17 december 1999 Eerste Kamer Rek.nr. R99/080HR AS Hoge Raad der Nederlanden Beschikking in de zaak van: [de vrouw], wonende te [woonplaats], VERZOEKSTER tot cassatie, advocaat: mr J.H.F. Schultz van Haegen, t e g e n [de man], wonende te [woonplaats], VERWEERDER in cassatie, advocaat: mr M.H. van der Woude. 1. Het geding in feitelijke instanties Met een op 2 december 1997 ter griffie van de Rechtbank te Arnhem ingekomen verzoekschrift heeft ver- weerder in cassatie - verder te noemen: de man - zich ge- wend tot die Rechtbank en verzocht: I. primair: de door hem aan verzoekster tot cassatie - ver- der te noemen: de vrouw - verschuldigde bijdrage in haar levensonderhoud met ingang van 1 maart 1995, althans met ingang van 1 juni 1996, althans vanaf de datum van indie- ning van dit verzoekschrift op nihil te stellen; subsidiair: de door hem ten behoeve van de vrouw ver- schuldigde bijdrage in het levensonderhoud op een zodanig bedrag vast te stellen en met ingang van een zodanige da- tum als de Rechtbank in goede justitie zal vermenen te behoren; II. primair: de vrouw te veroordelen om aan de man te betalen ƒ 83.917,56, zijnde de door de man sinds 1 maart 1995 on- verschuldigd betaalde partneralimentatie, althans het be- drag waarmee de vrouw zich sedertdien ten koste van de man onrechtvaardig heeft verrijkt, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop deze door de man is voldaan, althans vanaf de dag van indiening van dit verzoekschrift; subsidiair: de vrouw te veroordelen om aan de man de be- talen ƒ 44.804,94, zijnde de door de man sinds 1 juni 1996 onverschuldigde partneralimentatie, althans het be- drag waarmee de vrouw zich sedertdien ten koste van de man onrechtvaardig heeft verrijkt, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop deze door de man is voldaan, althans vanaf het moment van indiening van dit verzoekschrift; uiterst subsidiair: de vrouw te veroordelen om aan de man te betalen de door de man sedert de indiening van het verzoekschrift betaalde partneralimentatie, met veroorde- ling van de vrouw in de kosten van de procedure, die van het voorlopig getuigenverhoor daaronder begrepen. De vrouw heeft de verzoeken van de man bestreden. De Rechtbank heeft bij beschikking van 14 juli 1998 de verzoeken van de man en het meer of anders verzochte afgewezen. Tegen deze beschikking heeft de man hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof te Arnhem. Bij beschikking van 9 februari 1999 heeft het Hof de beschikking van de Rechtbank te Arnhem van 14 juli 1998 vernietigd en, opnieuw beschikkende, bepaald dat de onderhoudsverplichting van de man jegens de vrouw, vast- gesteld bij vonnis van de Rechtbank te Arnhem van 28 maart 1991, met ingang van 1 januari 1998 is geëindigd, de vrouw veroordeeld om aan de man terug te betalen de door de man aan de vrouw over de periode vanaf 1 januari 1998 onverschuldigd betaalde alimentatie, en het meer of anders verzochte afgewezen. De beschikking van het Hof is aan deze beschikking gehecht. 2. Het geding in cassatie Tegen de beschikking van het Hof heeft de vrouw be- roep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan de- ze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit. De man heeft verzocht het beroep te verwerpen. De conclusie van de Advocaat-Generaal Langemeijer strekt tot verwerping van het beroep. 3. Beoordeling van het middel 3.1 Partijen zijn in 1969 met elkaar gehuwd. Bij vonnis van 28 maart 1991 is echtscheiding tussen hen uitgespro- ken. In dat vonnis, dat op 29 april 1991 is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand, is bepaald dat de man aan de vrouw als bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud zal betalen ƒ 2.210,-- per maand. Die bijdrage is inmiddels door de wettelijke indexering ver- hoogd. 3.2 De man heeft, kort samengevat en voorzover in cas- satie nog van belang, aan de Rechtbank verzocht deze bij- drage nader te bepalen op nihil met ingang van 1 maart 1995, althans 1 juni 1996, althans vanaf de datum van in- diening van het verzoekschrift, met veroordeling van de vrouw tot terugbetaling van de onverschuldigd betaalde alimentatie. De man heeft aan zijn (primaire) verzoeken ten grondslag gelegd dat de vrouw met een ander (de andere man) is gaan samenleven als waren zij gehuwd. De Rechtbank heeft de verzoeken van de man afgewezen. 3.3 In het hoger beroep van de man is het Hof tot een ander oordeel gekomen. Het Hof heeft vastgesteld (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.