16 april 1999 Eerste Kamer Nr. 16.848 (C97/327HR) FD Hoge Raad der Nederlanden Arrest in de zaak van: [eiseres] , wonende te [woonplaats] , EISERES tot cassatie, advocaat: mr E. Grabandt, tegen N.V. INTERPOLIS SCHADE, gevestigd te Tilburg, VERWEERSTER in cassatie, advocaat: mr J.L.W. Sillevis Smitt. 1.Het geding in feitelijke instanties Eiseres tot cassatie - verder te noemen: [eiseres] - heeft bij exploit van 9 juli 1993 verweerster in cassatie - verder te noemen: Interpolis - gedagvaard voor de Rechtbank te Breda en gevorderd Interpolis te veroordelen om aan [eiseres] te betalen een bedrag van ƒ 102.046,--, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf de dag van de dagvaarding tot aan de dag van algehele betaling. Bij conclusie van repliek heeft [eiseres] haar vordering met een bedrag van ƒ 4.136,72 verminderd tot een bedrag van ƒ 97.909,28. Interpolis heeft de vordering bestreden. De Rechtbank heeft bij tussenvonnis van 10 mei 1994 een deskundigenonderzoek gelast en voorlopig vraagpunten geformuleerd, en bij tussenvonnis van 6 september 1994 een deskundigenonderzoek omtrent de in dit vonnis vermelde vraagpunten gelast, met benoeming van een deskundige. Na deskundigenbericht heeft de Rechtbank bij eindvonnis van 26 maart 1996 de vordering van [eiseres] afgewezen. Tegen dit eindvonnis heeft [eiseres] hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch. Bij arrest van 27 augustus 1997 heeft het Hof het bestreden vonnis bekrachtigd. Het arrest van het Hof is aan dit arrest gehecht. 2. Het geding in cassatie Tegen het arrest van het Hof heeft [eiseres] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. Interpolis heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep. De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten. De conclusie van de Advocaat-Generaal Spier strekt tot verwerping van het beroep. 3.Beoordeling van het middel 3.1.In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan. Partijen hebben op 1 mei 1985 een arbeidsongeschiktheidsverzekering gesloten. Art. 8 van de op deze verzekeringsovereenkomst toepasselijke polisvoorwaarden van Interpolis bevat de volgende omschrijving van het begrip arbeidsongeschiktheid in verband met de dekking voor het risico van arbeidsongeschiktheid die voortduurt na het verstrijken van de in de AAW bedoelde 52 wachtweken: "Arbeidsongeschiktheid is aanwezig indien verzekerde rechtstreeks en uitsluitend door medisch vast te stellen gevolgen van ongeval en/of ziekte voor tenminste 25% ongeschikt is tot het verrichten van werkzaamheden, die voor zijn krachten en bekwaamheden zijn berekend en die met het oog op zijn opleiding en vroegere werkzaamheden in redelijkheid van hem verlangd kunnen worden.(...)." Bij schade-aangifteformulier van 7 mei 1986 heeft [eiseres] Interpolis gemeld dat zij haar werk als medewerkster van een landbouw- en veehoudersbedrijf voor 80% heeft gestaakt in verband met pijn in been en heup. Interpolis heeft vanaf deze schademelding uitkeringen gedaan op basis van 80% arbeidsongeschiktheid en vanaf 20 augustus 1986 tot 2 januari 1989 op basis van 60% arbeidsongeschiktheid. Bij brief van 2 januari 1989 heeft Interpolis [eiseres] medegedeeld dat vanaf deze datum sprake was van minder dan 25% arbeidsongeschiktheid en dat dit betekende dat zij vanaf die datum geen uitkering meer aan [eiseres] zou verstrekken. Naar aanleiding van een nieuwe schademelding op 2 januari 1989, verband houdende met een verkeersongeval dat op 29 december 1988 had plaatsgevonden, heeft Interpolis uitkering gedaan op basis van 100% arbeidsongeschiktheid. Bij brief van 2 januari 1990 heeft Interpolis aan [eiseres] medegedeeld, na overleg met de medisch adviseur van Interpolis van oordeel te zijn dat [eiseres] met ingang van 2 januari 1990 minder dan 25% arbeidsongeschikt was en dat Interpolis volgens de polisvoorwaarden vanaf deze datum geen uitkering meer kon verstrekken. De Rechtbank te 's-Hertogenbosch heeft bij uitspraak van 4 november 1993 bepaald dat aan [eiseres] een AAW-uitkering wordt toegekend met ingang van 1 maart 1987 naar een arbeidsongeschiktheidspercentage van 80-100%. 3.2 Stellende dat zij ook na 1 januari 1990 nog arbeidsongeschikt was in de zin van de polis en uit dien hoofde recht heeft op de overeengekomen uitkeringen, heeft [eiseres] de hiervoor onder 1 vermelde bedragen gevorderd. Zij beriep zich op medische rapporten van twee orthopedisch chirurgen. Interpolis heeft het standpunt van [eiseres] bestreden en zich van haar kant beroepen op een reeks van uitgebrachte medische adviezen, waaruit naar haar oordeel blijkt dat [eiseres] vanaf 2 januari 1990 voor minder dan 25% arbeidsongeschikt was. De Rechtbank heeft een deskundigenonderzoek gelast, Prof. dr. P.M. Rozing tot deskundige benoemd, en aan deze deskundige de volgende vragen voorgelegd: "a. Welke, als gevolgen van een ongeval en/of ziekte aan te merken medische beperkingen had [eiseres] op 1 januari 1990 en daarna? b. Zijn de door u geconstateerde beperkingen te vatten in een medische beperkingenprofiel ? c. Wat is de ernst van deze beperkingen ? d. Vindt u het vanuit uw discipline aannemelijk, dat die beperkingen invloed hebben op de beroepsuitoefening van [eiseres] ? En zo ja, in welke mate ? e. Welke opmerkingen zijn naar uw oordeel verder van belang ten behoeve van de door de rechtbank te nemen beslissing, mede gelet op de eerder over [eiseres] uitgebrachte medische rapporten ?" De deskundige heeft in zijn rapport onder meer het volgende bericht: "Samenvattend zou men kunnen zeggen dat diverse orthopaeden getracht hebben een organische oorzaak voor de klachten aan te tonen en dat op sommige röntgenopnamen zeer geringe veranderingen werden gezien, die door enkelen als normaal en door anderen als pathologisch werden beschouwd. We moeten dan ook stellen dat de gevonden radiologische veranderingen aan de wervelkolom naar alle waarschijnlijkheid het klachtenpatroon niet voldoende kunnen verklaren.(...) e. (...) Bij het doornemen van het dossier komt steeds duidelijker naar voren dat ondanks de reële klachten van belanghebbende, er geen zodanige objectieve afwijkingen kunnen worden gevonden, die deze klachten afdoende kunnen verklaren. Ook bij mijn onderzoek op 10.12.1994 en 27.05.1995 werden de geuite klachten, beperkingen en bevindingen bij het lichamelijk onderzoek niet ondersteund door duidelijk aantoonbare afwijkingen van de lumbale wervelkolom of het bekken." Op grond van de bevindingen van de deskundige heeft de Rechtbank geoordeeld dat geen sprake is van arbeidsongeschiktheid "rechtstreeks en uitsluitend door medisch vast te stellen gevolgen van ongeval en/of ziekte", en de vordering afgewezen. Het Hof heeft het vonnis van de Rechtbank bekrachtigd. 3.3.1 Onderdeel 1 is gericht tegen 's Hofs uitleg van art. 8 van de polisvoorwaarden. Onder a klaagt het onderdeel dat het Hof zijn uitleg ten onrechte (uitsluitend) heeft gebaseerd "op een (in de visie van het Hof juiste) tekstuele lezing van de betreffende voorwaarde", en aldus heeft miskend dat het bij de uitleg aankomt op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan het beding mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Het onderdeel heeft hierbij het oog op de volgende overweging van het Hof: "Hoezeer ook, vanuit de betrokkene bezien, begrijpelijk is dat deze ook in een situatie als bedoeld sub b. behoefte heeft aan, en dus aanspraak meent te kunnen maken op een uitkering, laat de hierboven geciteerde tekst, er geen misverstand over bestaan dat genoemd artikel bedoelt de scheidslijn te leggen tussen de categorieën
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.