19 oktober 1999 Strafkamer nr. 111.275 AB Hoge Raad der Nederlanden Arrest op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Arnhem van 13 november 1997 alsmede tegen alle op de terechtzitting van dit Hof gegeven beslissingen in de strafzaak tegen: [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1949, wonende te [plaats]. 1. De bestreden einduitspraak 1.1. Na verwijzing van de zaak door de Hoge Raad bij arrest van 16 september 1996, heeft het Hof in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Arrondissementsrechtbank te Maastricht van 27 april 1994 - de verdachte ter zake van 1. "deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven", 2. "het medeplegen van: opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, eerste lid, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod; meermalen gepleegd" en 3. "opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, eerste lid, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod" veroordeeld tot twee jaren gevangenisstraf, met onttrekking aan het verkeer zoals in het arrest omschreven. 1.2. Het arrest van het Hof is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. 2. Geding in cassatie Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr D. Moszkowicz, advocaat te 's-Hertogenbosch, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De Hoge Raad heeft kennis genomen van een na de terechtzitting waarop de conclusie van de Advocaat-Generaal is genomen nog ingekomen brief van de raadsman van de verdachte, gedateerd 8 september 1999. De Advocaat-Generaal Van Dorst heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad de bestreden uitspraak zal vernietigen, doch uitsluitend ten aanzien van de strafoplegging, met vermindering van de straf in de mate als de Hoge Raad geraden voorkomt en tot verwerping van het beroep voor het overige. 3. Beoordeling van het eerste, derde, vierde en het vijfde middel en de eerste klacht van het tweede middel De middelen en de klacht kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 101a RO, geen nadere motivering nu de middelen en de klacht niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling. 4. Beoordeling van de tweede klacht van het tweede middel 4.1. Het middel bevat als tweede de klacht dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard in zijn vervolging, omdat - gelet op de periode die tussen de bestreden uitspraak en de behandeling in cassatie is verstreken - de redelijke termijn hernieuwd is overschreden. 4.2. De verdachte, die niet in voorlopige hechtenis verkeert, heeft op 21 november 1997 beroep in cassatie ingesteld. Blijkens een op de inventaris van de stukken geplaatst stempel zijn deze op 6 oktober 1998 ter griffie van de Hoge Raad binnengekomen. De zaak is ter terechtzitting van de Hoge Raad van 20 april 1999 voor de eerste maal behandeld. In aanmerking genomen: (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.