← Nederland

ECLI:NL:HR:2000:AA7235

26 september 2000 Strafkamer nr. 01978/00 U Hoge Raad der Nederlanden Arrest op het beroep in cassatie tegen een uitspraak van de Arrondissementsrechtbank te Amsterdam van 11 april 2000, parketnummer 13.99-T2-13-97218, op een verzoek van het Verenigd Koninkrijk tot uitlevering van: [de opgeëiste persoon], geboren te [geboorteplaats] (Noord-Ierland) op [geboortedatum] 1963, zonder bekende woonplaats hier te lande, ten tijde van de bestreden uitspraak gedetineerd in het Huis van Bewaring “De Schans” te Amsterdam.

  1. De bestreden uitspraak De Rechtbank heeft de gevraagde uitlevering van [de opgeëiste persoon] aan het Verenigd Koninkrijk deels toelaatbaar, deels ontoelaatbaar verklaard, één en ander zoals in de bestreden uitspraak staat omschreven. 1.
  2. De bestreden uitspraak is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
  3. Het cassatieberoep Het beroep, dat kennelijk niet is gericht tegen de bestreden uitspraak voorzover de uitlevering daarbij ontoelaatbaar is verklaard, is ingesteld door de opgeëiste persoon. Namens deze heeft mr. J.M. Sjöcrona, advocaat te ’s-Gravenhage, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De waarnemend Advocaat-Generaal Keijzer heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
  4. Beoordeling van het tweede middel 3.
  5. Het middel komt met rechts- en motiveringsklachten op tegen de verwerping door de Rechtbank van het verweer, daartoe strekkende dat de uitlevering ontoelaatbaar moet worden verklaard omdat deze een ernstig risico oplevert voor een flagrante schending van art. 6 EVRM in de na een plaatsgevonden hebbende uitlevering in Schotland te voeren procedure. 3.
  6. Blijkens het proces-verbaal van de zitting van de Rechtbank is aldaar namens de opgeëiste persoon aangevoerd, dat de aard en omvang van de publiciteit in Schotland omtrent het feit waarvoor de uitlevering is verzocht en omtrent de betrokkene, ertoe zullen leiden dat geen onpartijdige jury meer kan worden samengesteld, zodat een vervolging van de opgeëiste persoon door een “impartial tribunal” uitgesloten is en het in art. 6, eerste lid EVRM neergelegde recht op een “fair trial” zal worden geschonden. Op dezelfde gronden is aangevoerd dat sprake is van schending van art. 6, tweede lid, EVRM. 3.
  7. De Rechtbank heeft dat verweer samengevat en verworpen zoals is weergegeven op blz. 3 e.v. van haar uitspraak. 3.
  8. Bij de beoordeling van het middel moet worden vooropgesteld dat in het uitleveringsverkeer tussen Nederland en het Verenigd Koninkrijk als door het EVRM gebonden staten in beginsel moet worden uitgegaan van het vertrouwen dat de verzoekende Staat bij de vervolging en bestraffing van de opgeëiste persoon de daarop betrekking hebbende fundamentele rechten welke zijn neergelegd in het EVRM, zal respecteren. Genoemd beginsel, waarvan de Rechtbank terecht is uitgegaan, kan uitzondering lijden voor wat betreft art. 6 EVRM, indien blijkt dat de opgeëiste persoon door zijn uitlevering zou worden blootgesteld aan zodanig risico van een flagrante inbreuk op enig hem ingevolge dat artikel toekomend recht dat de ingevolge art. 1 EVRM op Nederland rustende verplichting om dat recht te verzekeren aan de nakoming van de uit het desbetreffende verdrag, hier het Europees Uitleveringsverdrag, voortvloeiende verplichting tot uitlevering in de weg staat. 3.
  9. Het oordeel van de Rechtbank dat bijzondere omstandigheden die aannemelijk maken dat de uitlevering een aanzienlijk risico zou opleveren voor een flagrante schending van het recht op een “fair trial” noch zijn gesteld, noch zijn gebleken en ook uit het rapport van Gane niet blijken, draagt de verwerping van het verweer zelfstandig. Dat oordeel moet aldus worden verstaan dat hetgeen door de opgeëiste persoon is aangevoerd en overigens is gebleken niet meebrengt dat geen sprake meer kan zijn van een eerlijke berechting, terwijl ook niet blijkt van een zodanig risico van een flagrante inbreuk op de rechten die art. 6 EVRM aan de verdachte toekent, dat dit aan de uitleveringsverplichting in de weg staat. Het vorenoverwogene in aanmerking genomen geeft dat oordeel geen blijk van een verkeerde rechtsopvatting. 3.
  10. In het licht van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting van de Rechtbank is dat oordeel niet onbegrijpelijk, in aanmerking genomen - dat de invloed van indringende negatieve perspublicaties op het vermogen van nog niet geselecteerde jury-leden om een onpartijdig oordeel te vellen afhankelijk is van een aantal onbekende factoren, en het, naar de Rechtbank klaarblijkelijk heeft geoordeeld, op voorhand niet vaststaat dat die - geruime tijd vóór een berechting plaatsgevonden hebbende - publicaties tot het in het middel bedoelde nadeel voor de verdachte leiden en dus een zodanig risico opleveren als hiervoor bedoeld; - dat het Schotse rechtssysteem, naar uit de bestreden uitspraak volgt, maatregelen van uiteenlopende aard kent om een dreigende schending van art. 6 EVRM tegen te gaan; - dat, naar de Rechtbank met haar verwijzing naar de toepassing van de “Contempt of Law (de Hoge Raad leest: “Contempt of Court”) act 1981” tot uitdrukking heeft gebracht, de Schotse autoriteiten voornemens zijn verdere publiciteit als waarvan sprake is geweest tegen te gaan, en dat de namens de opgeëiste persoon geuite kritiek op de terughoudendheid waarmee die wet voorheen zou zijn toegepast, niet de conclusie toelaat dat zij in de toekomst bij een mogelijke dreiging van inbreuk op het recht op berechting door een “impartial tribunal” niet passende maatregelen op grond van die wet zullen treffen om dat gevaar af te wenden. 3.7 Voorzover het middel, in navolging van het verweer, ook nog doelt op schending van art. 6, tweede lid, EVRM, kan het evenmin tot cassatie leiden. Nog daargelaten dat op dit punt alleen van belang zijn uitlatingen of gedragingen van publieke autoriteiten waaromtrent niets specifieks is aangevoerd, zou een uitlating van bijvoorbeeld een lid van het openbaar ministerie of een politieautoriteit welke een schending van art. 6, tweede lid, EVRM oplevert, op zichzelf niet in de weg staan aan een berechting die aan art. 6 EVRM voldoet. Beslissend is immers of het gerecht onpartijdig en onbevooroordeeld is en de regel van art. 6, tweede lid, EVRM eerbiedigt. 3.8 Het vorenoverwogene brengt mee dat het middel niet tot cassatie kan leiden.
  11. Beoordeling van het eerste middel 4.1 Het middel komt met rechts- en motiveringsklachten op tegen de afwijzing door de Rechtbank van het verzoek ter zitting van de verdediging om aanhouding van de zaak teneinde 1) op een nadere zitting Prof. C. Gane te Aberdeen als deskundige te horen en 2) die deskundige in de gelegenheid te stellen een definitief rapport te laten uitbrengen. 4.2 Het proces-verbaal van de zitting van de Rechtbank van 28 maart 2000 houdt dienaangaande het volgende in: “De raadsvrouw vraagt om aanhouding van de zaak - waartoe zij haar pleitnotities aan de rechtbank overlegt, welke als bijlage 1 aan dit proces-verbaal zijn gehecht en waarvan de inhoud als hier ingevoegd geldt - omdat zij Christopher Gane, professor of Scottosh Law aan de Universiteit van Aberdeen als deskundige ter zitting wil horen. Zulks om haar stelling te onderbouwen dat uitlevering van [de opgeëiste persoon] aan Schotland een ernstig risico zou opleveren voor een glagrante schending van het recht op een “fair trial” (artikel 6 EVRM). Die stelling houdt in dat in Schotland een overmaat aan, voor [de opgeëiste persoon] zeer negatieve krantenartikelen is verschenen en dat als gevolg daarvan geen onpartijdige jury meer is samen te stellen. Naar haar oordeel geeft het Schotse recht, en de praktische toepassing daarvan, onvoldoende waarborgen dat een aan te stellen jury onpartijdig zal zijn. De officier van justitie verzet zich ten inwilliging van het verzoek van de raadsvrouw om aanhouding van de behandeling. Na beraad deelt de voorzitter als beslissing van de rechtbank mede dat het verzoek van de raadsvrouw om aanhouding van de behandeling worden afgewezen. In het uitleveringsrecht is geen plaats voor een dergelijke algemene toetsing van het rechtsstelsel van een verzoekende staat, die immers verdragspartner is, terwijl bovendien een dergelijk onderzoek, waarbij niet zou kunnen worden volstaan met één, door de verdediging ingeschakelde deskundige, zo veel omvattend zou zijn dat het daardoor alleen al niet in een uitleveringsprocedure past. Dit zou slechts anders kunnen zijn indien in het concrete geval aanwijzingen bestaan dat een “fair trial” bij voorbaat als uitgesloten moet worden geacht. Die aanwijzingen heeft de rechtbank in het aangevoerde niet aangetroffen. 4.
  12. Maatstaf voor de beoordeling van een dergelijk verzoek is of de noodzaak van het verzochte is gebleken. De beslissing van de Rechtbank, die van de pleitnotities van de raadsvrouwe heeft kennisgenomen, moet aldus worden verstaan dat die noodzaak niet aanwezig is op grond van haar oordeel, zoals dat door de Hoge Raad hiervoor onder 3.5 is verstaan. Aldus heeft de Rechtbank de juiste maatstaf toegepast en geen blijk gegeven van miskenning van die maatstaf. 4.
  13. Het middel faalt dus.
  14. Slotsom Nu de middelen niet tot cassatie kunnen leiden, terwijl de Hoge Raad ook geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak, voorzover aan zijn oordeel onderworpen, ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, moet het beroep worden verworpen.
  15. Beslissing De Hoge Raad verwerpt het beroep. Dit arrest is gewezen door de vice-president C.J.G. Bleichrodt als voorzitter, en de raadsheren A.M.M. Orie en A.J.A. van Dorst, in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, en uitgesproken op 26 september 2000.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.