← Nederland

ECLI:NL:HR:1999:ZC2825

22 januari 1999 Eerste Kamer Nr. 16.700 (C97/179HR) EB Hoge Raad der Nederlanden Arrest in de zaak van: STICHTING RECLASSERING NEDERLAND, gevestigd te 's-Hertogenbosch, EISERES tot cassatie, voorwaardelijk incidenteel verweerster, advocaat: mr R.S. Meijer, tegen [verweerder] , wonende te [plaats] , VERWEERDER in cassatie, voorwaardelijk incidenteel eiser, advocaat: voorheen mr J.M. Barendrecht, thans mr J.C. van Oven. 1.Het geding in feitelijke instanties Verweerder in cassatie - verder te noemen: [verweerder] - heeft bij exploit van 7 maart 1995 eiseres tot cassatie - verder te noemen: de Stichting - gedagvaard voor de Kantonrechter te Eindhoven en gevorderd, voor zover in cassatie van belang, de Stichting te veroordelen tot: a. bij wege van provisionele voorziening: betaling van de door hem geleden schade als gevolg van het verlies aan arbeidsvermogen ad f 39.837,69, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 11 juli 1994; b. betaling van de vermogensschade die voortvloeit uit het op 14 december 1990 aan hem overkomen arbeidsongeval, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 11 juli 1994, voor de schade ontstaan voor 1 januari 1992 en vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de verzuimdatum voor de schade ontstaan na 1 januari 1992 op te maken bij staat, onder aftrek van de schade die betaald is tengevolge van de toegewezen provisionele voorziening als hierboven onder a opgenomen, met verwijzing voor de concrete vaststelling van deze vordering naar de schadestaatprocedure; c. betaling van f 150.000,-- als vergoeding immateriële schade, te vermeerderen van de wettelijke rente vanaf 11 juli 1994; d. betaling van de buitengerechtelijke kosten ad f 3.220, --. De Stichting heeft de vorderingen bestreden. De Kantonrechter heeft bij vonnis van 26 oktober 1995 de vorderingen afgewezen. Tegen dit vonnis heeft [verweerder] hoger beroep ingesteld bij de Rechtbank te 's-Hertogenbosch. Bij tussenvonnis van 4 april 1997 heeft de Rechtbank de zaak naar de rol verwezen voor het nemen van een nadere conclusie door [verweerder] en iedere verdere beslissing aangehouden. Het tussenvonnis van de Rechtbank is aan dit arrest gehecht. 2. Het geding in cassatie Tegen het tussenvonnis van de Rechtbank heeft de Stichting beroep in cassatie ingesteld. [verweerder] heeft voorwaardelijk incidenteel beroep ingesteld. De cassatiedagvaarding en de conclusie van antwoord tevens houdende het voorwaardelijk incidenteel beroep zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit. Partijen hebben over en weer geconcludeerd tot verwerping van het beroep. De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten. De conclusie van de Advocaat-Generaal Strikwerda strekt - in het principale beroep: tot vernietiging van het bestreden vonnis en tot afdoening van de zaak door de Hoge Raad in voege als is weergegeven onder 13; - in het incidentele beroep: tot verwerping. 3. Beoordeling van de middelen in het principale en in het incidentele beroep 3.1 In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan. (

  1. i)[verweerder] is van 1 januari 1974 tot 1 september 1993 in dienst geweest van de rechtsvoorganger van de Stichting, aanvankelijk als maatschappelijk werker, en sinds 1985 als sociaal-psychiatrisch werker. (
  2. ii)Op vrijdagavond 14 december 1990 om ongeveer elf uur is door een reclasseringscliënt op [verweerder] bij hem thuis een aanslag gepleegd, waarbij hij ongeveer veertig keer met een ijzeren hamer op het hoofd is geslagen. Deze aanslag heeft plaatsgevonden in de deuropening van de woning van [verweerder] . (iii) De dader heeft vervolgens een aanklacht wegens ontucht tegen [verweerder] ingediend, naar aanleiding waarvan [verweerder] op 18 februari 1991 is aangehouden. Hij is strafrechtelijk vervolgd en ten slotte door de Rechtbank te 's-Hertogenbosch vrijgesproken. (
  3. iv)Op 20 december 1991 is [verweerder] per 6 januari 1992 arbeidsgeschikt verklaard. Met ingang van 1 maart 1992 is hij te werk gesteld in de halfopen gevangenis Maashegge te Stevensweert in de functie van penitentiair reclasseringsmedewerker. (
  4. v)Na ongeveer drie maanden is [verweerder] arbeidsongeschikt geworden. Met ingang van 1 september 1993 is aan hem een invaliditeitspensioen toegekend naar een arbeidsongeschiktheidspercentage van 80 - 100%. De Stichting verstrekt uit eigen middelen een maandelijkse aanvulling van 18%. 3.2 In het onderhavige geding heeft [verweerder] gevorderd, voor zover in cassatie van belang, vergoeding van vermogensschade, bij wijze van provisionele voorziening tot een bedrag van f 39.837,69 en voor het overige op te maken bij staat, alsmede vergoeding van immateriële schade ten bedrage van f 150.000, --. Hij heeft daaraan ten grondslag gelegd, kort samengevat, dat de Stichting is tekortgeschoten in haar verplichtingen op grond van art. 7A:1638x (oud) BW, doordat zij, hoewel het haar bekend was dat haar medewerkers cliënten begeleiden die ook voor hun hulpverleners "gevaarlijk" zijn, niet de redelijkerwijs te vergen maatregelen heeft getroffen om de medewerkers, ook in hun privé-leven, te beschermen. De Stichting heeft betwist dat zij in enige zorgplicht jegens [verweerder] is tekortgeschoten. De zorgplicht heeft primair betrekking op de werkplek, de werkmethoden en de werktuigen waarmee de arbeid wordt verricht. In dit geval heeft het ongeval plaatsgevonden buiten de werkplek, zonder gebruikmaking van werktuigen de van Stichting alsook buiten werktijd en het werkverband. Zelfs in de meest ruime opvatting omtrent art. 7A:1638x (oud) BW, respectievelijk art. 3 Arbowet, komt, aldus de Stichting, aan [verweerder] geen beroep op deze artikelen toe. De Kantonrechter heeft dit verweer gegrond bevonden en de vordering afgewezen. De Rechtbank heeft in appelgrief 3 van [verweerder] de klacht gelezen dat de Kantonrechter de maatstaf dat de schade de werknemer is overkomen "in de uitoefening van de dienstbetrekking" onjuist heeft toegepast, en zij heeft het standpunt van [verweerder] dat het onheil hem wel degelijk in de uitoefening van zijn dienstbetrekking is overkomen, juist bevonden. Zij is vervolgens op grond van hetgeen zij in rov. 3.18 - 3.25 van haar vonnis heeft overwogen, tot de slotsom gekomen dat de Stichting aansprakelijk is voor de door [verweerder] als gevolg van de aanslag geleden schade (rov. 3.26) . Hiertegen richt zich het middel in het principale beroep. 3.3 Blijkens rov. 3.15 van haar vonnis is de Rechtbank ervan uitgegaan dat, wanneer de aard van de werkzaamheden een verhoogd risico meebrengt dat iemand met wie de werknemer bij de uitvoering van die werkzaamheden contact heeft, hem in zijn privé-situatie schade toebrengt, moet worden aangenomen dat zodanige schade aan de werknemer is overkomen in de uitoefening van zijn dienstbetrekking, tenzij de werkgever bewijst dat het optreden van die derde in geen enkel verband is te brengen met de uitvoering van de werkzaamheden. Onderdeel I.1, dat klaagt dat dit uitgangspunt onjuist is treft doel. De door de Rechtbank gehanteerde maatstaf is noch met de bewoordingen, noch met de strekking van art. 7A:1638x te verenigen. Naar zijn tekst gaat het in het eerste lid van dit artikel om een zorgplicht van de werkgever voor de veiligheid van de werkomgeving en de gebruikte werktuigen. Ook al dienen dit vereiste en het vereiste dat de schade de werknemer in de uitoefening van zijn werkzaamheden is overkomen, ruim te worden uitgelegd, er bestaat geen goede grond deze, ook in het huidige art. 7:658 vervatte vereisten geheel ter zijde te stellen en de werkgever ook aansprakelijk te achten voor ongevallen die de werknemer in zijn privé-situatie zijn overkomen. De in art. 7A:1638x neergelegde verplichting van de werkgever de werkzaamheden zodanig te organiseren dat de werknemer is beschermd aan tegen zijn arbeid verbonden veiligheidsrisico's vloeit niet slechts voort uit de sociaal-economische positie van de werkgever ten opzichte van zijn werknemer, maar houdt ook nauw verband met zijn zeggenschap over de werkplek en zijn bevoegdheid zijn werknemer aanwijzingen te geven ter zake van de (wijze van) uitoefening van diens werkzaamheden. In de regel ontbreken deze zeggenschap en bevoegdheid als het gaat om de privé-situatie van de werknemer. Dit brengt mee dat de vraag of de werkgever aansprakelijk is voor ongevallen die de werknemer, ofschoon samenhangend met zijn werkzaamheden, in zijn privé-situatie zijn overkomen, niet wordt beheerst door de bijzondere regeling van art. 7A:1638x, maar telkens naar de omstandigheden van het gegeven geval moet worden beantwoord aan de hand van wat voor dat geval de eis zich als een goed werkgever te gedragen meebrengt. Daarbij verdient opmerking dat voor een bevestigende beantwoording van deze vraag slechts plaats is onder bijzondere omstandigheden, waarbij voor gevallen als de onderhavige kan worden gedacht aan een, ook aan de werkgever bekend, specifiek en ernstig gevaar. De gegrondbevinding van onderdeel I.1 brengt mee dat de overige klachten van onderdeel I en de subsidiair voorgestelde onderdelen II en III van het middel in het principale beroep geen behandeling behoeven. 3.4 Het middel in het incidentele beroep strekt ten betoge dat van een verplichting tot schadevergoeding op grond van art. 7A:1638x ook sprake kan zijn, indien de schade de werknemer niet is overkomen "in" of "tijdens" de uitoefening van de dienstbetrekking, maar wel op een wijze die in een voldoende verband staat met de uitoefening van de dienstbetrekking. Dit betoog kan [verweerder] niet baten, aangezien de Rechtbank blijkens rov. 3.15 van haar vonnis "in de uitoefening van de dienstbetrekking" in de door het middel bepleite ruime zin heeft uitgelegd, maar die uitleg op grond van het in 3.3 overwogene moet worden verworpen. 3.5 Uit hetgeen in 3.3 is overwogen volgt dat de bestreden uitspraak niet in stand kan blijven. De Hoge Raad kan zelf de zaak afdoen. Nu appelgrief 3 van [verweerder] uitgaat van een onjuiste rechtsopvatting, faalt die grief, terwijl [verweerder] blijkens de stukken van het geding niet heeft gesteld dat in dit geval sprake is geweest van een bijzondere omstandigheid als hiervoor in 3.3, tweede alinea, bedoeld. Aangezien de overige grieven reeds, in cassatie onbestreden, door de Rechtbank zijn verworpen, moet derhalve het vonnis van de Kantonrechter worden bekrachtigd. 4. Beslissing De Hoge Raad: in het principale beroep: vernietigt het vonnis van de Rechtbank te 's-Hertogenbosch van 4 april 1997; bekrachtigt het vonnis van de Kantonrechter te Eindhoven van 26 oktober 1995; veroordeelt [verweerder] in de kosten van het geding in hoger beroep, aan de zijde van de Stichting begroot op in totaal f 6.600, --; veroordeelt [verweerder] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van de Stichting begroot op f 5.505,30 aan verschotten en f 3.500, -- voor salaris; in het incidentele beroep: verwerpt het beroep; veroordeelt [verweerder] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van de Stichting begroot op f 150, -- aan verschotten en f 3.000, -- voor salaris. Dit arrest is gewezen door de president Martens als voorzitter en de raadsheren Neleman, Heemskerk, Herrmann en De Savornin Lohman, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer Heemskerk op 22 januari 1999.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.