← Nederland

ECLI:NL:HR:1999:3

19 oktober 1999 Strafkamer nr. 111.291 AB Hoge Raad der Nederlanden Arrest op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 30 juli 1998 in de strafzaak tegen: [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1953, wonende te [plaats] .

  1. De bestreden uitspraak 1.
  2. Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Arrondissementsrechtbank te Roermond van 2 mei 1997 - de verdachte vrijgesproken van het hem bij inleidende dagvaarding primair, subsidiair en meer subsidiair tenlastegelegde en hem voorts ter zake van '"door giften en beloften en het verschaffen van inlichtingen opzettelijk uitlokken van medeplegen van zware mishandeling" veroordeeld tot drie jaren gevangenisstraf, waarvan één jaar voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. Voorts heeft het Hof de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard in zijn vordering. 1.
  3. Het verkorte arrest en de aanvulling daarop als bedoeld in art. 365a, tweede lid, Sv zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.
  4. Geding in cassatie Het beroep, dat zich kennelijk niet richt tegen de gegeven vrijspraken, is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr D. Moszkowicz, advocaat te 's-Hertogenbosch, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De waarnemend Advocaat-Generaal Keijzer heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad de bestreden uitspraak zal vernietigen, doch uitsluitend voor wat betreft de aan het bewezenverklaarde gegeven kwalificatie en voorzover daarin als wettelijk voorschrift waarop de straf mede is gegrond art. 302 Sr is vermeld, en het bewezenverklaarde zal kwalificeren als "door giften en beloften en het verschaffen van inlichtingen opzettelijk uitlokken van medeplegen van zware mishandeling met voorbedachten rade" en alsnog art. 303 Sr zal vermelden als wettelijk voorschrift waarop de straf mede is gegrond, met verwerping van het beroep voor het overige.
  5. Beoordeling van het eerste en het tweede middel 3.
  6. De middelen klagen onder meer erover dat uit de gebezigde bewijsmiddelen en de nadere bewijsoverweging niet kan volgen dat de verdachte het medeplegen van zware mishandeling opzettelijk heeft uitgelokt, zodat de bewezenverklaring niet naar de eis der wet met redenen is omkleed. 3.
  7. Blijkens de gebezigde bewijsmiddelen heeft het Hof vastgesteld, welk oordeel niet onbegrijpelijk is: (-) dat de verdachte meermalen tevergeefs het [slachtoffer] had gemaand een schuld aan hem, verdachte, te betalen en dat [slachtoffer] de verdachte had medegedeeld dat deze geen geld meer van hem zou krijgen ; (-) dat de verdachte tegen [medeverdachte 1] heeft gezegd dat deze [slachtoffer] over de schuld zou moeten aanspreken en dat [medeverdachte 1] , indien [slachtoffer] te kennen zou geven dat hij het bedrag niet zou betalen, [slachtoffer] in elkaar zou moeten trimmen, waarbij de verdachte desgevraagd ook heeft medegedeeld op welke wijze [slachtoffer] het beste naar een bepaalde plaats zou kunnen worden gelokt; (-) dat de verdachte aan [medeverdachte 1] de verdere uitvoering en de bepaling van het tijdstip van de actie tegen [slachtoffer] heeft overgelaten; (-) dat [medeverdachte 1] [medeverdachte 2] bij de zaak heeft betrokken en dat zij beiden [slachtoffer] naar een bepaalde plaats hebben gelokt en hem aldaar hebben mishandeld op de wijze zoals bewezenverklaard. 3.
  8. Hetgeen het Hof in zijn nadere bewijsoverweging heeft overwogen moet aldus worden verstaan dat de verdachte onder de hiervoor weergegeven omstandigheden zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat [medeverdachte 1] en zijn mededader met het vereiste opzet aan [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel zouden toebrengen en dat de verdachte aldus het door die [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] begane feit door middel van de bewezenverklaarde uitlokkingsmiddelen opzettelijk heeft uitgelokt. Dat oordeel geeft geen blijk van een verkeerde rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk, in aanmerking genomen 's Hofs vaststelling dat de verdachte de wijze waarop een en ander zou worden uitgevoerd aan [medeverdachte 1] en diens mededader heeft overgelaten en dat een mishandeling in het spraakgebruik aangeduid als "in elkaar trimmen" een mate van geweld impliceert waarbij gemakkelijk zwaar lichamelijk letsel kan ontstaan. De bewezenverklaring is, anders dan in de middelen wordt aangevoerd, in zoverre dus naar de eis der wet met redenen omkleed. 3.
  9. Ook voor het overige kunnen de middelen niet tot cassatie leiden. Dat behoeft, gezien art. 101a RO, geen nadere motivering nu de middelen in zoverre niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
  10. Beoordeling van het derde middel Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dat behoeft, gezien art. 101a RO, geen nadere motivering, nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
  11. Ambtshalve beoordeling van de bestreden uitspraak Het Hof heeft het bewezenverklaarde ten onrechte gekwalificeerd als hiervoor onder 1.1 weergegeven en ten onrechte als wettelijk voorschrift waarop de oplegging van de straf mede is gegrond art. 302 Sr vermeld in plaats van art. 303 Sr, zodat de bestreden uitspraak in zoverre niet in stand kan blijven.
  12. Slotsom Nu de middelen niet tot cassatie kunnen leiden, terwijl de Hoge Raad ook geen andere grond dan de hiervoor onder 5 vermelde aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak, voorzover aan het oordeel van de Hoge Raad onderworpen, ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, moet worden beslist als volgt.
  13. Beslissing De Hoge Raad: Vernietigt de bestreden uitspraak, voorzover aan zijn oordeel onderworpen, doch uitsluitend voor wat betreft de kwalificatie van het bewezenverklaarde en voorzover daarin onder de wettelijke voorschriften waarop de oplegging van de straf mede is gegrond art. 302 Sr en niet art. 303 Sr is vermeld; Kwalificeert het bewezenverklaarde als "door giften en beloften en het verschaffen van inlichtingen opzettelijk uitlokken van medeplegen van zware mishandeling met voorbedachten rade"; Vermeldt als wettelijk voorschrift waarop de oplegging van de straf mede berust art. 303 Sr; Verwerpt het beroep voor het overige. Dit arrest is gewezen door de vice-president Haak als voorzitter, en de raadsheren Bleichrodt en Balkema, in bijzijn van de griffier Bakker, en uitgesproken op 19 oktober 1999.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.