← Nederland

ECLI:NL:HR:1999:ZD1527

21 september 1999 Strafkamer nr. 111.101 E SM Hoge Raad der Nederlanden Arrest op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Arnhem, Economische Kamer, van 10 november 1997 alsmede tegen het tussenarrest van 4 augustus 1997 en alle op de terechtzitting van dit Hof gegeven beslissingen in de strafzaak tegen: [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1945, zonder vaste woon- of verblijfplaats hier te lande. 1. De bestreden einduitspraak 1.1. Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Economische Politierechter in de Arrondissementsrechtbank te Zwolle van 3 september 1996 - de verdachte ter zake van 1. "overtreding van een voorschrift gesteld krachtens artikel 1 van de Rijtijdenwet 1936", 2. "overtreding van een voorschrift gesteld krachtens artikel 1 van de Rijtijdenwet 1936", 3a. "overtreding van het krachtens de Rijtijdenwet 1936 in artikel 11, eerste lid van het Rijtijdenbesluit bepaalde" en 3b. "overtreding van het krachtens de Rijtijdenwet 1936 in artikel 11, eerste lid van het Rijtijdenbesluit bepaalde" veroordeeld ten aanzien van feit 1. tot een geldboete van driehonderd gulden, subsidiair zes dagen hechtenis, ten aanzien van feit 2. tot een geldboete van achthonderd gulden, subsidiair zestien dagen hechtenis, ten aanzien van feit 3a. tot een geldboete van tweeduizend gulden, subsidiair veertig dagen hechtenis en ten aanzien van feit 3b. tot een geldboete van tweeduizend gulden, subsidiair veertig dagen hechtenis. 1.2. Het verkorte arrest en de aanvulling daarop als bedoeld in art. 365a, tweede lid, Sv, zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit. 2. Geding in cassatie Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr H.G. Ruis, advocaat te Zwolle, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De waarnemend Advocaat-Generaal Keijzer heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad het bestreden arrest zal vernietigen doch uitsluitend ten aanzien van de bedragen der opgelegde geldboeten, deze bedragen zal vervangen door lagere en het beroep voor het overige zal verwerpen. De conclusie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. 3. Beoordeling van de bestreden uitspraak naar aanleiding van het eerste middel en ambtshalve 3.1. Het middel klaagt dat het Hof het verkorte arrest in strijd met het bepaalde in art. 365a, tweede en derde lid, Sv niet binnen vier maanden na het aanwenden van het beroep in cassatie met bewijsmiddelen heeft aangevuld. Het middel verbindt daaraan de gevolgtrekking dat het bestreden arrest dient te worden vernietigd. 3.2. Blijkens de daarvan opgemaakte akte is het cassatieberoep ingesteld op 24 november 1997. De aanvulling op het verkorte arrest is gedateerd op 11 september 1998. Blijkens een op de inventaris van de stukken gesteld stempel zijn deze op 16 september 1998 bij de Hoge Raad ingekomen. De zaak is ter terechtzitting van de Hoge Raad van 23 maart 1999 voor de eerste maal behandeld. 3.3. Naar volgt uit hetgeen onder 3.2 is overwogen is de in art. 365a, derde lid, Sv voorgeschreven termijn, die in deze zaak vier maanden bedraagt, niet in achtgenomen. Zoals de Hoge Raad heeft geoordeeld in zijn arrest van 24 maart 1998, NJ 1998, 557, leidt dat niet tot nietigheid. Daarop stuit de in het middel vervatte klacht af. 3.4. In aanmerking genomen: (

  1. a)dat tussen het tijdstip waarop het cassatieberoep is ingesteld en dat waarop de stukken van het geding ter griffie van de Hoge Raad zijn ontvangen ruim negen maanden zijn verstreken, hetgeen ertoe heeft geleid dat de zaak eerst ter terechtzitting van de Hoge Raad heeft gediend nadat bijna zestien maanden na het instellen van het beroep waren verstreken en (
  2. b)dat niet is gebleken van bijzondere omstandigheden die een tijdsverloop van ruim negen maanden zouden kunnen rechtvaardigen, moet worden geoordeeld dat de behandeling van de zaak niet heeft plaatsgevonden binnen een redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM. 3.5. Afweging van enerzijds het belang dat de gemeenschap ook na overschrijding behoudt bij normhandhaving door berechting en anderzijds het belang dat de verdachte heeft bij verval van het recht tot strafvervolging nadat die termijn is overschreden leidt tot het oordeel dat vermindering moet plaatsvinden van de opgelegde geldboeten en van de duur van de vervangende hechtenis. 4. Beoordeling van het tweede en het derde middel 4.1. Het tweede middel klaagt over de motivering van het bewezenverklaarde. Het derde middel strekt ten betoge dat het Hof zijn beslissing op een in hoger beroep gedaan beroep op de strafuitsluitingsgrond bedoeld in het tweede lid van art. 3 Rijtijdenwet 1936 ontoereikend heeft gemotiveerd. 4.2. De middelen falen op de daartoe in de conclusie van de waarnemend Advocaat-Generaal uiteengezette gronden. 5. Beoordeling van het vierde middel 5.1. Het vierde middel komt op tegen hetgeen het Hof op blz. 3 onder 3 van het verkorte arrest heeft geoordeeld omtrent een in hoger beroep gevoerd verweer dat door het Hof is samengevat op blz. 2 sub 3 van dat arrest. Het middel bevat de klacht dat het Hof is uitgegaan van een onjuiste opvatting van het begrip "diensttijd" als bedoeld in art. 2, aanhef en onder f, Rijtijdenbesluit. 5.2.1.Art. 2 Rijtijdenbesluit houdt voorzover hier van belang in: "Voor de toepassing van dit Besluit wordt verstaan onder: a. bemanningslid: een bestuurder, bijrijder of conducteur; ( . . . ) j. rijtijd: de tijd gedurende welke een bemanningslid een autobus, vrachtauto of taxi bestuurt ; ( . . . ) f. diensttijd: de rijtijd, de pauzes en de tijd waarin een bemanningslid niet vrij over zijn tijd kan beschikken; ( . . . ) " . 5.2.2. In de Nota van Toelichting op het Rijtijdenbesluit (Besluit van 21 september 1977, Stb. 1977, 547, houdende vervanging van het Rijtijdenbesluit 1971) wordt het begrip "diensttijd" omschreven als: "het totale tijdsverloop tussen het begin en het einde van de dagtaak". 5.3. Het in het middel aangevallen oordeel van het Hof houdt in dat "diensttijd" in de zin van genoemde bepaling niet is beperkt tot de tijd dat een bemanningslid daadwerkelijk als bestuurder, bijrijder of conducteur fungeert, maar mede de tijd kan omvatten waarin dat bemanningslid andere werkzaamheden in dienst van zijn werkgever verricht. Dat oordeel is juist. Het strookt immers met de hiervoor onder 5.2 weergegeven tekst en toelichting van de in aanmerking komende bepalingen terwijl het, anders dan het middel betoogt, voorts in overeenstemming is met het doel en de strekking van de Rijtijdenwet 1936. Die wet heeft immers, naar volgt uit de in de conclusie van de waarnemend Advocaat-Generaal onder 26 weergegeven considerans, ten doel zowel uit een oogpunt van arbeidsbescherming als ter bevordering van de veiligheid van het verkeer oververmoeidheid van bestuurders van motorrijtuigen tegen te gaan. 5.4. Het middel faalt dus. 6. Slotsom Nu de Hoge Raad geen andere dan de hiervoor onder 3.4 vermelde grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, brengt het vorenoverwogene mee dat als volgt moet worden beslist. 7. Beslissing De Hoge Raad: Vernietigt de bestreden uitspraak, doch uitsluitend voor wat betreft de hoogte van de opgelegde geldboeten van respectievelijk f 300,-, f 800,-, f 2000, - ( feit 3a) en f 2000, - ( feit 3b) en de duur van de vervangende hechtenis van respectievelijk zes, zestien, veertig en veertig dagen ; Vermindert de bedragen van de opgelegde geldboeten tot bedragen van respectievelijk f 270,-, f 720,-, f 1800, - (feit 3a) en f 1800, - ( feit 3b) en bepaalt de duur van de vervangende hechtenis op respectievelijk vijf, veertien, zesendertig en zesendertig dagen; Verwerpt het beroep voor het overige. Dit arrest is gewezen door de vice-president Davids als voorzitter, en de raadsheren Koster en Aaftink, in bijzijn van de waarnemend-griffier Mos, en uitgesproken op 21 september 1999.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.