← Nederland

ECLI:NL:HR:1999:ZD1522

21 september 1999 Strafkamer nr. 110.975 AB Hoge Raad der Nederlanden Arrest op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Amsterdam van 27 mei 1998 in de strafzaak tegen: [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1964, wonende te [plaats]. 1. De bestreden uitspraak Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Arrondissementsrechtbank te Utrecht van 12 april 1996 - de verdachte ter zake van feit 1 vrijgesproken en hem ter zake van 2. "met iemand, die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren heeft bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen plegen die mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, meermalen gepleegd" veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van één jaar en zes maanden. 2. Geding in cassatie Het beroep - dat zich kennelijk niet richt tegen de gegeven vrijspraak - is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr G. Spong, advocaat te 's-Gravenhage, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De Advocaat-Generaal Van Dorst heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad het beroep zal verwerpen. 3. Beoordeling van het eerste middel 3.1. Het middel klaagt over de ongenoegzame motivering van de verwerping van het verweer dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn vervolging wegens het ontbreken van een toereikende klacht. 3.2. Het in het middel bedoelde verweer is in het arrest van het Hof als volgt weergegeven. "De raadsman heeft ter terechtzitting in "hoger beroep aangevoerd dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging van het onder 2 telastegelegde. Hij heeft daartoe - zakelijk weergegeven - gesteld primair dat de aangifte van de kinderrechter, die zich met betrekking tot dit feit in het dossier bevindt, niet een klacht oplevert als bedoeld in de artikelen 64 e.v. van het Wetboek van Strafrecht, subsidiair dat, mocht het hof hier anders over oordelen, deze klacht niet door een klachtgerechtigde als bedoeld in artikel 65 van het Wetboek van Strafrecht is geschied en meer subsidiair dat de klacht niet is ingediend binnen de toendertijd geldende termijn van drie maanden". Het Hof heeft dienaangaande als volgt overwogen en beslist. "Blijkens het proces-verbaal mutatienummer PL00930/94-008480, op 22 februari 1994 in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 1] heeft [zus verdachte] toen verklaard: "Ik vind dat mijn broer [verdachte] gestraft moet worden". Deze verklaring, gezien in het licht van hetgeen daarover ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep is verklaard door [verbalisant 1] voornoemd en ter terechtzitting in hoger beroep is verklaard door zijn collega [verbalisant 2] , die bij voormeld verhoor van [zus verdachte] aanwezig is geweest, is naar het oordeel van het hof een genoegzame klacht als bedoeld in artikel 245 lid 2 van het Wetboek van Strafrecht. In het bijzonder is ook gebleken dat [zus verdachte] voldoende begreep waarover het ging. Blijkens het bepaalde in het vierde lid van artikel 245 van het Wetboek van Strafrecht was [zus verdachte] , hoewel destijds nog geen zestien jaren oud, zelf tot de klacht gerechtigd (zulks in afwijking van het bepaalde in artikel 65 van het Wetboek van Strafrecht) en is deze klacht ook tijdig gedaan. Daarbij merkt het hof nog op dat de wetsgeschiedenis van artikel 245 lid 4 van het "Wetboek van Strafrecht uitwijst dat met deze bepaling bedoeld is de jeugdigen tussen twaalf en zestien jaren ook zelf (naast anderen) gerechtigd te doen zijn om de klacht in te dienen. Mitsdien wordt het verweer verworpen". 3.3. Het Hof heeft aldus vastgesteld dat: (

  1. i)het slachtoffer op grond van art. 245, vierde lid, Sv gerechtigd was tot het doen van de klacht ; (
  2. ii)deze klacht tijdig is gedaan en (iii) de verklaring van het slachtoffer een genoegzame klacht als bedoeld in art. 245, tweede lid, Sr oplevert. 3.4. In laatstgenoemde vaststelling ligt het kennelijke oordeel van het Hof besloten dat zich niet de in art. 65, eerste lid, Sr genoemde omstandigheid voordoet dat de op grond van art. 245, vierde lid, Sv gerechtigde tot het doen van de klacht lijdt aan een zodanige gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van zijn geestvermogens, dat hij niet in staat is te beoordelen of zijn belang gediend is met de klacht en de klacht derhalve door een ander dient te geschieden. In aanmerking genomen de hiervoor genoemde vaststellingen en de omstandigheid dat (
  3. i)uit de gebezigde bewijsmiddelen blijkt dat het Hof de verstandelijke vermogens van het slachtoffer heeft onderzocht; (
  4. ii)het Hof heeft vastgesteld dat het slachtoffer bij het doen van de klacht voldoende begreep waar het over ging; geeft het oordeel van het Hof dat het Openbaar Ministerie ontvankelijk is in de vervolging ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde feit, geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is het niet onbegrijpelijk. Voor een verdergaande toetsing is in cassatie geen plaats. 3.5. Het middel faalt dus. 4. Beoordeling van het tweede middel 4.1. Het middel klaagt over de motivering van de bewezenverklaring nu het Hof voor het bewijs gebruik heeft gemaakt van een proces-verbaal, inhoudende een door een kinderrechter gedane aangifte, waarvan het middel stelt dat deze in strijd met art. 28a RO is gedaan. 4.2. In het gebruik van het in het middel bedoelde proces-verbaal als bewijsmiddel ligt het kennelijke oordeel van het Hof besloten, dat geen redenen bestonden dat proces-verbaal, dat een aangifte door de kinderrechter inhoudt van het haar in haar ambtsuitoefening gebleken vermoed sexueel misbruik, wegens onrechtmatige verkrijging uit te sluiten van het bewijs. Noch uit 's Hofs arrest, noch uit de processen-verbaal van de terechtzittingen in hoger beroep kan blijken dat door of namens de verdachte een verweer is gevoerd met betrekking tot de uitsluiting van het bewijs van die aangifte door de kinderrechter in verband met de onrechtmatigheid daarvan. Het Hof was dan ook niet gehouden zijn oordeel te motiveren. Reeds hierom faalt het middel. 5. Slotsom Nu geen van de middelen tot cassatie kan leiden, terwijl de Hoge Raad ook geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak, voorzover aan zijn oordeel onderworpen, ambtshalve zou behoren te worden vernietigd moet het beroep worden verworpen. 6. Beslissing De Hoge Raad verwerpt het beroep. Dit arrest is gewezen door de vice-president Haak als voorzitter, en de raadsheren Orie en Balkema, in bijzijn van de griffier Bakker, en uitgesproken op 21 september 1999.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.