← Nederland

ECLI:NL:HR:1998:ZD3766

24 november 1998 Strafkamer nr. 108.640 SM Hoge Raad der Nederlanden Arrest op het beroep in cassatie tegen een bij verstek gewezen vonnis van de Arrondissements-rechtbank te Breda van 28 april 1997 in de strafzaak tegen: [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1970, wonende te [plaats].

  1. De bestreden uitspraak De Rechtbank heeft in hoger beroep - met vernietiging van een bij verstek gewezen vonnis van de Kantonrechter te Breda van 24 mei 1996 - de verdachte ter zake van "overtreding van het bepaalde bij artikel 19 van het RVV 1990" veroordeeld tot een geldboete van tweehonderdvijftig gulden, subsidiair vijf dagen hechtenis, met ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de tijd van drie maanden, voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.
  2. Geding in cassatie Het beroep is ingesteld door de verdachte. Middelen van cassatie zijn door of namens deze niet voorgesteld. De Advocaat-Generaal Machielse heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad het bestreden vonnis zal vernietigen en de inleidende dagvaarding nietig zal verklaren.
  3. Ambtshalve beoordeling van de bestreden uitspraak 3.
  4. De akte van uitreiking gehecht aan het dubbel van de dagvaarding van de verdachte om te verschijnen ter terechtzitting in eerste aanleg van het Kantongerecht te Breda op 24 mei 1996, houdt in dat die dagvaarding op 1 maart 1996 is uitgereikt op het adres [a-straat 1] te [plaats] aan een persoon, die zich op dat adres bevond en die zich bereid verklaarde de brief in ontvangst te nemen en onverwijld aan de geadresseerde te doen toekomen. 3.
  5. Blijkens de aantekening mondeling vonnis van de Kantonrechter is de verdachte niet ter terechtzitting van de Kantonrechter verschenen en is aldaar verstek tegen hem verleend. 3.
  6. Ingevolge art. 588, eerste lid, aanhef en onder b, sub 1º en 2º Sv dient de uitreiking van de dagvaarding te geschieden aan de verdachte, dan wel, wanneer deze niet in persoon wordt uitgereikt, aan het adres waar de verdachte als ingezetene is ingeschreven in de basisadministratie persoonsgegevens, dan wel, indien de verdachte niet als ingezetene in de basisadministratie persoonsgegevens is ingeschreven aan de woon- of verblijfplaats van de geadresseerde. 3.
  7. De stukken van het geding houden niets in waaruit kan volgen dat is nagegaan of en op welk adres de verdachte ten tijde van de betekening van de inleidende dagvaarding op 1 maart 1996 in een basisadministratie persoonsgegevens was ingeschreven. Die betekening is overeenkomstig het bepaalde in het derde lid, aanhef en onder a, van art. 588 Sv geschied, niet aan de verdachte in persoon, doch aan een ander die zich op het adres [a-straat 1] te [plaats] bevond en die zich bereid verklaarde de brief in ontvangst te nemen en onverwijld aan de verdachte te doen toekomen. 3.
  8. Blijkens de aantekening mondeling vonnis van de Rechtbank is de verdachte niet ter terechtzitting in hoger beroep verschenen. 3.
  9. Het in de bestreden uitspraak besloten liggende oordeel dat de inleidende dagvaarding op rechtsgeldige wijze is betekend, is derhalve onbegrijpelijk.
  10. Slotsom Het vorenoverwogene brengt mee dat de bestreden uitspraak niet in stand kan blijven en de inleidende dagvaarding om redenen van doelmatigheid alsnog nietig zal worden verklaard.
  11. Beslissing De Hoge Raad: Vernietigt de bestreden uitspraak, behoudens voorzover daarbij het vonnis van de Kantonrechter is vernietigd; Verklaart de inleidende dagvaarding nietig. Dit arrest is gewezen door de vice-president Davids als voorzitter, en de raadsheren Schipper en Aaftink, in bijzijn van de waarnemend-griffier Van Wijnen, en uitgesproken op 24 november 1998.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.