ECLI:NL:HR:2000:AA6002
30 mei 2000 Strafkamer nr. 00078/99 Hoge Raad der Nederlanden Arrest op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 19 januari 1999 alsmede tegen alle op de terechtzitting van dit Hof gegeven beslissingen in de strafzaak tegen: [verdachte], geboren te [geboorteplaats] (Oostenrijk) op [geboortedatum] 1982, wonende te [woonplaats].
1.2. De bestreden uitspraak is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal Machielse heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
4.2. Het Hof heeft bij de oplegging van de straf en de maatregel toepassing gegeven aan art. 77a Sr.
Het heeft aan de verdachte onder meer de maatregel tot schadevergoeding opgelegd als voorzien in art. 77h, vierde lid onder d, Sr.
Het Hof heeft op blz. 9 van het bestreden arrest verantwoording afgelegd van zijn oordeel dat de wet ten aanzien van die maatregel de mogelijkheid biedt tot het opleggen van vervangende jeugddetentie. Dat oordeel wordt in het middel bestreden.
4.3. Titel VIIIA van het eerste boek van het Wetboek van Strafrecht bevat bijzondere bepalingen voor jeugdige personen, die in de plaats treden van de in art. 77a genoemde bepalingen van het Wetboek van Strafrecht.
Zo behelst art. 77l Sr bepalingen ten aanzien van vervangende jeugddetentie, die in de plaats treden van de regeling van de vervangende hechtenis in art. 24c Sr, welk artikel in art. 77a Sr van toepassing is uitgesloten.
Ingevolge art. 77h, vierde lid onder d, Sr kan ten aanzien van de in art. 77a bedoelde personen de maatregel tot schadevergoeding worden opgelegd.
Ten aanzien van de oplegging van die maatregel geldt hetgeen in art. 36f Sr is bepaald, nu dat artikel in art. 77a Sr niet van toepassing is uitgesloten.
Het zesde lid van art. 36f Sr, zoals dat luidde ten tijde van het bewezenverklaarde feit, verklaart art.
24c Sr van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de verplichting ingevolge de maatregel tot schadevergoeding ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.
4.4. Gelet op genoemd samenstel van bepalingen brengt redelijke, aan de bedoeling van de wetgever beantwoordende uitleg van art. 36f, zesde lid (oud), Sr mee, dat in geval van oplegging van de maatregel tot schadevergoeding als bedoeld in art. 77h, vierde lid onder d, Sr niet art. 24c Sr, maar art. 77l Sr van overeenkomstige toepassing is.
Dat vindt bevestiging in de omstandigheid dat bij Wet van 28 januari 1999 (Herstel van wetstechnische gebreken en leemten in diverse wetten (...) Reparatiewet I, Stb. 1999, 30) art. 36f, zesde lid (oud), Sr in die zin is aangevuld dat daarin met zoveel woorden ook het tweede tot en met het zesde lid van art. 77l Sr van overeenkomstige toepassing zijn verklaard.
4.5. Uit het voorgaande volgt dat het in het middel aangevallen oordeel van het Hof juist is, zodat het middel faalt.
Dit arrest is gewezen door de vice-president W.J.M. Davids als voorzitter, en de raadsheren F.H. Koster, G.J.M. Corstens, H.A.M. Aaftink en A.J.A. van Dorst, in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, en uitgesproken op 30 mei 2000.