20 april 1999 Strafkamer nr. 110.607 SM Hoge Raad der Nederlanden Arrest op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 23 april 1998 alsmede tegen alle op de terechtzitting van dit Hof gegeven beslissingen in de strafzaak tegen: [verzoeker] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1948, wonende te [woonplaats]. 1. De bestreden einduitspraak Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Politierechter in de Arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage van 25 maart 1997 en een vonnis van de Arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage van 11 september 1997 - de verdachte vrijgesproken van het hem bij inleidende dagvaarding onder 3 tenlastegelegde en hem voorts ter zake van 1., 2., 4. en 5. ''feitelijke aanranding van de eerbaarheid, meermalen gepleegd" veroordeeld tot zes maanden gevangenisstraf, voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, alsmede tot het verrichten van onbetaalde arbeid ten algemenen nutte voor de duur van tweehonderdveertig uren, in plaats van zes maanden gevangenisstraf. Voorts heeft het Hof de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1] en van de beledigde partijen [benadeelde 2] en [benadeelde 3] niet-ontvankelijk verklaard, de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2] gedeeltelijk toegewezen en voor het overige niet-ontvankelijk verklaard en de vordering van de beledigde partij [benadeelde 4] gedeeltelijk toegewezen met afwijzing van het overige, alles in voege als in het arrest vermeld. 1.2. Het verkorte arrest en de aanvulling daarop als bedoeld in art. 365a, tweede lid, Sv zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit. 2. Geding in cassatie Het beroep, dat zich kennelijk niet richt tegen de gegeven vrijspraak, is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr M.L. Groen, advocaat te Waddinxveen, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De Advocaat-Generaal Jörg heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep. 3. Beoordeling van het eerste, het derde en het vierde middel 3.1. De middelen klagen erover dat de bewezenverklaring van de feiten 1, 3 (naar de Hoge Raad begrijpt: 2) en 4, voorzover inhoudende dat de verdachte de slachtoffers heeft gedwongen tot het ondergaan van de bewezenverklaarde ontuchtige handelingen, niet naar de eis der wet met redenen is omkleed, aangezien de gebezigde bewijsmiddelen niets behelzen waaruit kan worden afgeleid dat bij de verdachte het opzet bestond om de slachtoffers tegen hun wil die handelingen te laten ondergaan. 3.2. Bij de beoordeling van de middelen moet worden vooropgesteld dat van "door een feitelijkheid dwingen tot het plegen of dulden van ontuchtige handelingen" als bedoeld in art. 246 Sr slechts sprake kan zijn indien de verdachte door die feitelijkheid opzettelijk heeft veroorzaakt dat het slachtoffer die handelingen tegen zijn/haar wil heeft ondergaan. 3.3. Op bladzijde 4 van de bijlage bij het verkorte arrest heeft het Hof in een nadere bewijsoverweging geoordeeld dat de verdachte telkens het aanmerkelijke risico nam dat zijn handelingen tegen de wil van de slachtoffers plaatsvonden. De Hoge Raad verstaat het oordeel van het Hof aldus dat het daarmee tot uitdrukking heeft gebracht dat de verdachte zich telkens willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat de handelingen tegen de wil van de slachtoffers plaatsvonden. Het Hof heeft dit ook uit de gebezigde bewijsmiddelen kunnen afleiden, die dienaangaande inhouden: (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.