← Nederland

ECLI:NL:HR:1999:ZD5879

19 oktober 1999 Strafkamer nr. 111.346 AB Hoge Raad der Nederlanden Arrest op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Amsterdam van 25 mei 1998 in de strafzaak tegen: [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1938, wonende te [plaats].

  1. De bestreden uitspraak 1.
  2. Het Hof heeft het openbaar ministerie niet-ontvankelijk verklaard in de vervolging van verdachte voorzover dit betreft de feiten die in de periode van 9 juni 1988 tot 17 juni 1991 zouden zijn gepleegd en heeft voorts in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Arrondissementsrechtbank te Amsterdam van 1 juli 1991 - de verdachte ter zake van "in strijd met de waarheid enig gegeven verzwijgen, met het oogmerk om aldus voor zichzelf of voor degene voor wie hij optrad bijstand of hogere bijstand te verkrijgen dan wel te behouden, meermalen gepleegd" veroordeeld tot het verrichten van tweehonderdveertig uren onbetaalde arbeid ten algemenen nutte, in plaats van zes maanden gevangenisstraf. 1.
  3. Het verkorte arrest is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
  4. Geding in cassatie Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr J.P. Plasman, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De Advocaat-Generaal Machielse heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad de bestreden uitspraak zal vernietigen doch uitsluitend voorzover daarbij art. 84e (oud) Bijstandswet niet is vermeld als bepaling waarop de straf mede berust, en het beroep voor het overige zal verwerpen.
  5. Beoordeling van de middelen De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 101a RO, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
  6. Ambtshalve beoordeling van de bestreden uitspraak De door het Hof bewezenverklaarde feiten zijn, blijkens die bewezenverklaring gedeeltelijk vóór 1 september 1992 gepleegd. Tot die datum waren de bewezenverklaarde feiten, gekwalificeerd zoals hiervoor onder 1 weergegeven, strafbaar gesteld in art. 84e (oud) van de Algemene Bijstandswet. Het Hof heeft verzuimd deze bepaling te vermelden bij de toepasselijke wettelijke bepalingen. De Hoge Raad zal, met vernietiging van de bestreden uitspraak in zoverre, doen wat het Hof had behoren te doen.
  7. Slotsom Nu geen van de middelen tot cassatie kan leiden, terwijl de Hoge Raad geen andere grond dan hiervoor onder 4 aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak - voorzover aan zijn oordeel onderworpen - ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, moet als volgt worden beslist.
  8. Beslissing De Hoge Raad: Vernietigt de bestreden uitspraak doch uitsluitend voorzover daarbij niet art. 84e (oud) van de Algemene Bijstandswet is vermeld als wettelijke bepaling waarop de straf mede berust ; Vermeldt als wettelijke bepaling waarop de straf mede berust art. 84e (oud) van de Algemene Bijstandswet; Verwerpt het beroep voor het overige. Dit arrest is gewezen door de vice-president Haak als voorzitter, en de raadsheren Bleichrodt en Corstens, in bijzijn van de griffier Bakker, en uitgesproken op 19 oktober 1999.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.