17 december 1999 Eerste Kamer Nrs. C98/183HR, C98/238HR en C98/239HR Hoge Raad der Nederlanden Arrest in de zaken C98/183HR, C98/238HR en C98/239HR van: STICHTING THUISZORG MIDDEN-LIMBURG, gevestigd te Roermond, EISERES tot cassatie, advocaat: mr E. Grabandt, t e g e n [Verweerster], wonende te [woonplaats], VERWEERSTER in cassatie, advocaat: mr P.S. Kamminga. 1. Het geding in feitelijke instanties Verweerster in cassatie [..] heeft bij exploit van 6 februari 1996 eiseres tot cassatie û verder te noemen: Thuiszorg - gedagvaard voor de Kantonrechter te Roermond en gevorderd: 1. voor recht te verklaren dat het door Thuiszorg aan [verweerster] met ingang van 5 mei 1996 verleende ontslag kennelijk onredelijk is; 2. Thuiszorg te veroordelen om aan [verweerster] te betalen een vergoeding ten bedrage van â 100.000,-- bruto, althans een door de Kantonrechter in goede justitie vast te stellen vergoedingsbedrag. Thuiszorg heeft de vorderingen bestreden. De Kantonrechter heeft bij vonnis van 11 februari 1997 de vorderingen afgewezen. Tegen dit vonnis heeft [verweerster] hoger beroep ingesteld bij de Rechtbank te Roermond. Bij vonnis van 26 februari 1998 heeft de Rechtbank voormeld vonnis van de Kantonrechter vernietigd, het op 5 mei 1996 door Thuiszorg aan [verweerster] verleende ontslag kennelijk onredelijk verklaard, Thuiszorg veroor- deeld om aan [verweerster] te betalen, terzake suppletie op [verweerster]s uitkering en ter compensatie van de ge- leden pensioenbreuk, een bedrag van â 54.000,--, en het meer of anders gevorderde afgewezen. Bij fax d.d. 20 april 1998 heeft de procureur van [verweerster] gevraagd of het bedrag van â 54.000,-- een netto- of een brutobedrag is. Naar aanleiding daarvan heeft de Rechtbank bij her- stelvonnis van 7 mei 1998 verklaard dat de veroordeling van Thuiszorg tot betaling aan [verweerster] het bruto equivalent van â 54.000,-- betreft en bepaald dat deze verbetering onder vermelding van de datum van de uit- spraak van dit vonnis wordt vermeld op de minuut van vo- renbedoeld vonnis van 26 februari 1998. Tegen dit herstelvonnis heeft Thuiszorg bij brief van 10 juni 1998 bezwaar gemaakt en verzocht het bedrag van â 54.000,-- als een brutobedrag aan te merken. Bij vonnis van 9 juli 1998 heeft de Rechtbank haar beslissing van 7 mei 1998 gehandhaafd en nogmaals ver- klaard dat de veroordeling van Thuiszorg tot betaling aan [verweerster] het bruto equivalent van â 54.000,-- be- treft. De vonnissen van 26 februari 1998, 7 mei 1998 en 9 juli 1998 van de Rechtbank zijn aan dit arrest gehecht. 2. Het geding in cassatie Tegen het vonnis van 26 februari 1998 en de twee herstelvonnissen van 7 mei 1998 en 9 juli 1998 van de Rechtbank heeft Thuiszorg afzonderlijk beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaardingen zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit. [Verweerster] heeft telkens geconcludeerd tot ver- werping van het beroep. De zaken zijn voor partijen toegelicht door hun ad- vocaten. De conclusie van de Advocaat-Generaal Spier strekt in de zaken C98/183HR en C98/238HR tot vernietiging van het bestreden vonnis en in de zaak C98/239HR tot verwer- ping van het beroep. 3. Beoordeling van de middelen 3.1 In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan. (
- i)Op 1 november 1970 is [verweerster] bij de rechts- voorganger van Thuiszorg in dienst getreden in de functie van gezinsverzorgster, laatstelijk tegen een salaris van â 1.346,09 bruto per periode van vier weken, met een werkweek van 16 uren. (
- ii)Bij brief van 11 oktober 1995 van Thuiszorg is [verweerster] met onmiddellijke ingang geschorst. Bij brief van 18 oktober 1995 is zij door Thuiszorg op staan- de voet ontslagen. Dat ontslag heeft Thuiszorg later weer ingetrokken. (iii) Op verzoek van Thuiszorg heeft de Regionaal Directeur voor de Arbeidsvoorziening op 7 december 1995 toestemming verleend om de arbeidsverhouding met [ver- weerster] te beÙindigen. Daarop is door Thuiszorg het dienstverband met [verweerster] opgezegd tegen 5 mei 1996. 3.2 In dit geding vraagt [verweerster] een verklaring voor recht dat het voormelde ontslag kennelijk onredelijk is en vordert zij veroordeling van Thuiszorg om aan haar te betalen een bedrag van â 100.000,-- bruto, althans een in goede justitie te bepalen bedrag. Zij betwist de ont- slaggronden en voert aan dat het ontslag haar onevenredig zwaar treft, mede omdat Thuiszorg haar geen enkele finan- ciÙle vergoeding heeft toegekend. De Kantonrechter heeft de vorderingen van [verweerster] afgewezen. In hoger be- roep heeft de Rechtbank bij vonnis van 26 februari 1998 Thuiszorg veroordeeld om aan [verweerster] te betalen een bedrag van â 54.000,--, waarvan â 14.000,-- als suppletie op haar uitkering en â 40.000,-- ter zake van pensioen- schade. De procureur van [verweerster] heeft bij fax van 20 april 1998 aan de Rechtbank verzocht hem mee te delen of het bedrag van â 54.000,-- een netto- of een brutobe- drag is. De (enkelvoudige kamer van
- de)Rechtbank heeft daarop op 7 mei 1998 een ôherstelvonnisö gewezen waarin zij overweegt dat zij aan [verweerster] een netto vergoe- ding had willen toekennen en dat er door het achterwege laten hiervan sprake is van een kennelijke û ook voor partijen kenbare û en voor eenvoudig herstel vatbare ver- gissing. De Rechtbank verbetert haar eerdere vonnis met het volgende dictum: "verklaart dat de veroordeling van Thuiszorg tot betaling aan [verweerster] het bruto equi- valent van â 54.000,-- (à) betreft". Op 9 juli 1998 wijst de (enkelvoudige kamer van
- de)Rechtbank opnieuw een her- stelvonnis in deze zaak, waarin zij overweegt dat zij ôper abuisö de procureur van Thuiszorg niet in de gele- genheid heeft gesteld te reageren op voormelde fax van 20 april 1998, alsmede dat zij na die gelegenheid alsnog te hebben gegeven in diens reactie geen aanleiding ziet haar beslissing te dezer zake te wijzigen. De Rechtbank merkt daarbij op dat zij in haar vonnis van 26 februari 1998 heeft gesproken over een suppletie op de uitkering, juist om aan te geven dat het een netto vergoeding betrof. Thuiszorg heeft van de drie hierv¾¾r vermelde vonnissen telkens afzonderlijk beroep in cassatie ingesteld. De Ho- ge Raad zal deze beroepen gezamenlijk behandelen. 3.3 Onderdeel 1 van het middel dat zich keert tegen het vonnis van 26 februari 1998, treft doel. De Rechtbank is in haar overwegingen dat het op de weg van de werkgever ligt omstandigheden aan te voeren, welke (
- i)aantonen dat het belang van de werkgever bij beÙindiging van het dienstverband in verhouding tot het belang van de werkne- mer bij continuering van bijzonder gewicht is, en (
- ii)het ontbreken van een financiÙle regeling rechtvaardigen, uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting, omdat zij daarbij heeft miskend dat de stelplicht en bewijslast ten aanzien van het bestaan van de kennelijke onredelijkheid van een ontslag op de werknemer rusten. 3.4 De Rechtbank heeft in dat vonnis voorts overwogen dat het ervoor moet worden gehouden dat [verweerster] als gevolg van het onderhavige ontslag in een slechte finan- ciÙle positie is komen te verkeren, welke positie, gelet op haar leeftijd en de daaruit voortvloeiende niet al te rooskleurige positie op de arbeidsmarkt, niet op korte termijn zal verbeteren. Onderdeel 3 onder a van het mid- del voert terecht aan dat deze overweging zonder nadere motivering, die ontbreekt, onbegrijpelijk is, omdat de Rechtbank niet is ingegaan op het, ter zake dienend, ver- weer van Thuiszorg dat [verweerster] zeer wel in staat is om in gezinnen als huishoudelijke hulp te gaan werken, terwijl voorts in haar eigen functie meer dan voldoende werk is te vinden. 3.5 Onderdeel 5 van het middel klaagt er terecht over dat uit het vonnis van de Rechtbank niet blijkt of het bedrag van â 54.000,-- bruto of netto is bedoeld, waar- door het vonnis ontoelaatbaar onduidelijk is. De latere verbetering van het vonnis û welke verbetering zoals hierna zal blijken niet toelaatbaar is û brengt daarin geen verandering, nu zonder motivering onbegrijpelijk blijft waarom de Rechtbank, na te hebben overwogen dat het gevorderde bedrag van â 100.000,-- bruto niet passend is, wÞl een bedrag van â 54.000,-- netto toewijsbaar acht. De door de Rechtbank in haar tweede herstelvonnis gegeven motivering (zoals hiervoor in 3.2 vermeld) is on- toereikend, omdat een suppletie ook in de vorm van een bruto-bedrag kan worden toegekend. 3.6 Het vonnis van 26 februari 1998 kan derhalve niet in stand blijven. 3.7 De beide herstelvonnissen zullen reeds op grond van het vorenstaande het lot van het vonnis van 26 februari 1998 moeten delen. De Rechtbank is bovendien buiten het toepassingsgebied getreden van de in de rechtspraak ont- wikkelde regel van procesrecht die verbetering van een uitspraak toelaat als daarin een kennelijke, ook voor partijen kenbare en voor eenvoudig herstel vatbare ver- schrijving voorkomt, nu in dit geval geenszins sprake was van een zodanige verschrijving. De Rechtbank heeft voorts het beginsel van hoor- en wederhoor geschonden door Thuiszorg niet in de gelegenheid te stellen zich over een eventuele verbetering uit te laten v¾¾rdat zij haar von- nis verbeterde. Op deze gronden treffen de klachten tegen de beide vonnissen doel. De Hoge Raad merkt hierbij nog op dat deze vonnissen in strijd met het bepaalde in arti- kel 49 lid 3 RO zijn gewezen door de enkelvoudige kamer. Ook afgezien van dat voorschrift levert de verbetering van een vonnis van de meervoudige kamer door de enkelvou- dige kamer een essentieel verzuim op. 3.8 De overige klachten kunnen onbesproken blijven. 4. Beslissing De Hoge Raad: vernietigt de vonnissen van de Rechtbank te Roermond van 26 februari 1998, 7 mei 1998 en 9 juli 1998; verwijst het geding naar het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch ter verdere behandeling en beslissing; veroordeelt [verweerster] in de kosten van de ge- dingen in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van Thuiszorg begroot op â 694,80 (C98/183HR), â 684,60 (C98/238HR) en â 688,-- (C98/239HR) aan verschotten en op â 3.500,-- voor salaris. Dit arrest is gewezen door de vice-president Roelvink als voorzitter en de raadsheren Heemskerk, Van der Putt-Lauwers, De Savornin Lohman en Hammerstein, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer Heemskerk op 17 december 1999