← Nederland

ECLI:NL:HR:2000:AA7234

26 september 2000 Strafkamer nr. 01226/99 Hoge Raad der Nederlanden Arrest op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Arnhem van 1 februari 1999 in de strafzaak tegen: [verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1957, zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande, ten tijde van de bestreden uitspraak uit anderen hoofde verblijvende in de Penitentiaire Inrichting “Lelystad” te Lelystad.

  1. De bestreden uitspraak 1.
  2. Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een bij verstek gewezen vonnis van de Arrondissementsrechtbank te Zutphen van 15 april 1997 - de verdachte vrijgesproken van het hem bij inleidende dagvaarding onder 3 primair, 4 primair en 4 subsidiair tenlastegelegde en hem voorts ter zake van
  3. “diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van verbreking en valse sleutels”,
  4. “opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, eerste lid, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod”,
  5. “poging tot: zware mishandeling” en
  6. “handelen in strijd met artikel 2.4.16 juncto artikel 6.1 van de Algemene Plaatselijke Verordening Zutphen 1992” veroordeeld tot acht maanden gevangenisstraf, met verbeurdverklaring en onttrekking aan het verkeer zoals in het arrest omschreven. Voorts heeft het Hof de vorderingen van de benadeelde partijen toegewezen in voege als in het arrest vermeld. 1.
  7. Het bestreden arrest is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
  8. Geding in cassatie Het beroep - dat kennelijk niet is gericht tegen de gegeven vrijspraken - is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. S.J. van der Woude, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De Advocaat-Generaal Wortel heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad de bestreden uitspraak zal vernietigen, doch uitsluitend ten aanzien van de bewezenverklaring en de kwalificatie van het aan de verdachte onder 1 tenlastegelegde feit, de kwalificatie van het ten laste van de verdachte onder 3 (de Hoge Raad leest: 2) bewezenverklaarde feit, de strafoplegging en de aanhaling van de bepalingen waarop die berust, dat de Hoge Raad zal bepalen dat het onder 3 (de Hoge Raad leest: 2) bewezenverklaarde feit oplevert het misdrijf: “opzettelijk handelen in strijd met artikel 3, lid 1 onder C, Opiumwet”, dat de zaak zal worden verwezen naar een aangrenzend Gerechtshof teneinde met betrekking tot het onder 1 tenlastegelegde feit en ten aanzien van de strafoplegging opnieuw te worden berecht en afgedaan.
  9. Beoordeling van het eerste middel 3.
  10. Het middel strekt ten betoge dat het Hof het onder 2 bewezenverklaarde opzettelijk aanwezig hebben van hennepplanten ten onrechte heeft gekwalificeerd als een overtreding van een in art. 3, eerste lid onder B, van de Opiumwet gegeven verbod. 3.
  11. Het middel is gegrond. Het bewezenverklaarde levert op opzettelijk handelen in strijd met een in art. 3, eerste lid aanhef en onder C, Opiumwet gegeven verbod. De Hoge Raad zal het bestreden arrest in zoverre vernietigen en alsnog doen hetgeen het Hof had behoren te doen.
  12. Beoordeling van het tweede middel 4.
  13. Het middel behelst de klacht dat het Hof onder 4 een overtreding heeft bewezenverklaard, doch heeft verzuimd om art. 62 Sr aan te halen. In de toelichting wordt aangegeven dat er bij de strafoplegging met art. 62 Sr als bijzondere samenloopbepaling rekening had moeten worden gehouden. 4.
  14. Het Hof heeft voor de bewezenverklaarde strafbare feiten één straf opgelegd, te weten acht maanden gevangenisstraf. Het onder 4 bewezenverklaarde feit levert echter een overtreding op, zodat op grond van het bepaalde in art. 62 Sr het Hof daarvoor afzonderlijk een straf had moeten bepalen. 4.
  15. Het middel is derhalve terecht voorgesteld.
  16. Beoordeling van het derde en vierde middel De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 101a RO, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
  17. Beoordeling van het vijfde middel 6.
  18. Het gaat in deze zaak om een verdachte ten aanzien van wie - kort gezegd - onder 1 is bewezenverklaard dat hij met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening elektriciteit heeft weggenomen, waarbij de verdachte het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van verbreking en een valse sleutel. Blijkens de gebezigde bewijsmiddelen heeft het Hof vastgesteld dat de verdachte de verzegeling van de hoofdstoppenkast heeft verbroken en vervolgens op die kast kabels heeft aangesloten, zodat buiten enige meter om stroom kon worden afgetapt. 6.
  19. Het middel klaagt dat de bewezenverklaring niet toereikend is gemotiveerd voorzover het betreft het gebruik van een valse sleutel. 6.
  20. Het middel is gegrond. Uit de gebezigde bewijsmiddelen kan wel worden afgeleid dat de verdachte het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van verbreking, namelijk door de hoofdstoppenkast met verbreking van de verzegeling te openen, maar niet dat de verdachte (tevens) gebruik heeft gemaakt van een valse sleutel. Voorzover het Hof heeft geoordeeld dat het (vervolgens) aansluiten van de kabels het gebruik van een valse sleutel oplevert, getuigt zulks van een verkeerde rechtsopvatting, omdat dat aansluiten niet kan worden beschouwd als het gebruik maken van een valse sleutel ten- einde het weg te nemen goed onder het bereik van de dader te brengen.
  21. Slotsom Nu de Hoge Raad geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak, voorzover aan het oordeel van de Hoge Raad onderworpen, ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, brengt hetgeen hiervoor is overwogen mee dat als volgt moet worden beslist.
  22. Beslissing De Hoge Raad: Vernietigt de bestreden uitspraak, voorzover aan zijn oordeel onderworpen, doch uitsluitend voor wat betreft de beslissingen ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde, de kwalificatie van het bewezenverklaarde onder 2 en de strafoplegging; Kwalificeert het bewezenverklaarde onder 2 als “opzettelijk handelen in strijd met een in art. 3, eerste lid aanhef en onder C, Opiumwet gegeven verbod”; Verwijst de zaak naar het Gerechtshof te Leeuwarden opdat deze voor wat betreft het onder 1 tenlastegelegde en voor wat betreft de strafoplegging opnieuw wordt berecht en afgedaan; Verwerpt het beroep voor het overige. Dit arrest is gewezen door de vice-president C.J.G. Bleichrodt als voorzitter, en de raadsheren H.A.M. Aaftink en J.P. Balkema, in bijzijn van de waarnemend-griffier E.H. Schulten, en uitgesproken op 26 september 2000.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.