24 november 1998 Strafkamer nr. 108.307 SM Hoge Raad der Nederlanden Arrest op het beroep in cassatie tegen een vonnis van de Arrondissementsrechtbank te Alkmaar van 7 juni 1996 in de strafzaak tegen: [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1938, wonende te [plaats].
- De bestreden uitspraak De Rechtbank heeft in hoger beroep bevestigd een vonnis van de Kantonrechter te Alkmaar van 24 maart 1995, waarbij de verdachte ter zake van "overtreding van artikel 28 lid 1 onder b van de Algemene Politieverordening van de gemeente Bergen (NH) " is veroordeeld tot een geldboete van vijfenzeventig gulden, subsidiair één dag hechtenis.
- Geding in cassatie Het beroep is ingesteld door de verdachte. Middelen van cassatie zijn door of namens deze niet voorgesteld. De Advocaat-Generaal Fokkens heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad het bestreden vonnis en het daarbij bevestigde vonnis van de Kantonrechter zal vernietigen, maar uitsluitend voorzover daarbij het bewezenverklaarde strafbaar is verklaard en aan de verdachte deswege straf is opgelegd, en de verdachte ter zake van het tenlastegelegde feit zal ontslaan van alle rechtsvervolging.
- Bewezenverklaring Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat: "hij op of omstreeks 23 juli 1994 te Bergen aan Zee , gemeente Bergen NH , zich op het strand heeft bevonden zonder behoorlijk gekleed te zijn, immers was hij, verdachte, niet gekleed in tenminste een zwembroek".
- Ambtshalve beoordeling van de bestreden uitspraak 4.
- De verdachte is veroordeeld ter zake van overtreding van art. 28, eerste lid onder b, van de Algemene Politieverordening van de gemeente Bergen (NH) (hierna: de Verordening), in werking getreden op 1 januari 1969, welk artikel luidt: "Het is verboden voor het gehele binnen de grenzen dezer gemeenten gelegen strand in zee te baden of zich op dit strand of de aangrenzende duinhelling te bevinden zonder behoorlijk gekleed te zijn, wat betreft personen van het mannelijk geslacht tenminste in zwembroek, en van het vrouwelijk geslacht tenminste in één- of tweedelig badpak". 4.2.
- Op 21 mei 1985 is de Wet van 3 juli 1985, Stb. 385, in werking getreden, waarbij in het Wetboek van Strafrecht art. 430a Sr is ingevoegd. Dit artikel luidt : "Hij die zich buiten een door de gemeenteraad als geschikt voor ongeklede openbare recreatie aangewezen plaats, ongekleed bevindt op of aan een voor het openbaar verkeer bestemde plaats die voor ongeklede recreatie niet geschikt is, wordt gestraft met geldboete van de eerste categorie". 4.2.
- De Nota naar aanleiding van het eindverslag vermeldt dienaangaande als standpunt van de regering (Kamerstukken II, 1983-1984, 15 836, nr. 9, blz. 5) : "Wij hebben ( ... ) het ontwerp aldus gewijzigd (. . . ) dat ongeklede recreatie op een daartoe niet geschikte plaats als een overtreding van de openbare orde kan worden aangemerkt (artikel 430a) . De redactie van de voorgestelde bepaling zondert in de eerste plaats van strafbaarheid uit die plaatsen, die de gemeenteraad voor ongeklede recreatie heeft bestemd. Voorts maakt de tekst van de bepaling duidelijk, dat die vorm van recreatie, mits beoefend op andere daartoe geschikte plaatsen, straffeloos blijft. Slechts indien de aard van de plaats of de omstandigheden zo zijn, dat in redelijkheid niet meer kan worden gesproken van geschiktheid, blijft het feit een zekere mate van strafwaardigheid behouden. De lichte aard van het feit is echter verdisconteerd in de rangschikking onder de overtredingen tegen de openbare orde en de lichte strafbedreiging ( ... ) ". 4.
- Blijkens het evenweergegevene heeft de wetgever met art. 430a Sr beoogd met betrekking tot naaktrecreatie een landelijke regeling te geven. Art. 28, eerste lid onder b, van de Verordening betreft derhalve een onderwerp dat de nationale wetgever aan zich heeft getrokken en waarin door art. 430a Sr is voorzien. Ingevolge art. 194 Gemeentewet (oud) is met de inwerkingtreding van art. 430a Sr derhalve art. 28, eerste lid onder b, van de Verordening van rechtswege vervallen. 4.
- Nu het bewezenverklaarde noch valt onder art. 430a Sr - niet bewezenverklaard is immers dat de verdachte zich ongekleed heeft bevonden op een plaats die voor ongeklede recreatie niet geschikt is - noch onder enige andere strafbepaling, heeft de Rechtbank het ten laste van de verdachte bewezen feit ten onrechte strafbaar geoordeeld.
- Slotsom Het vorenoverwogene brengt mee dat de bestreden uitspraak niet in stand kan blijven en de verdachte moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging.
- Beslissing De Hoge Raad: Vernietigt de bestreden uitspraak en het daarbij bevestigde vonnis van de Kantonrechter, maar uitsluitend voorzover daarbij het bewezenverklaarde strafbaar is verklaard en aan de verdachte deswege straf is opgelegd; Verklaart het bewezenverklaarde niet strafbaar; Ontslaat de verdachte te dier zake van alle rechtsvervolging. Dit arrest is gewezen door de vice-president Haak als voorzitter, en de raadsheren Bleichrodt en Orie, in bijzijn van de griffier Van de Griendt, en uitgesproken op 24 november 1998.