15 februari 2000 Strafkamer nr. 111986 Hoge Raad der Nederlanden Arrest op het beroep in cassatie tegen een bij verstek gewezen arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 23 september 1998 alsmede tegen alle op de terechtzitting van dit Hof gegeven beslissingen in de strafzaak tegen: [Verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum], wonen-de te [woonplaats]. 1. De bestreden einduitspraak Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een bij verstek gewezen vonnis van de Arrondissements-rechtbank te Middelburg van 6 november 1997 - de verdach-te vrijgesproken van het hem bij inleidende dagvaarding onder 1 primair, subsidiair en meer subsidiair en 2 primair tenlastegelegde en hem voorts ter zake van 2. subsidiair “medeplegen van opzetheling" en 3. "diefstal, door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak en van valse sleutels" veroordeeld tot twaalf maanden gevangenisstraf met verbeurdverklaring en beslissing-en omtrent de vordering van de benadeelde partij zoals in het arrest omschreven. 2. Geding in cassatie Het beroep B dat zich kennelijk niet richt tegen de gegeven vrijspraken - is ingesteld door de verd-achte. Namens deze heeft mr A.H.J. Neels, advocaat te Vlissingen, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De Advocaat-Generaal Fokkens heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad de bestreden uitspraak zal vernie- tigen voorzover daarbij de bewaring ten behoeve van de rechthebbende is gelast van een BMW M5 en dat de zaak zal worden verwezen naar een aangrenzend hof teneinde in zoverre op het bestaande hoger beroep te worden berecht en afgedaan en dat het beroep voor het overige zal worden verworpen. 3. Beoordeling van het eerste middel 3.1. In het middel wordt erover geklaagd dat het Hof ten onrechte het beroep op de niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie in zijn vervolging heeft verworpen. 3.2. In het bestreden arrest heeft het Hof het ter terechtzitting in hoger beroep gedane beroep op de niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie in zijn vervolging als volgt samengevat en verworpen: "De raadsman voert het preliminaire verweer strekkende tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in verband met een ernstige schending van de beginselen van de goede procesorde. Hij voert daartoe B kort gezegd B aan dat het ontoelaatbaar is dat de rechtbank de vordering van de officier van justitie tot verlenging van de termijn voor de dagvaarding op grond van artikel 244 lid 2 van het Wetboek van Strafvordering, aldus heeft gelezen dat bedoeld was toepassing te geven aan artikel 255 "lid 4 van het Wetboek van Strafvordering. De vordering is aldus volgens de raadsman een geheel andere rechtsgrond gaan behelzen en er had niet beslist mogen worden zonder de niet in de raadkamer verschenen verdachte en zijn raadsman hierover voorafgaand schriftelijk te informeren. Het hof verwerp dit verweer. De stelling dat het de rechtbank niet vrijstond zonder nadere informatie en de nieuwe oproeping van de verdachte en zijn raadsman de vordering te transformeren in een vordering tot het stellen van een nieuwe termijn op grond van artikel 255 lid 4 van het Wetboek van Strafvor-dering vindt geen steun in het recht. Dat de verdachte en zijn raadsman, hoewel hiervan op de hoogte, niet in raadkamer zijn verschenen komt voor hun risico. In casu is er derhalve geen sprake van een ernstige schending van de goede procesorde. Het openbaar ministerie is dan ook ontvankelijk in zijn vervolging". 3.3. Een rechterlijke beslissing blijft in de regel in stand tenzij zij wordt vernietigd door een hogere instantie. Nu genoemde beschikking van de Rechtbank niet door een hogere instantie is vernietigd, moet van de juistheid van die beschikking worden uitgegaan. Een beoordeling van de juistheid van die beschikking door het Hof, zoals blijkens het gevoerde verweer door de verdachte verlangd, zou in strijd zijn met een goede procesorde. Daarom heeft het Hof het beroep op de niet-ontvankelijkheid van het Open-baar Ministerie in zijn vervolging terecht verworpen. 3.4. Het middel faalt derhalve. 4. Beoordeling van de tweede klacht van het vierde middel 4.1. De tweede klacht van het middel houdt in dat uit de bewijsmiddelen niet kan worden afgeleid dat de onder 3 bewezenverklaarde diefstal zou hebben plaatsgevonden door middel van braak en van valse sleutels. 4.2. Het Hof heeft, voorzover voor de beoordeling van het middel van belang, bewezenverklaard dat de verd-achte en zijn mededader: "(...) het weg te nemen goed onder hun bereik hebben gebracht door middel van braak van (een) portierslot(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.