Nr. 34633 21 juni 2000 gewezen op het beroep in cassatie van Stichting X te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam van 3 juli 1998 betreffende de haar voor het jaar 1995 opgelegde aanslagen in de onroerendezaakbelastingen en rioolrechten van de gemeente Utrecht.
(1994)respectievelijk 229b (vanaf 1 januari 1995) van de Gemeentewet afzonderlijk moeten worden beoordeeld (HR 20 september 1995, nr. 30567, BNB 1995/315 en HR 15 juli 1996, nr. 30845, BNB 1996/331). Het Hof heeft die beoordeling met betrekking tot het in geding zijnde aansluitrecht uitgevoerd in de onderdelen 6.4.5 en 6.4.6 van zijn uitspraak, uitmondende in zijn oordeel (6.4.7) dat het gelijk op dit punt is aan de Inspecteur. Hetgeen het Hof daarnaast omtrent dit geschilpunt heeft overwogen draagt die beslissing niet, zodat het tegen onderdeel 6.4.3 gerichte zesde cassatiemiddel bij gebrek aan belang niet kan slagen. 3.7 Indien een gemeente, zoals in het onderhavige geval, naast elkaar de eigenaar en de gebruiker belast, ligt het in de rede dat, aangezien de mate van het genot voor de eigenaar ten opzichte van dat voor de gebruiker moeilijk is te kwantificeren, de gemeente een zekere vrijheid heeft bij de beantwoording van de vraag welk deel van de rioleringskosten zij wil dekken door middel van de eigenaarsheffing en welk deel door middel van de gebruikersheffing. Een strikt onderscheid in die zin dat alleen investeringskosten mogen worden gedekt door de eigenaarsheffing en alleen exploitatiekosten door de gebruikersheffing, is daarbij niet geboden (vgl. HR 31 maart 1999, nr. 33427, BNB 1999/221). Het vijfde middel, dat kennelijk van een andere opvatting uitgaat, faalt derhalve. 3.8 Het Hof heeft in onderdeel 6.4.
- geoordeeld dat de gemeente de lasten van het rioolstelsel op een redelijke wijze over de belastingplichtigen voor het aansluit- en het afvoerrecht heeft verdeeld, en in onderdeel 6.5 dat het niet onredelijk of willekeurig is dat de gemeente het gebruik van de gemeentelijke riolering vanuit eigendommen van waaruit jaarlijks een beperkte hoeveelheid afvalwater wordt geloosd, op forfaitaire wijze naar een vast tarief met rioolrecht belast bij één groep van de daarvoor in aanmerking komende gebruikers, te weten de genothebbenden van die eigendommen krachtens eigendom, bezit of beperkt recht. Hierin ligt besloten het oordeel dat de gemeente de vrijheid die zij heeft bij de beantwoording van de vraag welk deel van de rioleringskosten zij wil dekken door de eigenaarsheffing en welk deel door de gebruikersheffing (zie hiervoor onder 3.6) niet heeft misbruikt. Voorts heeft het Hof in onderdeel 6.4.6 geoordeeld dat de voor het jaar 1995 geraamde opbrengst van ƒ 23.674.672 - welk bedrag in cassatie niet is bestreden - de voor dat jaar geraamde lasten van het aansluitrecht door het Hof vastgesteld op ƒ 24.062.418 niet overschrijden. Deze oordelen geven geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en kunnen voor het overige, als verweven met waarderingen van feitelijke aard, in cassatie niet op hun juistheid worden getoetst. Zij zijn ook niet onbegrijpelijk of ontoereikend gemotiveerd. Het zevende middel en achtste middel bestrijden deze oordelen derhalve tevergeefs. 3.9 Ook het negende middel faalt. ‘s Hofs oordeel dat voor het verschil in behandeling van enerzijds woonschepen en anderzijds andere eigendommen redenen van doelmatigheid een objectieve en redelijke rechtvaardiging vormen, is juist. 3.10 Het Hof heeft in zijn uitspraak vermeld dat ter zitting van 23 januari 1998 namens het Hoofd een pleitnota is voorgedragen en met bijlagen is overgelegd, en dat belanghebbende heeft kennis kunnen nemen van die bijlagen en zich daarover heeft kunnen uitlaten. Uit deze gang van zaken blijkt niet van benadeling van belanghebbende in haar processuele positie. Voorzover het tiende middel aanvoert dat het Hof een verzoek van belanghebbende zou hebben afgewezen om zich nader over een van de bijlagen te mogen uitlaten, mist het feitelijke grondslag, nu daarvan niet blijkt uit ‘s Hofs uitspraak. Het tiende middel faalt derhalve.
- Proceskosten De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken.
- Beslissing De Hoge Raad verwerpt het beroep. Dit arrest is op 21 juni 2000 vastgesteld door de vice-president E. Korthals Altes als voorzitter, en de raadsheren G.J. Zuurmond, A.G. Pos, D.H. Beukenhorst en L. Monné, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier A.A. Fase, en die op die datum in het openbaar uitgesproken.