven-: als de op 17 mei 1994 tegenover de verbalisanten afgelegde van [betrokkene 3] : Half november 1991 kreeg ik de opdracht van [betrokkene 8] op zoek te gaan naar een goedkope auto. Ik heb een Renault Fuego te Rotterdam gekocht voor f 1.750,=. Dezelfde dag op 26 november 1991 heb ik in bijzijn van de verkoper het kenteken [kenteken 7] op mijn naam laten overschrijven. Ik ben met de Renault naar het kantoor van [B] B.V. te Zwijndrecht gereden. Het bedrijf [B] B.V is eigendom van [verdachte] .
  55. Het ambtsedig proces-verbaal d.d. 25 mei 1994 (als bijlage 5/V5/3 gevoegd bij proces-verbaal nr 1/19944 van regiopolitie Rotterdam-Rijnmond). Opgemaakt en ondertekend door [verbalisant 4] , brigadier-rechercheur van regiopolitie Rotterdam-Rijnmond, en een andere bevoegde opsporingsambtenaar. Het houdt onder meer in -zakelijk weergegeven-: als de op 25 mei 1994 tegenover de verbalisanten afgelegde verklaring van [betrokkene 3] : In januari 1992 kwam [verdachte] in Zwijndrecht naar mij toe met het verzoek de Renault Fuego, kenteken [kenteken 7] , naar […] in Ceuta te brengen. Hoewel [verdachte] dit niet met zoveel woorden heeft gezegd, begreep ik dat er mogelijk weer “iets” met de auto mee zou gaan. [verdachte] en [betrokkene 8] gaven mij dezelfde instructies die ze eerder bij de vorige reis met de Mitsubishi Galant hadden gegeven. […] kende mij en ik kende […] reeds van de vorige keer dat ik de Mitsubishi Galant naar hem had gebracht en dus was de herkenning geen probleem meer. Vervolgens kreeg ik van [verdachte] bij hem thuis aan de [e-straat] te [plaats] ongeveer f 3.500,= voor onkosten en een vliegticket voor de terugreis. Daarna ben ik geheel volgens de instructies van [verdachte] en [betrokkene 8] gaan rijden richting Ceuta. Op 19 januari 1992 moest ik volgens de instructie van [verdachte] en [betrokkene 8] voor de middag in Ceuta zijn. Ik heb mijn zus [betrokkene 4] gebeld en haar gezegd dat zij [betrokkene 8] moest zeggen dat ik maandag weer terug zou zijn. Net als de vorige reis met de Mitsubishi Galant heb ik in Algeciras de veerboot naar Ceuto genomen. In Ceuta zat […] op mij te wachten. […] had een Marokkaanse douane-ambtenaar omgekocht. Hij kon de auto de grens overbrengen als deze man dienst had. […] vertelde mij dat hij deze douaneman geld gaf, zodat hij geen probleem kreeg met de papieren van de auto. Na de overdracht van de auto aan […] ben ik op dezelfde wijze via Ceuta terug naar Malaga gegaan. Op 21 januari 1992, de dag van mijn aankomst, heeft [betrokkene 4] mij naar Zwijndrecht gebracht waar ik [betrokkene 8] trof. [betrokkene 8] informeerde naar de reis. Ik vertelde hem dat ik de auto aan […] had afgegeven. Ongeveer drie weken later kreeg ik op Zwijndrecht van [verdachte] f 21.000,=. Ik vroeg, nadat ik het geld van hem ontvangen had, wat er in de auto heeft gezeten. [verdachte] zei toen letterlijk: “Er zat niet veel in, alleen een klein beetje coke”.
  56. Het ambtsedig proces-verbaal d.d. 14 april 1994 (als bijlage 5/AH/2 gevoegd bij proces-verbaal nr 1/1994 van regiopolitie Rotterdam-Rijnmond), opgemaakt en ondertekend door [verbalisant 6] , hoofdagent-rechercheur van de gemeentepolitie Rotterdam, en een andere bevoegde opsporingsambtenaar. Het houdt onder meer in -zakelijk weergegeven-: als relaas van de verbalisanten: Op 25 februari 1994 is de Renault Fuego, gekentekend [kenteken 7] , die in Ceuta stond, per boot vervoerd naar Rotterdam, alwaar deze op 28 februari 1994 op last van de rechter-commissaris in de arrondissementsrechtbank te Rotterdam in beslag werd genomen, alsmede het kentekenbewijs deel I en II van de Renault Fuego, kenteken [kenteken 7] op naam van [betrokkene 3] . Door personeel van de Technische Opsporing Dienst werd de tank gedemonteerd, waaruit bleek dat aan de bovenzijde van de benzinetank een ruimte was gemaakt waarin goederen verstopt kunnen worden.
  57. Het ambtsedig proces-verbaal d.d. 18 mei 19944 (als bijlage 14/V2/1 gevoegd bij het proces-verbaal nr 1/1994 van de regiopolitie Rotterdam-Rijnmond), opgemaakt en ondertekend door [verbalisant 5] , hoofdagent-rechercheur van de regiopolitie Rotterdam-Rijnmond), en een andere bevoegde opsporingsambtenaar. Het houdt onder meer in -zakelijk weergegeven-: als de op 18 mei 1994 tegenover de verbalisanten afgelegde verklaring van [betrokkene 8] Wilhelmus [betrokkene 8] : Ik was altijd in Zwijndrecht op het kantoor van [B] en daardoor kon ik alle telefoontjes aannemen, alsmede binnenkomende faxen lezen. De bijnaam van [betrokkene 22] is “ [betrokkene 22] ”. Rond de jaarwisseling van de jaren 1992 en 1993 kwam ik voor de eerste maal in contact met het bedrijf [F] . , gevestigd in België. De mannen die met dat bedrijf te maken hebben zijn [betrokkene 15] [betrokkene 14] . [betrokkene 14] is een goede kennis van [verdachte] . [betrokkene 14] en [betrokkene 15] heb ik via [verdachte] leren kennen. [betrokkene 14] en [betrokkene 15] deden al zaken met Roemenië. [betrokkene 13] was hun vertegenwoordiger in Roemenië. Ik ben eind februari 1993 naar Boekarest gegaan en heb daar [betrokkene 13] ontmoet. Ik heb vanuit Roemenië gebeld met [verdachte] . Uiteindelijk was [verdachte] de grote man achter de op te zetten houthandel. Hij was in het bezit van het benodigde geld en ik was uiteraard verantwoording aan hem schuldig. Het was de bedoeling om 2000 kilogram “weed”, verstopt in meubelen, vanuit Roemenië naar Nederland te importeren. Dit zou gebeuren in samenwerking met [betrokkene 14] , [betrokkene 15] en [betrokkene 13] . In die periode werd er ook de loods van [B] een zogenaamde vacuümmachine afgeleverd. Ik wist dat de machine en de bijbehorende plastic zakken bestemd waren om weed in te verpakken. Naar ik dacht heeft [betrokkene 21] het volledige transport verzorgd van de vacuümmachine. Deze moest namelijk van Zwijndrecht naar Nigeria getransporteerd worden. [betrokkene 13] zou zorgen voor het transport van de weed vanuit Nigeria en bestemd voor Roemenië. Ik weet dat hij in Nigeria is geweest.
  58. Een geschrift, zijnde een faxbericht d.d. 15 maart 1993, gericht aan “ [betrokkene 15] / [betrokkene 8] “ van “ […] .”(als bijlage regiopolitie Rotterdam-Rijnmond). Het houdt onder meer in -zakelijk weergegeven-: “03/15/1993 15:26 From to […] To: [betrokkene 15] / [betrokkene 8]Date: 15-03-‘93From: […] (fax […] of […] ) Beste [betrokkene 15] / [betrokkene 8] ,Apparatuur z.s.m. sturen naar adres dat [betrokkene 14] op Schiphol heeft gehad!Bijhorende materiaal:1 (H) +/-44 cm x (BR) +/-32 cm +/-11.000 stuks2 (H) +/-51 cm X (BR) +/-39 cm +/- 6.000 stuksVoorkeur heeft 2, als dit kan met de apparatuur, grotere maten mag natuurlijk, als genoemde er niet zijn. De produkten en diensten moeten hier cash betaald worden om alles af te handelen is ongeveer
  59. duizend HFL nodig, dit moet gestort worden in US $! De bank gegevens volgen hier onder!(Dit is dus incl. de transport, afhandeling, produkten enz.) Inmiddels ben ik ervan overtuigd dat alles van hieruit moet worden geregeld, dus ook uitklaren + vervoer, als daar anders over gedacht wordt hoor ik dat wel!. H. Groeten [betrokkene 13] ”
  60. Het proces-verbaal, behorende tot bijlage 14/T/1 (gevoegd bij het proces-verbaal nr 1/1994 van de regiopolitie Rotterdam-Rijnmond), opgemaakt door [verbalisant 7] . Het houdt onder meer in -zakelijk weergegeven-: als weergave van een door hem uitgeluisterd telefoongesprek, gevoerd op 19 maart 1993 tussen [betrokkene 13] (J) en [betrokkene 8] (L) via telefoonnummer [telefoonnummer 1] ( […] ): [betrokkene 13] belt [betrokkene 8] . J. Eh...ja ja.. L. Verder alles goed? J. Hier gaat verder alles goed. Trouwens hoe eerder hoe beter. Het kost toch minimaal twee dagen, want maandag en dinsdag is hier een feestdag, dan eh..he...daarom moet ik dat ding hebben, anders kom ik er niet doorheen, dan verspeel ik zomaar 5 werkdagen...Voor ons dan.. L. Ja morgen is er een vlucht..een rechtstreekse... J. Wij gaan in ieder geval beginnen eh...als ik dat ding vandaag heb, dan ga ik gelijk beginnen. Ik denk dat ik drie dagen ben voorgewerkt ongeveer als ik die order, die goederen kan nemen. Als alles normaal verloopt, dan is eind volgende week alles klaar voor verscheping. Ik wil het zo gauw mogelijk weg hebben, want het duurt eigenlijk al veel te lang.
  61. Het ambtsedig proces-verbaal d.d. 24 mei 1994 (als bijlage 14/V2/2 gevoegd bij het proces-verbaal nr 1/1994 van de regiopolitie Rotterdam-Rijnmond), opgemaakt en ondertekend door [verbalisant 5] , brigadier-rechercheur van regiopolitie Rotterdam-Rijnmond, en een andere bevoegde opsporingsambtenaar. Het houdt onder meer in -zakelijk weergegeven-: als de op 24 mei 1994 tegenover de verbalisanten afgelegde verklaring van [betrokkene 8] : Ik weet nog dat de partij marihuana bestemd was voor het bedrijf [M] . Later heb ik van [betrokkene 13] een kaartje gehad waarop stond vermeld het adres van een bedrijf, genaamd [N] , gevestigd in Boekarest. Dit was een oud bedrijf van [betrokkene 13] en [betrokkene 15] . De marihuana zou in de loods van [C] in Zoetermeer worden opgeslagen. Op een bepaald moment was door [verdachte] een vrachtauto geregeld. [verdachte] vertelde mij dat de vrachtauto bestemd was voor [betrokkene 13] . Ik weet dat [betrokkene 2] en [verdachte] het kenteken regelden. [verdachte] en ik zijn [betrokkene 22] , toen zij uit Roemenië terugkwam, vanaf Schiphol op gaan halen. [betrokkene 14] was daar ook bij. Ik weet nog dat ik vaak contact had met [betrokkene 14] , die zich zeer ongerust maakte over de situatie in Roemenië. Ik deed alles wat [verdachte] aan mij vroeg. Ik bracht bijna dagelijks verslag uit aan [verdachte] . Evenzo deed ik veel voor [betrokkene 14] en [betrokkene 15] .
  62. Het proces-verbaal, behorende tot bijlage 14/T/1 (gevoegd bij het proces-verbaal nr 1/1994 van de regiopolitie Rotterdam- Rijnmond), opgemaakt door [verbalisant 5] . Het houdt onder meer in -zakelijk weergegeven-: als weergave van een door hem uitgeluisterd telefoongesprek, gevoerd op 20 juli 1993 tussen [betrokkene 12] en [O] B.V. via telefoonnummer [telefoonnummer 1] ( […] ): Debbie belt [O] . Opneemster zegt nogmaals dat er niemand is. Iedereen is afgelopen vrijdag met vakantie gegaan. Vervolgens neemt [verdachte] het gesprek over. [verdachte] zegt dat het over een rode vrachtauto gaat. Opneemster weet nergens van. [verdachte] zegt afgelopen zaterdag de truck te hebben gekocht en dat deze een dezer dagen zou worden opgehaald. [verdachte] zegt dat er 47000 voor is overgemaakt. De echtgenoot van opneemster neemt het gesprek over en zegt dat de auto bij […] in Oudenbosch op het terrein klaar staat.
  63. Het ambtsedig proces-verbaal d.d. 8 juli 1994 (als bijlage 14/V12/5 gevoegd bij het proces-verbaal nr 1/1994 van de regiopolitie Rotterdam-Rijnmond), opgemaakt en ondertekend door [verbalisant 4] , brigadier van regiopolitie Rotterdam-Rijnmond, en een andere bevoegde opsporingsambtenaar. Het houdt onder meer in -zakelijk weergegeven-: als de op 8 juli 1994 tegenover de verbalisanten afgelegde verklaring van [betrokkene 22] : [betrokkene 8] heb ik leren kennen door [verdachte] in de periode dat de zaak Parijs speelde. In de maand januari 1993 ben ik door bemiddeling van [verdachte] , die een bedrijf [B] BV had, aan werk geholpen. Begin april 1993 heb ik op het kantoor van [B] BV te Zwijndrecht via [betrokkene 8] een man leren kennen genaamd [betrokkene 13] . [betrokkene 13] had een Import- en Exportbedrijf, genaamd [N] in Roemenië. [betrokkene 13] stelde mij voor iets samen te gaan doen. [betrokkene 13] vertelde mij dat hij plannen had goederen, onder andere keramiek en kleinmeubelen, vanuit Roemenië naar Nederland te exporteren. Het kwam er op neer dat ik met een bedrijf in Nederland de ontvanger zou moeten worden van de door [betrokkene 13] geëxporteerde goederen. Ik had geen eigen geld. [betrokkene 13] vertelde mij dat er een mogelijkheid was om bij een privépersoon geld te lenen. Ik heb ook met [betrokkene 8] over de financiën gesproken. Ik had voor het opstarten van het bedrijf, volgens [betrokkene 13] en mij, ongeveer f 50.000,= nodig. [betrokkene 8] en ik kwamen tot de conclusie dat f 50.000,= te weinig was. [betrokkene 8] wilde mij met alles helpen en wilde mij adviseren. [betrokkene 8] stelde mij voor dat het beter was dat ik over meer geld zou beschikken. [betrokkene 8] zei tegen mij dat ze mij f 15.000,= wilden laten lenen. [betrokkene 8] vertelde mij dat die f 15.000,= wel "zwart" geleend kon worden. [betrokkene 8] vertelde mij dat het bedrag dat hij aan mij zou lenen eventueel gecompenseerd zou kunnen worden. Ik moest eerst zorgen dat het bedrijf ging draaien. [betrokkene 8] opperde toen de mogelijkheid, dat ze mijn bedrijf als tussenpersoon zouden gaan gebruiken voor de in- en export van goederen en dat ze daar fiscaal voordeel uit konden halen. In april 1993 kreeg ik van [betrokkene 8] op het kantoor [B] te Zwijndrecht te horen dat ik het bedrag van f 15.000,= kon halen bij [verdachte] . Ik ben naar de woning van [verdachte] aan de [e-straat] te [plaats] gegaan en daar heb ik f 15.000,= van [verdachte] ontvangen. Via [betrokkene 13] kwam ik in contact met [betrokkene 15] . Ik heb van [betrokkene 13] een telefoonnummer van [betrokkene 15] gekregen die ik kon bellen om mijn financiering rond te maken. Ik heb toen telefonisch contact opgenomen met [betrokkene 15] . Door [betrokkene 8] ben ik voor een bedrijf, een BV, verwezen naar een relatie van hem. In Amsterdam zijn de vereiste documenten opgemaakt, zodat ik eigenaar c.q. directeur werd van [C] Holding BV. Ik heb bij de overdracht van de BV f 5000,= betaald. Dit bedrag was afkomstig van het geleende bedrag van f 15.000,=. Ik had inmiddels een bedrijfsruimte gevonden op het adres [j-straat 1] te Zoetermeer. [betrokkene 8] adviseerde mij om het bedrijfspand te huren. Vervolgens ben ik naar het kantoortje in Zwijndrecht gereden en heb daar van [betrokkene 8] een bedrag van ongeveer f 30.000,= ontvangen. Het resterende een bedrag van f 20.000,= heb ik later van [betrokkene 13] , toen hij terug was in Nederland, ontvangen. Ik kreeg regelmatig van [betrokkene 8] adviezen. Ik hield contact met [betrokkene 13] . [betrokkene 8] en [verdachte] zijn beiden een keer op het bedrijf langs geweest, terwijl [betrokkene 13] regelmatig bij mij op het bedrijf kwam. [betrokkene 13] heeft ook aan mij verteld dat hij zaken deed in Nigeria. Ik kon met mijn bedrijf pas van start als de eerste goederen cq artikelen binnen waren. [betrokkene 13] had mij gezegd dat de eerste zending goederen in juni zou komen. In de periode juni/juli heeft [verdachte] mij in een gesprek gezegd dat hij met verschillende bedrijven bezig was om goederen te importeren, als dit doorgang zou hebben zou hij ook waarschijnlijk wat goederen via mijn bedrijf binnen laten komen. Hij zei tegen mij dat ik me daar geen zorgen over hoefde te maken omdat [betrokkene 8] alles zou regelen. Op die manier kon het door mij geleende geld gecompenseerd worden. In de maand juli 1993 heeft [betrokkene 13] samen met mij een rode vrachtauto bij [B] BV te Zwijndrecht opgehaald. In het kantoor was [betrokkene 8] aanwezig. In het kantoor zag ik dat [betrokkene 8] de papieren, het kentekenbewijs, aan [betrokkene 13] gaf. [betrokkene 13] en ik zijn samen in mijn auto naar het postkantoor gereden om de vrachtauto op zijn naam over te laten schrijven. Ik heb [betrokkene 13] mee terug genomen naar kantoor in Zwijndrecht waar hij later in de vrachtauto is weggereden. Van [betrokkene 13] had ik gehoord dat hij deze vrachtauto nodig had voor vervoer. Nadat [betrokkene 13] was teruggekeerd naar Roemenië bleef ik in Nederland wachten op de goederen die ik van [betrokkene 13] moest ontvangen. In de maand augustus 1993 ontving ik bericht dat [betrokkene 13] moeilijkheden had, deze gecompliceerd waren en hij niet door de telefoon kon praten. Ik ben op 20 augustus 1993 met het vliegtuig naar Roemenië gevlogen. Ik heb daar in Boekarest meermalen het kantoor van [N] bezocht om te kijken of [betrokkene 13] daar zou zijn. Aangezien ik hem niet meer gezien heb, ben ik teruggegaan naar Nederland. Terug in Nederland heb ik met [verdachte] en [betrokkene 8] gesproken over mijn reis naar Boekarest in Roemenië en over [betrokkene 13] die ik daar niet kon bereiken. Ik maakte mij ongerust. Op 25 augustus 1993 ben ik, samen met [betrokkene 15] , met het vliegtuig wederom naar Boekarest in Roemenië vertrokken. [betrokkene 15] ging op verzoek van [betrokkene 8] en [verdachte] mee, omdat ze daar in Roemenië zakelijke belangen hadden met [betrokkene 13] . Daar op het vliegveld werden wij door de politie aangehouden. Op het politiebureau hoorde ik dat [betrokkene 13] was aangehouden met ongeveer 1100 kilogram hennep. Daarna ben ik samen met [betrokkene 15] met het vliegtuig naar Nederland teruggevlogen. Nadat ik voor de tweede maal uit Roemenië was teruggekomen, ben ik door [verdachte] en [betrokkene 8] als het ware aan een tweede verhoor onderworpen. Ze wilden precies weten hoe het daar in Roemenië was gegaan, wat de politie mij gevraagd had en wat de politie mij gezegd had. Toen ik had geantwoord vroeg [betrokkene 8] aan mij, om hoeveel kilo het ging. Ik antwoordde toen 1100 kilo. Ik hoorde [verdachte] vervolgens vloeken en hij zei toen dat ze besodemieterd waren. Toen ik [verdachte] sprak zei hij tegen mij dat hij geweten had van dat "spul" en dat hij dit wel eens meer had gedaan maar dat het uitsluitend hashish en weed was. [verdachte] vertelde mij, dat je er goed geld mee kon verdienen. Ik zei dat ik een schuld had van f 65.000,=. [verdachte] zei dat hij het hele bedrag had gefinancierd, ook die ƒ 50.000,=. In feite had ik al die tijd voor hem gewerkt.
  64. Een geschrift (als bijlage 14/AH/12 gevoegd bij het proces-verbaal nr 1/1994 van de regiopolitie Rotterdam-Rijnmond), opgemaakt door [verbalisant 4] , brigadier-rechercheur van de regiopolitie Rotterdam-Rijnmond, en een andere bevoegde opsporingsambtenaar. Het houdt onder meer in -zakelijk weergegeven-: als de op 29 september 1994 tegenover de verbalisanten afgelegde verklaring van [betrokkene 13] (als bijlage 14/V13/2 gevoegd bij dit geschrift): Ik heb zelf aandelen in twee Roemeense bedrijven, te weten [N] 93 SRL en [M] SRL, beide gevestigd in Boekarest. Ik ben via [betrokkene 14] met [verdachte] en [betrokkene 8] in contact gekomen. Ik hoorde van [betrokkene 8] dat hij in bepaalde zaken geen beslissingen kon nemen, dat hij daarover met zijn baas/investeerder moest spreken. Dit bleek [verdachte] te zijn. De reden van dit contact was dat [betrokkene 14] en [betrokkene 15] met mijn medewerking een import en export lijn wilden gaan exploiteren met Roemenië. Tijdens deze voorbereidingen bleek mij, dat er wat financiële problemen waren bij hen. Dat heeft er toen toe geleid dat ze een afspraak wilden aangaan met de heer [betrokkene 8] en in een later stadium toen bleek dat het om vrij veel geld ging, met [verdachte] . Er werd gesproken over de import en export naar Roemenië. In Nigeria heb ik mij beziggehouden met het leggen van handelscontacten voor aankoop van produkten als rijst, maïs en cacao. Deze zaken hielden verband met zaken die ik in principe met de heer [betrokkene 8] heb besproken en mogelijk deels met de heer [verdachte] . De contactman voor mij was eigenlijk de heer [betrokkene 8] . Voor de afhandeling van de zaken had ik 270 duizend gulden nodig. Dit geld is mij contant in Nederland verstrekt. Ik kreeg het geld van [verdachte] in zijn woning aan de [e-straat] te Rotterdam. [betrokkene 22] had een bedrijf in Nederland en zou een Nederlandse zakenpartner worden van ons bedrijf [N] . Er is in een bespreking met [verdachte] , [betrokkene 8] , [betrokkene 15] en [betrokkene 14] naar voren gekomen dat zij een aantal geïnteresseerde hadden in meubels en keramiek. Hierdoor en om die reden ben ik in contact gekomen met [betrokkene 22] . De bedoeling van de vrachtauto was om gebruikt te worden voor transport in Roemenië.
  65. Het ambtsedig proces-verbaal d.d. 23 augustus 1994 (als bijlage 14/V17/1 gevoegd bij het proces-verbaal nr. 1/1994 van de regiopolitie Rotterdam-Rijnmond), opgemaakt en ondertekend door [verbalisant 4] , hoofdagent-rechercheur van regiopolitie Rotterdam-Rijnmond, en een andere bevoegde opsporingsambtenaar. Het houdt onder meer in -zakelijk weergegeven-: als de op 23 augustus 1994 tegenover de verbalisanten afgelegde verklaring van [betrokkene 14] : In de periode 1992/1993 werkte ik voor een vriend van mij, [betrokkene 15] . [betrokkene 15] had een aantal bedrijfjes, waaronder [F] . Ik werkte voor dit bedrijf. [F] had ook nog een vestiging in België, geleid door [betrokkene 44] . In die tijd ontmoette ik een oude vriend van mij, genaamd [betrokkene 13] . Tijdens het gesprek ontstond het idee dat [betrokkene 13] een import- en exportfirma in Roemenië zou beginnen. Ik zou dan samen met [betrokkene 15] goederen naar [betrokkene 13] exporteren. Ik ben zo’n 10 à 15 jaar bevriend met [verdachte] . Ik wist dat [verdachte] in zaken zat. Omdat ik geen lening bij een bank kon krijgen, ben ik naar [verdachte] toegegaan en heb hem de zaak uitgelegd. Ik vroeg hem of hij interesse had om deze import en exportfirma naar Roemenië te financieren. [verdachte] had wel interesse. Ik heb een paar maal met [verdachte] en [betrokkene 8] hierover gesproken. Bij een aantal van die gesprekken waren [betrokkene 15] en [betrokkene 13] ook aanwezig. [betrokkene 8] kende ik daarvoor niet maar hij is door [verdachte] aan mij voorgesteld. [verdachte] zei daarbij dat [betrokkene 8] de zaken voor hem boekhoudkundig bijhield. [betrokkene 8] is op een keer zelfs met [betrokkene 13] meegegaan naar Roemenië. [verdachte] heeft vervolgens aan [betrokkene 13] geld gegeven om de firma in Roemenië te beginnen. Vervolgens is [betrokkene 13] naar Roemenië gegaan om de zaak te beginnen.
  66. Het ambtsedig proces-verbaal d.d. 18 mei 11994 (als bijlage 14/V25/1 gevoegd bij het proces-verbaal nr. 1/1994 van de regiopolitie Rotterdam-Rijnmond), opgemaakt en ondertekend door [verbalisant 5] , hoofdagent-rechercheur van regiopolitie Rotterdam-Rijnmond, en een ander bevoegde opsporingsambtenaar. Het houdt onder meer in -zakelijk weergegeven-: als de op 18 mei 1994 tegenover de verbalisanten afgelegde verklaring van [betrokkene 45] : In december 1992 trad ik in dienst bij [B] . Ik moet U zeggen dat [B] eigendom is van [verdachte] . Niet veel later na terugkomst van [betrokkene 8] uit Roemenië vonden er besprekingen plaats met betrekking tot handelsaktiviteiten met Roemenië. Bij deze besprekingen waren aanwezig [verdachte] , [betrokkene 8] , [betrokkene 14] en [betrokkene 13] en nog een aantal personen. Ik weet dat [betrokkene 22] in opdracht naar Roemenië is vertrokken om [betrokkene 13] op te sporen. [betrokkene 8] heeft mij altijd voorgehouden dat [betrokkene 13] er met geld van [verdachte] vandoor was gegaan.
  67. Het ambtsedig proces-verbaal d.d. 7 september 1994 (als bijlage 14/G56/1 gevoegd bij het proces-verbaal nr 1/1994 van de regiopolitie Rotterdam-Rijnmond), opgemaakt en ondertekend door [verbalisant 4] , brigadier-rechercheur van regiopolitie Rotterdam-Rijnmond, en een andere bevoegde opsporingsambtenaar. Het houdt onder meer in -zakelijk weergegeven-: als de op 7 september 1994 tegenover de verbalisanten afgelegde verklaring van [betrokkene 46] : Ik ben de ex-echtgenote van [betrokkene 13] . [betrokkene 13] vertelde mij dat [betrokkene 15] en [betrokkene 14] een bedrijf in Roemenië hadden. [betrokkene 13] vertelde mij dat hij ging werken voor het bedrijf [F] ; direkteur van het bedrijf was [betrokkene 15] en [betrokkene 14] was de financiële man. Op 13 januari 1993 is [betrokkene 13] met zijn auto naar Roemenië vertrokken en hij kwam terug op 22 januari
  68. Tijdens zijn verblijf thuis had [betrokkene 13] meerdere zakelijke ontmoetingen en besprekingen met [betrokkene 14] en [betrokkene 15] . Daarna is hij van 1 februari 1993 tot en met 13 februari 1993 en van 22 februari 1993 tot en met 5 maart 1993 in Roemenië geweest. Na één van zijn reizen uit Roemenië vertelde [betrokkene 13] verhalen over zijn “baas” die heel veel geld in Nigeria uit had staan. Op 10 maart 1993 ging [betrokkene 13] naar Nigeria. Op 2 april is [betrokkene 13] uit Nigeria thuis gekomen. Na deze reis uit Nigeria bleef [betrokkene 13] drie dagen thuis en is hij vervolgens op 6 april 1993 voor vier dagen naar Roemenië gegaan. Op 9 april is hij thuis gekomen en hij heeft toen zijn baas gesproken, die hem vertelde dat hij weer voor een week naar Nigeria moest gaan. Op 14 april is [betrokkene 13] naar Nigeria vertrokken. [betrokkene 13] kwam op 7 mei 1993 thuis. Op 15 mei 1993 had hij een afspraak met een bevriende relatie van [betrokkene 14] ; hij vertelde dat dit een direkteur was van een houthandel. [betrokkene 13] en deze direkteur hadden zitten praten over het overnemen van een houtzagerij in Roemenië. Deze man had [betrokkene 13] verteld dat [betrokkene 15] en [betrokkene 14] in grote financiële probleem zaten. Als [betrokkene 13] hierdoor ontslag zou krijgen en op straat zou komen te staan, kon hij bij deze man in dienst komen om zijn werk in Roemenië voort te zetten. [betrokkene 13] ging op 17 mei 1993 voor veertien dagen terug naar Roemenië. Op 11 juni 1993 kwam [betrokkene 13] weer naar huis. [betrokkene 13] is van 15 juni 1993 tot en met 21 juni 1993 weer naar Roemenië gegaan. Op 27 juni 1993 ging [betrokkene 13] terug naar Roemenië en zou uiterlijk 6 juli terug komen voor onze vakantie. Op 6 juli 1993 ontving ik een fax van [betrokkene 13] uit Roemenië. [betrokkene 13] deelde daarin mede dat indien hij weg zou gaan alles in het honderd zou lopen en dat zijn baas, die miljoenen heeft geïnvesteerd, hem dat niet in dank zou afnemen. In augustus 11993 werd ik gebeld door [betrokkene 14] die mij vroeg of ik wat van [betrokkene 13] vernomen had. [betrokkene 14] had niets meer van [betrokkene 13] vernomen en vertelde mij dat een grote transactie niet was doorgegaan en dat ze veel geld hadden verloren. Toen ik vroeg hoeveel, zei [betrokkene 14] dat het om tonnen ging. In september 1993 hoorde ik dat [betrokkene 13] in Roemenië was aangehouden in verband met een drugsvangst. [betrokkene 13] vertelde dat ze in Roemenië zaken deden in onder andere maïs en rijst.
  69. Het ambtsedig proces-verbaal d.d. 26 augustus 11994 (als bijlage 14/G59?1 gevoegd bij het proces-verbaal nr 1/1994 van de regiopolitie Rotterdam-Rijnmond), opgemaakt en ondertekend door [verbalisant 4] , brigadier-rechercheur van regiopolitie Rotterdam-Rijnmond, en een andere bevoegde opsporingsambtenaar. Het houdt onder meer in -zakelijk weergegeven-: als de op 26 augustus 1994 tegenover de verbalisanten afgelegde verklaring van [betrokkene 47] : In juli 1993 ben ik gebeld door Randstand Uitzendbureau. Ik ben vervolgens naar een vrachtauto die men nodig had voor Roemenië gaan kijken. [betrokkene 13] vertelde mij wat de bedoeling was en gaf mij een kaartje van zijn firma in Roemenië waar de wagen heen moest. Het betrof de firma [N] , […] in Boekarest. Hij gaf mij het kentekenbewijs en het verzekeringsbewijs. Ik ben die nacht vertrokken en naar Boekarest gereden. [betrokkene 13] heeft daar de auto opgehaald.
  70. Een geschrift, zijnde een proces-verbaal d.d. 22 juni 1993, nr 10686 (als bijlage 14/AH/2 gevoegd bij het proces-verbaal nr 1/1994 van de regiopolitie Rotterdam-Rijnmond), opgemaakt en ondertekend door [verbalisant 8] , eerstaanwezend gerechtelijk agent-inspecteur, officier van gerechtelijk politie, hulpofficier van de Heer Procureur des [betrokkene 14] te Antwerpen. Het houdt onder meer in -zakelijk weergegeven-: als relaas van de verbalisant: Op 7 juni 1993 ga ik samen met collega [verbalisant 9] op de terreinen van de kantoren van de diensten der Douane en Accijnzen te Antwerpen. Aldaar treffen wij [verbalisant 10] , [verbalisant 5] , [verbalisant 4] , [verbalisant 11] en [verbalisant 12] , alleen uitvoerder van de huidige ambtelijke opdracht en gehecht aan het ‘Laundry-team’, van de gemeentepolitie Rotterdam/Nederland. Op 7 juni 1993 gaan wij op de terreinen, 730 DD/Hessenatie, over tot opening van de containers […] en MERU801302/2, waarvan de seals tot dusver intakt waren gebleven. Beide containers blijken te zijn geladen met zakken, inhoudende maïs. De containers betreffen 20-voet containers. Wij gaan over tot controle van container […] , waarbij wij de ingestapelde zakken ontladen. Ongeveer in het midden van de lading maiszakken bemerken wij een aantal zakken welke van uitzicht en zoals achteraf blijkt in gewicht opmerkelijk verschillend zijn. Wij kunnen vaststellen dat betreffende zakken, elk op hun beurt, een aantal pakken inhouden. Een dergelijk pak heeft een gewicht van om en nabij twee kilogram. De zak houdt vijftien dergelijke pakken in. Wij openen een willekeurig pak, waartoe wij de plastic kleefstrip opensnijden, en kunnen vaststellen dat de inhoud een grasachtige substantie bevat welke ons voorkomt als cannabis sativa in marihuanavorm. Uit de volledige lading van container […] kunnen wij vijfendertig zakken recupereren welke pakken inhouden. Op basis van een gemiddeld gewicht van twee kilogram per pak, inhoudende marihuana, kunnen wij besluiten dat het brutogewicht van de verdovingsmiddelen te situeren valt om en nabij 1.050 kilogram. Na controle worden de zakken maïs, alsmede de zakken waarin verdovingsmiddelen, herladen in de respectieve container, dit werd overhandigd aan de leden van het Laundry team. De beide containers worden door de diensten der Douane en Accijnzen te Antwerpen geblokkeerd op de terreinen 730 DD, in afwachting van verdere verplaatsing, zoals voorzien, naar 736 DD met het oog op transport naar Roemenië. Op 21 juni 1993 worden beide containers opgehaald en aan boord geplaatst van het m.s. [P] , varende onder Roemeense vlag.
  71. Het ambtsedig proces-verbaal d.d. 13 oktober 1994 (als bijlage 14/AH/13 gevoegd bij het proces-verbaal nr 1/1994 van de regiopolitie Rotterdam-Rijnmond), opgemaakt en ondertekend door [verbalisant 10] , brigadier-rechercheur van regiopolitie Rotterdam-Rijnmond. Het houdt onder meer in -zakelijk weergegeven-: als relaas van de verbalisant: Op 7 juni 1993 ben ik, verbalisant [verbalisant 10] , in het kader van een rogatoir commissie van de officier van justitie te Rotterdam afgereisd naar Antwerpen (België). In het kader van deze Rogatoire Commissie werd aldaar door de Belgische politie, met medewerking van de douane, een onderzoek ingesteld naar de aanwezigheid van hennep in een tweetal in de haven van Antwerpen aangevoerde containers. Dit betroffen containers voorzien van de nummers […] en […] , afkomstig uit Nigeria en bestemd voor Roemenië. In de container met nummer […] werd een hoeveelheid hennep aangetroffen. Vanuit deze hoeveelheid hennep werd een monster genomen. Dit monster werd aan mij, verbalisant, ten behoeve van het onderzoek overhandigd, waarna ik het op 7 juni 1993 ter plaatse in beslag nam. Het monster werd gemerkt 232/92, 1A en werd voor nader onderzoek aangeboden aan personeel van het Gerechtelijk Laboratorium van het Ministerie van Justitie te Rijswijk. Dit met het verzoek om de aanwezigheid vast te stellen van middelen welke vallen onder de bepalingen van de Opiumwet.
  72. Het ambtsedig rapport d.d. 8 juli 1993, zaaknummer 93.06.24.024 (als bijlage 14/AH/4 gevoegd bij het proces-verbaal nr 1/1994 van de Regiopolitie Rotterdam-Rijnmond), van het Gerechtelijk Laboratorium. Dit rapport is opgemaakt door de deskundige dr. H. Huizer en houdt als relaas van deze deskundige onder meer in -zakelijk weergegeven-: Verdachte(n): NN Aanvrage van: Gemeentepolitie Rotterdam-Rijnmond Kenmerk: 232/1993 ONTVANGST MATERIAAL Op 24 juni 1993 werden onderzoekaanvrage en materiaal ontvangen van de gemeentepolitie Rotterdam-Rijnmond. VRAAGSTELLING Verzocht werd om een onderzoek in te stellen naar de aanwezigheid van middelen, welke vallen onder de bepalingen van de Opiumwet. ONDERZOEKSMETHODEN Naast een beoordeling van de uiterlijke kenmerken van het materiaal werd bij het onderzoek gebruik gemaakt van de volgende methoden: Voor hennep, hashish en/of hashisholie: microscopie en plaatchromatografie TABELLARISCHE WEERGAVE MATERIAAL EN ONDERZOEKSRESULTAAT Kenmerk/volgnr. Omschrijving Resultaat 232/93 een monster donkergroen is hennep 1A plantenmateriaal VERMELDING VAN HET MIDDEL IN DE OPIUMWET Hennep is vermeld op lijst II, behorende bij de Opiumwet.
  73. Het proces-verbaal, behorende tot bijlage 14/T/1 (gevoegd bij het proces-verbaal nr 1/1994 van de regiopolitie Rotterdam-Rijnmond), opgemaakt door [verbalisant 13] . Het houdt onder meer in -zakelijk weergegeven-: als weeragave van een door hem uitgeluisterd telefoongesprek, gevoerd op 7 juni 1993 tussen [betrokkene 22] en [betrokkene 8] via telefoonnummer [telefoonnummer 2] : [betrokkene 22] belt met [betrokkene 8] … L: ja, heb ik toevallig vanmorgen die kant contact gehad…eh het spul ligt voor de kant…de boot hmm dus eh eind van deze week heb je het in de winkelrek liggen en dan eh ja… dan moeten we nog een week rekenen dus. Y: ja, nou dat komt goed uit dan joh. L: ja, dit komt absoluut goed af.
  74. Een geschrift, zijnde een faxbericht, d.d. 9 mei (het hof leest: juni) 1993, gericht aan “ [betrokkene 8] ” van “ [betrokkene 13] ” (als bijlage 14/T/23 gevoegd bij het proces-verbaal nr 1/1994 van de regiopolitie Rotterdam-Rijnmond). Het houdt onder meer in -zakelijk weergegeven-: “To: Zwijndrecht (…) Faxnr: […] Att.: mr. [betrokkene 8] Date: 9-05-’93 (het hof leest: 09-06-’93) From: [betrokkene 13] Beste [betrokkene 8] , Geloof het of niet, maar het volgende is gebeurd cq gaande: Van de verschepingscompagny kreeg ik bericht dat het schip aangekomen was. Nu blijkt dat het schip is aangekomen in een “transito” haven! Zonder dat ik dit wist! De afspraak was: een direkte lijn! Ik heb “daar” betaald voor direkte verscheping, voor ik wegging was het schip geladen! Nu hoor ik dat ook het vertrek van het schip ruim een week was vertraagd. Dit alles is gebeurd na de verlading! De verschepingsmaatschappij heeft nu gemeld dat de verwachte doorverscheping plaatsvindt op 14-06-’93 en dat de verwachte aankomst is gepland op 29-06-‘93 Het spijt me, maar dit is overmacht. Ik ben hier klaar voor alles. Ik heb veel tijd besteed hier om alles te regelen en voor te bereiden. Sinds weken ben ik meer dan klaar en wacht op het schip. Nu kan ik hier in feite niets meer doen tot de aankomst. Hartelijke groeten [betrokkene 13] ”
  75. Een geschrift, zijnde een faxbericht d.d. 2 juli 1993, gericht aan “ [betrokkene 8] ” van “ [betrokkene 13] ”(als bijlage 14/T/27 gevoegd bij het proces-verbaal nr 1/1994 van de regiopolitie Rotterdam-Rijnmond). Het houdt onder meer in -zakelijk weergegeven-: “(…) (waarschijnlijk [N] 93 SRL) […] tel: […] fax: […] To: [betrokkene 8] fax: […] From: [N] ’93 SRL/ [betrokkene 13] Date: 02.07.1993 “Beste [betrokkene 8] , Ik heb je fax ontvangen, en je hebt het helaas goed begrepen! Nu is het schip onderweg, verwachte uiterlijke aankomst 10/
  76. Na binnenkomst heb ik ± 4 dagen nodig om in te klaren. Ik krijg langzamerhand wel problemen met leveranciers hier, ik weet echt niet of ik ze lang genoeg kan rustig houden. Wat betreft “vervolg”: als ik alles organiseer met mijn contacten, en niet met de eigenheimers waar ik nu mee opgezadeld werd, vertrouw ik op een goede betrouwbare “Programmering”! Ik stuur je binnen 24 uur nog 1 of 2 faxen met een “schema” hoe alles verloopt of verlopen kan! (2 mogelijkheden met wat uitleg zal ik je sturen) [betrokkene 13] ”
  77. Het ambtsedig proces-verbaal d.d. 11 oktober 1993 (als bijlage 14/AH/3 gevoegd bij het proces-verbaal nr 1/1994 van de regiopolitie Rotterdam-Rijnmond), opgemaakt en ondertekend door [verbalisant 10] , hoofdagent-rechercheur van gemeentepolitie te Rotterdam. Het houdt onder meer in -zakelijk weergegeven-: als relaas van de verbalisant met betrekking tot de bevindingen van verbalisanten wier identiteit niet blijkt: Op 7 juli 1993 arriveert in de haven van Constanza het M.S. [P] met aan boord de containers voorzien van de nummers […] en […] . Deze containers worden aldaar gelost en blijven op het haventerrein. Geconstateerd wordt dat de originele verzegeling intact was. Op 29 juli 1993 wordt via Hongarije vernomen dat de truck voorzien van het kenteken [kenteken 8] met als chauffeur ene [betrokkene 33] de grens Oostenrijk-Hongarije heeft gepasseerd. Op 6 augustus 1993 wordt [betrokkene 13] gesignaleerd in de [k-straat] te Boekarest (Roemenië). [betrokkene 13] is aldaar met zijn personenauto gekentekend [kenteken 9] . In de […] te Boekarest wordt de vrachtauto voorzien van het kenteken [kenteken 8] , geparkeerd aangetroffen. Op 12 augustus 1993 is de container met nummer […] per truck vervoerd van de haven van Constanza naar Boekarest. De truck met container wordt geparkeerd in de omgeving van het bedrijf [N] 93 S.R.L., zijnde de ontvanger van de goederen en het bedrijf van [betrokkene 13] . Op [geboortedatum] 1993 is de 2e container, met nummer […] eveneens in Boekarest gearriveerd. Tevens wordt aldaar, in de omgeving van [N] 93 S.R.L., waargenomen de vrachtauto voorzien van het kenteken [kenteken 8] . Op 18 augustus 1993 worden de 2 trucks met containers en de truck voorzien van het kenteken [kenteken 8] waargenomen in de straat waar [N] 93 S.R.L. is gevestigd. Zij staan daar geparkeerd. Later wordt de truck met container […] teruggereden naar Constanza. De truck met container […] wordt weggehaald en elders in Boekarest geparkeerd. Op 19 augustus 1993 wordt ook de truck met container […] teruggereden richting Constanza. Volgens de Roemeense politie zou een der chauffeurs verklaard hebben dat de containers met maïs naar Nigeria zouden worden teruggestuurd, omdat de maïs van slechte kwaliteit zou zijn. Opgemerkt wordt dat men de kwaliteit van de maïs niet heeft kunnen beoordelen, omdat beide containers ongeopend retour gezonden werden. Beide containers werden inbeslaggenomen. In container met nummer […] werd een bruto hoeveelheid van 1168 kilogram marihuana aangetroffen. Er werden diverse personen aangehouden onder wie een man genaamd [betrokkene 13] .
  78. Een geschrift, zijnde faxbericht d.d. 17 augustus 1993, gericht aan “ [betrokkene 22] , [betrokkene 8] ” van “ [betrokkene 13] ”(als bijlage 14/T/43 gevoegd bij het proces-verbaal nr 1/1994 van de regiopolitie Rotterdam-Rijnmond). Het houdt onder meer in -zakelijk weergegeven-: “Beste [betrokkene 22] , [betrokkene 8] , Ik kan niet vrij bellen! Er is géén vrije lijn. Er is iets gebeurd buiten ons gezichtsveld, we worden continue gevolgd! Wat er precies is (gebeurd) weet ik (nog) niet, maar het zit niet goed! Ik kan er nu niet over bellen ook! Wat er precies gaat gebeuren weet ik ook niet; Laat me ± 2 weken met rust ( [betrokkene 8] ); Stuur alleen (of bel alleen) over zaken, [betrokkene 22] . Misschien moet je de deal afblazen omdat het “te duur” is! Groeten [betrokkene 13] ”
  79. Het proces-verbaal, behorende tot bijlage 14/T/1 (gevoegd bij het proces-verbaal nr 1/1994 van de regiopolitie Rottedam-Rijnmond), opgemaakt door [verbalisant 6] . Het houdt onder meer in -zakelijk weergegeven-: als weergave van een door hem uitgeluisterd telefoongesprek, gevoerd op 12 november 1993 tussen [betrokkene 22] (Y) en [betrokkene 48] (Ma) via telefoonnummer [telefoonnummer 3] : [betrokkene 22] belt moeder. Ze heeft ruzie gemaakt met [verdachte] . Ze heeft klappen gekregen van [verdachte] waardoor ze een bloedneus kreeg. [betrokkene 8] was er bij en [betrokkene 2] en [betrokkene 4] . [betrokkene 22] krijgt geen centen van [verdachte] . [betrokkene 22] heeft een auto gekregen van [verdachte] . [betrokkene 22] zegt dat er dan toch een gat zit van f 17.000,=. [betrokkene 22] heeft daarin de advokatenkosten meegerekend. [betrokkene 22] moest direkt de auto teruggeven. [verdachte] heeft gezegd dat [betrokkene 22] geen cent krijgt en dat ze de B.V. in haar reet kon steken. [verdachte] heeft er f 60.000,= voor kunnen vangen. [verdachte] heeft borg gestaan voor een financiering van [betrokkene 22] . [betrokkene 22] heeft tegen [verdachte] gezegd dat ze twee keer haar kont heeft geriskeerd en dat ze dan toch aan kant wordt geschoven.
  80. Het proces-verbaal, d.d. 15 september 1994, nr 2265/5 (als bijlage 02-1/G73/1 gevoegd bij proces-verbaal nr 1/1994 van regiopolitie Rotterdam-Rijnmond), van de gerechtelijke politie bij het Parket van de Procureur des [betrokkene 14] van het arrondissement Gent, opgemaakt en ondertekend door [verbalisant 14] , gerechtelijk officier, hulpofficier van de Procureur des [betrokkene 14] te Gent, bijgestaan door andere bevoegde opsporingsambtenaren. Het houdt onder meer in -zakelijk weergegeven-: als de op 15 september 1994 tegenover de verbalisant afgelegde verklaring van [betrokkene 18] : Ik ben belastingadviseur. Ik bezit veel klanten in Nederland waaronder de besloten vennootschap [B] . Voorzover ik mij nog kan herinneren zijn de volgende personen betrokken bij [B] : - [betrokkene 8] , hij behandelde in ieder geval de financiële zaken; - [betrokkene 17] , consulent te Luxemburg; - [betrokkene 9] , advocaat kantoor houdende te Dordrecht, voorheen te Rotterdam; - [verdachte] , zigeunertype, ik had de indruk dat [betrokkene 8] werkte voor hem; - [betrokkene 10] , was de accountant van het bedrijf. Ik ben met het bedrijf [B] B.V. in kontakt gekomen via de advocaat [betrokkene 9] . Ik werd aangezocht om een financieringspartner te zoeken. Hierop heb ik kontakt gezocht met [betrokkene 17] te Luxemburg. De heer [betrokkene 17] stelde voor een Amerikaans bedrijf aan te spreken die de fondsen ter beschikking zou stellen via de Luxemburgse holding [E] S.A. Verder was het de bedoeling dat het bedrijf in Nederland, [B] B.V., haar kapitaal zou uitbreiden waarbij [E] SA. de aandelen zou volstorten. Tevens zou deze vennootschap een lening verstrekken aan [B] . De holding [E] S.A. lag bij de heer [betrokkene 17] op de plank waarmee ik bedoel, dat ze niet echt actief was. Op uw vraag hoe [E] in staat was om het gevraagde geld voor de financieringskonstruktie voor mijn cliënt in Nederland te financieren, kan ik u zeggen dat er iets speelde omtrent een kapitaalverhoging van [E] . Gelijktijdig met de kapitaalverhoging van [E] heeft de groep mensen die ik zojuist noemde in relatie tot [B] B.V. een kapitaalinjectie gedaan in [E] . Overigens merk ik op dat dit ook in dezelfde periode speelde dat het aandelenkapitaal van [B] B.V. werd verhoogd. Met betrekking tot de door mij zojuist genoemde geldinjectie in [E] SA kan ik u verklaren dat op een bepaalde datum er een bespreking heeft plaatsgevonden op het kantoor van de heer [betrokkene 17] te Luxemburg Stad. Hierbij zijn aanwezig geweest [betrokkene 8] , de echtgenote van [verdachte] , ikzelf alsmede een man met grijs achterover gekamd haar, met een vrij grote gestalte van wie ik de naam echter niet ken. De man die ik zojuist aanhaalde had de fondsen bij zich voor de geldinjectie in [E] . Ik had van mijn leven nog nooit zoveel geld bij elkaar gezien. Tijdens deze bespreking ontstond bij mij het vermoeden dat hier iets vreemds aan de gang was, immers enerzijds vroeg de club van [betrokkene 8] mij om financiering van het bedrijf in Nederland en anderzijds kwamen [betrokkene 8] en [betrokkene 50] met een man aan die zijn zakken vol gepropt had met geld. Het is juist dat ik bij het storten van het bedrag van 1.250.000 Nederlandse gulden aanwezig ben geweest. Op zijn kantoor had [betrokkene 17] mij gevraagd naar de ABN bank te gaan samen met [betrokkene 50] , [betrokkene 8] en de chauffeur van [betrokkene 50] . Tevens ging een assistent mee van [betrokkene 17] , naar ik meen [betrokkene 49] . De storting diende voor de kapitaalverhoging van [E] . Binnen in de bank ontstond er een discussie nopens de herkomst der gelden. De bank wilde aanvankelijk het geld niet accepteren zonder opgave van de herkomst. Daarop heeft [betrokkene 8] tegen [betrokkene 50] gezegd dat zij moest tekenen voor het geld ter bevestiging dat alles van haar afkomstig was. Zij tekende het document bij de bank. [betrokkene 50] heeft meermalen bevestigd dat het haar geld was. Door de bankdirecteur werd de transactie geweigerd, waarna de bankbediende dit mededeelde aan [betrokkene 50] en [betrokkene 8] . Vervolgens verzocht [betrokkene 8] de bankbediende [betrokkene 17] op te bellen omtrent de weigering. Hierop vond er een telefoongesprek plaats tussen de bankdirecteur en [betrokkene 17] waarna de transactie alsnog plaatsvond. Enkele dagen later heeft [betrokkene 17] mij opgebeld met de mededeling dat de ABN-Bank te Luxemburg alsnog de storting van 1.250.000,= gulden geweigerd had. De heer [betrokkene 17] heeft mij in datzelfde telefoongesprek medegedeeld dat hij het geld bij de ABN-Bank zou opnemen en op een andere bank zou storten. Het is mogelijk dat hij mij gesproken heeft over de BFG Bank. [betrokkene 17] heeft mij gezegd dat hij ook telefonisch met [betrokkene 8] heeft besproken en hiertegen heb ik geen bezwaren geuit. Ik geef toe dat de namen van [betrokkene 8] en [verdachte] bij de kapitaalverhoging van [E] zijn afgedekt door de naam van een buitenlandse maatschappij. Indien in de akte van de kapitaalverhoging de naam [Q] Ltd. Is vermeld dan is deze naam gebruikt in plaats van de hier zojuist aangehaalde namen van [betrokkene 8] en [verdachte] . Ik wil toegeven dat [Q] Ltd een papieren vennootschap is. [E] is gebruikt om geld afkomstig van de groep waartoe [betrokkene 8] en [verdachte] behoren via Luxemburg wit te wassen. Ik wist dat op de voornoemde dag waarop de kapitaalverhoging van [E] plaatsgreep en de bankstorting bij de ABN-Bank in Luxemburg. Voor mijn bemoeienis met de constructie [E] heb ik middels mijn bedrijf [H] nota’s aan [B] B.V. verzonden. Per saldo is er door de mensen van de groep [betrokkene 8] / [verdachte] 1.700.000 gulden gestort. Voor de zogenaamde kapitaaldeelname van [E] in [B] B.V. is 1.600.000 gulden naar Nederland teruggevloeid en bleef er 100.000 gulden achter in Luxemburg. Het is juist dat achteraf een correspondentie is opgezet om de relatie tussen [E] en [B] B.V. geloofwaardiger te maken. Wat betreft de brieven van [B] B.V. kreeg ik de teksten van [betrokkene 8] die ik na vertaling aan [betrokkene 17] doorstuurde. [betrokkene 17] op zijn beurt stuurde de antwoorden op deze brieven rechtstreeks naar [B] B>V. S Samenvattend geef ik toe dat er brieven zijn opgemaakt van [B] naar [E] , waarop werd geantidateerd.
  81. Het proces-verbaal, d.d. 16 september 1994, nr 2265/6 (als bijlage 02-1/G73/2 gevoegd bij proces-verbaal nr 1/1994 van regiopolitie Rotterdam-Rijnmond), van de gerechtelijke politie bij het Parket van de Procureur des [betrokkene 14] van het arrondissement Gent, opgemaakt en ondertekend door [verbalisant 14] , gerechtelijk officier, hulpofficier van de Procureur des [betrokkene 14] te Gent. Het houdt onder meer in -zakelijk weergegeven-: als de op 16 september 1994 tegenover de verbalisant afgelegde verklaring van [betrokkene 18] : Gisterenmiddag is de gefingeerde kapitaaldeelname van [E] in [B] B.V. genoemd alsook de zogenaamde lening van [E] aan [B] B.V. Eenmaal is sprake geweest van een bedrag, groot 400.000 gulden, hetgeen u kunt zien in de brief die [betrokkene 8] op 7 juni 1991 aan mij faxte. Gezien zijn brief heeft [betrokkene 8] op 3 april 1991, 400.000 gulden geboekt als voorschot op de zogenaamde lening van [E] . Ik moet u zeggen dat ik er zeker van ben dat [betrokkene 8] dit bedrag niet van [betrokkene 17] heeft gekregen. Blijkbaar moest hij dit geld kwijt omdat hij controle van zijn boeken verwachtte op 18 juni
  82. Daarbij kan nog opgemerkt worden dat de geldleningovereenkomst met [E] pas op 30 april 1991 is getekend. In het jaar 1990 heb ik telefonisch kontakt gehad met een advocaat in Nederland, genaamd [betrokkene 9] . [betrokkene 9] vroeg mij een bespreking bij te wonen met betrekking tot één van zijn cliënten. Bij deze vergadering ontmoette ik [betrokkene 8] , [verdachte] en [betrokkene 10] en [betrokkene 9] . [verdachte] heeft in feite helemaal niets gezegd, hij luisterde alleen maar. [betrokkene 8] voerde het woord namens hem. Het doel van de vergadering was een financieringsmogelijkheid te creëren voor het bedrijf [B] B.V. Mijn taak was te zorgen voor een constructie waarbij het geld in de Nederlandse B.V. werd gekanaliseerd zonder dat de naam van de financier bekend zou worden. Ik heb uitgelegd welke route het geld moest krijgen via een vennootschap in Luxemburg. Met mijn uitleg is men akkoord gegaan en in grote lijnen is de constructie ook zo uitgevoerd. Later is mij gebleken, met name bij de storting van het geld in Luxemburg dat de gelden hun eigen geld betrof. Ik herinner mij nog wel een tweede bespreking op het kantoor van [betrokkene 9] met hem en [betrokkene 8] . Bij bedoelde bijeenkomst is met [betrokkene 9] gesproken over de achteraf op te zetten correspondentie tussen [E] en [B] B.V.
  83. Het ambtsedig proces-verbaal d.d. 27 september 1994 (als bijlage 02-1/V15/1 gevoegd bij proces-verbaal nr 1/1994 van regiopolitie Rotterdam-Rijnmond), opgemaakt en ondertekend door [verbalisant 15] , ambtenaar van de Belastingdienst/FIOD/Centraal Team Ondersteuning te Haarlem, tevens onbezoldigd ambtenaar van het Korps Rijkspolitie, en een andere bevoegde opsporingsambtenaar. Het houdt onder meer in -zakelijk weergegeven-: als de op 27 september 1994 tegenover de verbalisanten afgelegde verklaring van [betrokkene 51] : Voor [B] B.V. heb ik tot 16 mei j.l. de administratie gedaan. De oorsprong van het kontakt ligt omstreeks 1989/
  84. De heer [betrokkene 8] heeft mij gevraagd de administratie voor dat bedrijf te verzorgen. Vrij snel na de oprichting (ik meen een half jaar daarna) kwam [betrokkene 8] met de mededeling dat hij [B] B.V. wilde verkopen. [betrokkene 8] vertelde mij dat hij de B.V. wilde verkopen aan een zekere [verdachte] . Bij [betrokkene 9] op kantoor is op een gegeven moment een bespreking geweest waar ik op verzoek van [betrokkene 8] bij ben geweest. Ik weet niet meer precies wie er bij waren, maar in ieder geval wel een Belgische man, genaamd [betrokkene 18] , [betrokkene 8] , [betrokkene 9] en ikzelf. Ik kan me nog herinneren dat ter sprake kwam dat [betrokkene 18] het kontakt zou gaan onderhouden met [betrokkene 17] (het hof verstaat: [betrokkene 17] ).
  85. Een geschrift, zijnde de Nederlandse vertaling van het op 16 mei 1994 te Luxemburg in de Duitse taal opgemaakte proces-verbaal van verhoor, nr 3-435 (als bijlage 2.1/G28/1 gevoegd bij proces-verbaal nr 1/1994 van regiopolitie Rotterdam-Rijnmond), van de ‘Service de Police Judiciaire’ te Luxemburg. Het houdt onder meer in -zakelijk weergegeven-: als de op 16 mei 1994 afgelegde verklaring van [betrokkene 17] : Ik bezit en exploiteer in Luxemburg een onderneming die zich bezig houdt met de oprichting en het bestuur van maatschappijen en dit in opdracht van opdrachtgevers uit het buitenland. Een beroepscollega in België, genaamd [betrokkene 18] , stelde mij in het 2e kwartaal van 1990 met een Nederlandse opdrachtgever in verbinding die een holdingmaatschappij nodig had naar Luxemburgs recht. Het contract met de opdrachtgever diende niet rechtstreeks, doch uitsluitend via [betrokkene 18] te lopen. Het zou hierbij kunnen gaan om een zekere [betrokkene 9] . De voor deze opdrachtgever beschikbaar gestelde holding is [E] S.A., opgericht op 2 februari
  86. Deze maatschappij opende toen een rekening bij de Bank für Gemeinwirtschaft te Luxemburg. Half 1990 werd [E] overgedragen aan de reeds genoemde Nederlandse opdrachtgever. Eind oktober 1990 bevond [betrokkene 18] zich in Luxemburg en wij openden gezamenlijk een rekening bij ABN-Bank op naam van [E] . Ik stortte op deze rekening een bedrag f 1.250.000,= in contanten. Dit geld diende ten behoeve van een kapitaalverhoging, die op 30 oktober 1990 werd uitgevoerd. De kapitaalverhoging, ten berdrage van 22.750.000 francs werd getekend door de maatschappij naar Engels recht [Q] Limited. Deze maatschappij werd als tussenmaatschappij gebruikt voor de kapitaalverhoging om de werkelijke identiteit van de aandeelhouder niet openbaar behoeven te maken in een Luxemburgse notariële akte. Op dezelfde dag droeg [Q] Limited de aandelen van de maatschappij [E] over, d.w.z. er werden eigenaarcertificaten uitgeschreven aan [betrokkene 2] als aandeelhoudster resp. finaal begunstigde van de maatschappij [E] . [betrokkene 2] was eveneens naar Luxemburg gekomen. Enkele dagen later wilde de ABN-Bank afstand nemen van een zakelijk relatie met [E] en verzocht mij de rekening op te heffen. De bank betaalde mij het geld terug. Waarschijnlijk werd het geld mij in contanten uitbetaald. [betrokkene 18] wist van het besluit van de bank, d.w.z. ik heb hem direct ervan in kennis gesteld. Ik stelde [betrokkene 18] voor het geld te storten op de rekening bij de BFG met welk voorstel hij accoord ging. Ik heb het geld, dat bestond uit Nederlandse guldens, zelf in meerdere keren in contanten gestort bij de BFG. De stortingen op de rekening van de BFG vonden als volgt plaats: Op 14 november 1990 300.000,= NGL. Op 23 november 1990 700.000,= NGL. Op 3 november 1990 700.000,= NGL. U wijst erop dat ik van de ABN-Bank het bedrag van 1.250.000,= NGL. heb ontvangen en dat ik tot en met 3 december 1990 het bedrag van 1.700.000,= NGL heb gestort. Ik wil hierbij opmerken, dat hoogstwaarschijnlijk [betrokkene 18] of [betrokkene 8] mij het bedrag van 450.000 gulden in contanten heeft overhandigd en dat ik dit bedrag alsdan mede op de rekening bij de BFG heb gestort. Ik kan mij echter herinneren dat ik een keer door een van mijn kantooremployees werd gebeld via de autotelefoon en dat deze mij meedeelde dat [betrokkene 8] zich op mijn kantoor bevond en dat hij mij persoonlijk een bedrag aan geld aldaar wilde overhandigen. Ik heb toen opdracht gegeven dat hij het geld op kantoor moest achterlaten en ik zou het dan bij de BFG voor hem storten. Overeenkomstig de overdracht, d.w.z. op instructie van [betrokkene 18] , heb ik daarna de volgende overschrijvingen op rekening nr. 48-27-15-006 van [B] B.V. bij de AMRO-bank te Rotterdam vanaf de rekening van de BFG van [E] uitgevoerd: Op 14 november 1990 200.000,= NLG Op 26 november 1990 700.000,= NLG Op 8 december 1990 700.000,= NLG [betrokkene 18] heeft tegenover mij verklaard dat het geld dat ik zou overmaken als kapitaalverhoging voor [B] B.V. moest gelden. Op 11 januari 1991 reed ik samen met [betrokkene 18] naar Middelharnis naar notaris [notaris] om de kapitaalverhoging bij [B] notarieel vast te leggen en aldus uit te voeren. Ter zitting waren de volgende personen aanwezig: [betrokkene 18] , [betrokkene 17] , [verdachte] een jongeman wiens identiteit ik niet ken en notaris [notaris] . Naast de plaats gehad hebbende kapitaalverhoging moest [B] B.V. met leningen vanwege [E] worden bediend. Dat was de grondgedachte volgens welke [E] het bedrag 1.600.000,= NLG op de rekening van [B] B.V. overmaakte. In totaal moest [E] aan [B] B.V het bedrag van 5.000.000,= NLG ter beschikking stellen en wel 1.600.000,= als eigen middelen en 3.500.000,= NGL als lening. Om de zakelijk relaties tussen de maatschappijen [E] en [B] B.V. meer body te geven en om hen voor de Nederlandse belastingdienst geloofwaardiger te maken werd door [betrokkene 18] een correspondentie opgebouwd met terugwerkende kracht, waarbij hij ons brieven stuurde en wij met passende verkeerde data antwoordden , d.w.z. wij pasten onze datum aan aan die van [betrokkene 18] . Deze correspondentie werd feitelijk opgezet tussen maart en mei
  87. Hier volgt een aantal van de afzonderlijke brieven die in volgorde werden geschreven: [B] B.V.: 25 juli 1990 – [geboortedatum] 1990 – 5 september 1990 – 14 september 1990 – 24 september 1990 – 5 oktober 1990 [E] S.A.: 6 augustus 1990 – 11 september 1990 – 14 september 1990 – 1 oktober 1990 – Verslag van de bijeenkomsten van 21 september 1990 en van 28 september
  88. Hierbij dient te worden opgemerkt dat deze verslagen vervalst zijn en dat de bijeenkomsten in deze vorm nooit hebben plaats gehad. Ik wil opmerken dat het bij bovenvermelde brieven gaat om symbolische brieven. De credietovereenkomst tussen [E] S.A. en [B] B.D. werd door mij op 30 april 1991 opgesteld en ondertekend en dan naar [B] B.V. te Rotterdam toegestuurd. Van de kant van deze maatschappij werd de overeenkomst in de tijd tussen 30 april 1991 en 7 mei 1991 door de heer [verdachte] ondertekend en een exemplaar werd mij teruggestuurd. In mijn brief van 8 mei 1991 aan [B] B.V. deelde ik mede dat onder meer de overeenkomst niet was gedateerd. De overeenkomst werd mij gedateerd teruggestuurd. De handtekening schijnt die van [verdachte] te zijn. De maatschappij [E] heeft in augustus 1991 een rekening geopend bij de Kredietbank te Luxemburg. Op 19 augustus werd 250.000,= NGL in contanten op deze rekening gestort. Dit geld werd door de beheerders van [E] , de heren [betrokkene 52] en [betrokkene 49] , in contanten gestort op de rekening nr. [rekeningnummer 1] van de KBL. Dit geld werd op 21 augustus 1991 overgemaakt naar Nederland op de rekening van [B] B.V. met de begeleidende tekst: 1e trance ingevolge overeenkomst van 7 mei
  89. Op 3 september 1991 werd weer 251.000,= NGL kontant gestort op de rekening bij de KBL. Deze transactie kwam tot stand door de heer [betrokkene 49] . Op dezelfde dag werd 250.000,= NGL overgemaakt aan [B] B.V. met de begeleidende tekst: 2e tranche ingevolge overeenkomst van 7 mei
  90. Beide bedragen werden overgemaakt naar rekening nr. [rekeningnummer 2] bij de NMB-postbank te Vlaardingen (NL). U toont mij een kwitantie (bijlage 02-1/D/21) waaruit blijkt dat [E] 400.000,= NGL op 3 april 1991 in contanten heeft betaald aan [B] B.V. met de aantekening ‘Tranche op crediet’. [E] heeft dit bedrag nooit betaald en de beheerders van [B] B.V. moeten deze kwitantie zelf hebben uitgeschreven. U toont mij een document waaruit blijkt dat [B] B.V. op 8 november 1991 een aanvraag doet voor een bedrag van 175.000,= NLG bij de maatschappij [E] . Ik heb de brief nog nooit gezien en ik heb het bedrag van 175.000,= NLG noch overgemaakt noch op andere wijze uitbetaald. U laat mij een verslag zien van een bijeenkomst in Zwijndrecht van 9 januari 1992, waarin mijn naam alsmede de naam van mijn toenmalige medewerker H. [betrokkene 49] worden genoemd. Aan deze bijeenkomst heb ik niet deelgenomen en het verslag van deze vergadering heb ik ook niet gezien. Ik wil opmerken dat de heer [betrokkene 49] te dien tijde ernstig ziek was en dat hij zich bevond in een kliniek in het buitenland.
  91. Een geschrift, zijnde de Nederlandse vertaling van het op 18 mei 1994 te Luxemburg in de Duitse taal opgemaakte proces-verbaal van verhoor, nr 3-435 (als bijlage 2.1/G28/2 gevoegd bij proces-verbaal nr 1/1994 van regiopolitie Rotterdam-Rijnmond), van de Service de Police Judiciaire te Luxemburg. Het houdt onder meer in -zakelijk weergegeven-: als de op 18 mei 1994 afgelegde verklaring van [betrokkene 17] : Bij [E] gaan het om een zogeheten mantelfirma die op 30 oktober 1990 werd verkocht aan [betrokkene 2] . Op dezelfde dag werd voor [betrokkene 2] een verhoging van het kapitaal uitgevoerd ten bedrage van 22.750.000 francs. In dit geval trad nog een tussenmaatschappij van mijn firma op, die in de notariële akte de nieuwe aandelen ondertekende. Het gaat hierbij om de [Q] Ltd., een maatschappij naar Engels recht. De aandelen werden dezelfde dat omgewisseld tegen eigenaarcertificaten, welke certificaten door mij werden overhandigd aan [betrokkene 2] . Daardoor alsmede door de overdracht van de 121 oorspronkelijke aandelen werd [betrokkene 2] feitelijk en juridisch eigenaar van [E] . De totale omvang van de transactie was vanaf het begin voorzien met 5 miljoen gulden, waarvan 1.250.000 gulden als eigen kapitaal en 3.750.000 gulden als vreemd kapitaal moest worden aangetoond. Hierbij ging het volgens de tegenover ons afgelegde verklaringen om zwart geld van Nederlandse opdrachtgevers, dat op deze manier zou vloeien in het Nederlandse bedrijf. Bij de opening van een rekening voor [E] bij de ABN-bank op 30 oktober 1990 waren behalve ik, ook [betrokkene 49] , [betrokkene 18] en misschien andere personen aanwezig. Op dezelfde dag betaalde [betrokkene 18] 1.250.000 gulden. [betrokkene 8] had waarschijnlijk geen beslissingsbevoegdheid, hij kwam mij eerder voor als een vertrouwensman van het grovere soort. In feite heb ik hem meegemaakt als geldkoerier. Voorzover ik mij kan herinneren werd over het terugvloeien van rente nooit gesproken, laat staan dat dit werd uitgevoerd.
  92. Een geschrift, zijnde de Nederlandse vertaling van het op 18 mei 1994 te Luxemburg in de Duitse taal opgemaakte proces-verbaal van verhoor, nr 3-435 (als bijlage 2.1/G29/1 gevoegd bij proces-verbaal nr 1/1994 van regiopolitie Rotterdam-Rijnmond), van de Service de Police Judiciaire te Luxemburg. Het houdt onder meer in -zakelijk weergegeven-: als de op 18 mei 1994 afgelegde verklaring van [betrokkene 49] : Ik was in mijn hoedanigheid van ‘economiste’ in dienst bij [betrokkene 17] en wel van april 1990 tot mei
  93. Vanaf 4 oktober 1991 was ik wegens ziekte niet meer werkzaam op kantoor. In het kader van mijn werk kan ik mij thans herinneren dat het bij de holdingmaatschappij [E] gaat om een mantelfirma. In juni 1990 werd deze geactiveerd en in oktober 1990 werd kapitaal verhoogd. In oktober 1990 werd een verhoging van het kapitaal uitgevoerd ten bedrage van 22.750.000,= francs en wel omdat [E] zou gaan deelnemen in [B] . Ik meen dat het geld in contanten naar Luxemburg is gekomen. Ik heb een keer geld in contanten in opdracht van [E] respectievelijk van [B] , [Q] naar de bank gebracht. U houdt mij voor dat ik vertegenwoordiger was van [Q] Ltd en dat deze maatschappij een rol gespeeld heeft bij de verhoging van het kapitaal. Deze [Q] werd waarschijnlijk als tussenmaatschappij gebruikt om de werkelijke identiteit van de aandeelhouder in een Luxemburgse notariële akte niet openbaar behoeven te maken. De bank maakte een certificaat op ten bedrage van 1.250.000,= NLG om de kapitaalverhoging bij de notaris te realiseren. Dit certificaat was niet in orde. Om de een of andere reden werd de kapitaalverhoging niet op de ABN-Bank uitgevoerd. Aan het gesprek bij de ABN-Bank hadden de heer [betrokkene 17] en de heer [betrokkene 8] deelgenomen. Voor dit gesprek bevond zich een jonge vrouw bij [betrokkene 17] en [betrokkene 8] in het kantoor van [betrokkene 17] . Ik herken de vrouw als persoon van [betrokkene 2] op een fotocopie van een mij getoond Nederlands paspoort, dat zich in het dossier van [E] bevindt. Ik zelf kan mij herinneren dat [betrokkene 8] mij een keer een vrij grote som geld op kantoor heeft afgeleverd en dat ik dat geld toen in contanten bij de BFG-Bank heb gestort. U vraagt mij of ik in het kader van de credietovereenkomst tussen [B] B.V. en [E] S.A. contant geld aan [betrokkene 8] of een vertegenwoordiger van [B] heb uitbetaald. Ik kan mij niet herinneren geld in contanten aan een of andere persoon te hebben uitbetaald. U houdt mij voor dat ik bij de opening van de rekening bij de KBL voor [E] een formulier heb getekend waarop de naam [betrokkene 2] staat geschreven. Bij de opening van de rekening moet de bank de naam van de persoon die finaal begunstigde is worden medegedeeld. In het geval [E]

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.