21 september 1999 Strafkamer nr. 110.873 AB Hoge Raad der Nederlanden Arrest op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Amsterdam van 29 mei 1998 in de strafzaak tegen: [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1971, wonende te [plaats].
- De bestreden uitspraak 1.
- Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Politierechter in de Arrondissements- rechtbank te Utrecht van 26 mei 1997 - de Officier van Justitie niet-ontvankelijk verklaard in zijn strafvervolging. 1.
- De bestreden uitspraak is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
- Geding in cassatie Het beroep is ingesteld door de Procureur-Generaal bij het Hof. Deze heeft een schriftuur met een middel van cassatie ingediend. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. Bij de Hoge Raad is ingekomen een door de raadsman van verdachte, mr R.D.A. van Boom, advocaat te Utrecht, ondertekend geschrift, waarin het cassatieberoep wordt tegengesproken. De Advocaat-Generaal Machielse heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad de verdachte niet-ontvankelijk zal verklaren in zijn incidenteel cassatieberoep en de bestreden uitspraak zal vernietigen en de zaak ter berechting en afdoening zal terugwijzen naar het Gerechtshof te Amsterdam. De conclusie is aan dit arrest gehecht.
- Beoordeling van het middel 3.
- Het middel bevat de klacht dat het Hof, door aan zijn oordeel ten grondslag te leggen dat de opsporingsambtenaren bij het doen wegslepen van de auto van de verdachte ten onrechte een aan de Wegenverkeerswet 1994 ontleende bevoegdheid hebben gehanteerd, de niet-ontvankelijkverklaring van de officier van justitie in zijn strafvervolging heeft doen berusten op gronden waarvoor geen steun gevonden kan worden in de stukken van het geding, althans dat het oordeel van het Hof ondeugdelijk is gemotiveerd. 3.
- Het bestreden arrest van het Hof houdt met betrekking tot de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de strafvervolging, voorzover hier van belang, het volgende in: "Artikel 160 van de Wegenverkeerswet 1994 geeft de in artikel 159 bedoelde opsporingsambtenaren de bevoegdheid controle en toezichthoudende bevoegdheden uit te oefenen met het oog op de naleving van de bij of krachtens deze wet gestelde voorschriften. Blijkens het verhandelde ten tijde van de terechtzitting op 16 mei 1997 voor de politierechter te Utrecht heeft [getuige] , opsporingsambtenaar, onder meer verklaard dat "veel woninginbraken door Slavische mensen worden gepleegd in de politieregio Utrecht. ( ... ) We werden ingehaald door een ( ... ) auto met donkere inzittenden, mogelijk van Slavische afkomst. We besloten over te gaan tot controle op grond van de Wegenverkeerswet". Nadat enkele personen waren weggerend hebben de opsporingsambtenaren opdracht gegeven de auto die zij hadden gezien weg te takelen naar een opslagterrein. Daarbij hebben zij, naar het hof begrijpt, de bevoegdheden als bedoeld in artikel 160, vierde lid van de Wegenverkeerswet 1994 uitgeoefend. Uit deze verklaring kan geen andere conclusie worden getrokken dan dat de opsporingsambtenaren bevoegdheden die hen zijn toegekend krachtens de Wegenverkeerswet 1994, hebben aangewend met het oog op de opheldering van diefstallen in de politieregio Utrecht. Aldus is de uitoefening van bevoegdheden kennelijk aangewend voor een ander doel dan waarvoor deze zijn gegeven. Nu ook overigens het hof niet is gebleken dat er enig redelijk vermoeden aan enig strafbaar feit ten aanzien van deze verdachten aanwezig kon zijn - het rijden van Slavisch uitziende mensen is daartoe onvoldoende - ontbrak elke bevoegdheid verdachte aan te houden. Het hof acht deze handelwijze een dermate ernstige schending van het vertrouwen dat de burger mag stellen in een richtige uitoefening van bevoegdheden door overheidsfunctionarissen dat - nu de officier van justitie verantwoordelijk moet worden geacht voor de handelwijze van de opsporingsambtenaren en deze kennelijk voor zijn rekening nam - de schending behoort te leiden tot het verval van het recht van strafvervolging. Het hof zal de officier van justitie dan ook niet ontvankelijk verklaren in zijn strafvervolging" . 3.3.
- Ter terechtzitting van de Politierechter van 26 mei 1997 heeft de [getuige] , brigadier van politie regio Utrecht, district Binnensticht, voorzover hier van belang, verklaard hetgeen onder 4.2 van de conclusie van de Advocaat-Generaal is weergegeven. 3.3.
- Bij de aan de Hoge Raad toegezonden stukken bevindt zich een proces-verbaal van de Politie Regio Utrecht, district Heuvelrug, dossiernummer PLO950/97- 000238, dat onder meer inhoudt : "- dat de gebeurtenissen op 15 december 1996, waarover [getuige] voornoemd ter terechtzitting in eerste aanleg heeft verklaard, om omstreeks 20.55 uur een aanvang hebben genomen; - dat zich zichtbaar op de achterbank van de auto een videorecorder, een videocamera, een schaalmodel van een Ferrari en 2 bruine leren jassen bevonden". 3.3.
- Bij de aan de Hoge Raad ingezonden stukken bevindt zich tevens een door de opsporingsambtenaar [getuige] voornoemd ondertekende "Kennisgeving van inbeslagneming" die inhoudt dat de auto van de verdachte op 15 december 1996 om 20.55 uur in beslag genomen is. 3.3.
- De hiervoor genoemde - ter terechtzitting in eerste aanleg afgelegde - verklaring van [getuige] houdt ten aanzien van het wegslepen van de auto van de verdachte onder meer het volgende in: "Een door ons gebeld takelbedrijf heeft de achtergelaten auto om 22.45 uur weggesleept ( . . . ) " . 3.
- Het vorenoverwogene in aanmerking genomen - en mede gelet op het verhandelde ter zitting in eerste aanleg en in hoger beroep en op de inhoud van de overige gedingstukken - is 's Hofs oordeel dat aan het aanvankelijke voornemen van de verbalisanten om tot de uitoefening van controlebevoegdheden over te gaan uitvoering was gegeven en ook het doen wegslepen van de auto van de verdachte van die uitvoering deel uitmaakte niet begrijpelijk. Dat brengt mee dat de bestreden uitspraak niet naar behoren is gemotiveerd. 3.
- Het middel is dus terecht voorgesteld.
- Slotsom Hetgeen hiervoor is overwogen brengt mee dat de bestreden uitspraak niet in stand kan blijven en beslist moet worden als volgt.
- Beslissing De Hoge Raad vernietigt de bestreden uitspraak en wijst de zaak terug naar het Gerechtshof Amsterdam opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan. Dit arrest is gewezen door de vice-president Haak als voorzitter, en de raadsheren Bleichrodt en Orie, in bijzijn van de griffier Bakker, en uitgesproken op 21 september 1999.