19 mei 2000 Eerste Kamer Nr. C96/323HR (16.505) Hoge Raad der Nederlanden Arrest in de zaak van: [Verhuurster], wonende te [woonplaats A], EISERES tot cassatie, advocaat: mr W.B. Teunis, t e g e n [Huurder], wonende te [woonplaats B], Bondsrepubliek Duitsland, VERWEERDER in cassatie, niet verschenen. 1.Het geding in feitelijke instanties Verweerder in cassatie - verder te noemen: [huurder] - heeft bij exploit van 17 december 1993 eiseres tot cassatie - verder te noemen: [verhuurster] - gedagvaard voor de Kantonrechter te Amersfoort en na wijziging van eis gevorderd: 1. voor recht te verklaren dat de ingevolge het Besluit Huurprijzen Woonruimte tenminste redelijke huurprijs van de door [huurder] gehuurde woonruimte aan de [adres] te [woonplaats C] ƒ 271,76 bedraagt; 2. [verhuurster] te veroordelen om aan [huurder] binnen twee dagen na betekening van het te dezen te wijzen vonnis overzichten te verstrekken van de werkelijk gemaakte servicekosten, op straffe van een dwangsom van ƒ 250,-- voor iedere dag dat [verhuurster] in gebreke blijft om aan het te dezen te wijzen vonnis te voldoen; 3. [verhuurster] te veroordelen tot terugbetaling van het door [huurder] onverschuldigd betaalde verschil tussen de door hem betaalde voorschotten op de servicekosten ad ƒ 28.044,64 en de werkelijk gemaakte servicekosten. [Verhuurster] heeft de vorderingen bestreden. De Kantonrechter heeft bij tussenvonnis van 20 juli 1994 [verhuurster] in de gelegenheid gesteld opgave te verstrekken van kosten als bedoeld in art. 12 lid 1 van de Huurprijzenwet woonruimte met vermelding van de wijze van berekening daarvan. Bij eindvonnis van 16 november 1994 heeft de Kantonrechter de vorderingen toegewezen, zij het de vordering sub 3 tot een bedrag van ƒ 18.344,64. Tegen beide vonnissen heeft [verhuurster] hoger beroep ingesteld bij de Rechtbank te Utrecht. Bij vonnis van 27 maart 1996 heeft de Rechtbank het tussenvonnis van de Kantonrechter bekrachtigd en diens eindvonnis vernietigd voorzover [verhuurster] daarbij is veroordeeld tot betaling van een bedrag van ƒ 18.344,64; in zoverre opnieuw rechtdoende heeft de Rechtbank [verhuurster] veroordeeld om aan [huurder] te betalen een bedrag van ƒ 13.616,64 en dit eindvonnis voor het overige bekrachtigd. Het vonnis van de Rechtbank is aan dit arrest gehecht. 2.Het geding in cassatie Tegen het vonnis van de Rechtbank heeft [verhuurster] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. Tegen [huurder] is verstek verleend. De conclusie van de Advocaat-Generaal De Vries Lentsch-Kostense strekt tot vernietiging van het bestreden vonnis en tot afdoening van de zaak in voege als in de conclusie onder 17 vermeld. 3. Beoordeling van het middel 3.1Van 15 augustus 1989 tot 1 september 1993 heeft [verhuurster] de zelfstandige woonruimte aan de [adres] te [woonplaats C] aan [huurder] verhuurd voor een prijs van ƒ 850,-- per maand, in welk bedrag naast de huurprijs ook was begrepen een vergoeding voor gas, water en electriciteit. 3.2[Huurder] heeft zich, vóór 1 augustus 1994 en dus vóór de inwerkingtreding van de Wet van 16 juni 1994, Stb. 1994, 459, tot de Kantonrechter gewend en terugbetaling gevorderd van teveel betaalde servicekosten. In dat kader vorderde hij tevens vaststelling van de ingevolge het Besluit Huurprijzen Woonruimte ten minste redelijke huurprijs en veroordeling van [verhuurster] om op straffe van een dwangsom overzichten te verstrekken van de werkelijk gemaakte servicekosten. De Kantonrechter heeft - omdat [verhuurster], ofschoon daartoe bij tussenvonnis in de gelegenheid gesteld, de gevraagde overzichten niet verstrekte - in zijn eindvonnis de werkelijk gemaakte servicekosten gesteld op ƒ 200,-- per maand en ƒ 9.700,-- in totaal, en voorts voor recht verklaard dat de ten minste redelijke huurprijs ƒ 271,76 per maand bedroeg, [verhuurster] veroordeeld om
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.