3 oktober 2000 Strafkamer nr. 01753/00 U Hoge Raad der Nederlanden Arrest op het beroep in cassatie tegen een uitspraak van de Arrondissementsrechtbank te Haarlem van 9 maart 2000 op een verzoek van de deelstaat Nordrhein-Westfalen (Bondsrepubliek Duitsland) tot uitlevering van: [De opgeëiste persoon], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1963, ten tijde van de bestreden uitspraak gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting te Haarlem.
- De bestreden uitspraak De Rechtbank heeft de gevraagde uitlevering van de opgeëiste persoon aan - Duitsland toelaatbaar verklaard ter strafvervol-ging van -deze persoon ter zake van de in de bestreden uitspraak omschreven feiten.
- Geding in cassatie Het beroep is ingesteld door de opgeëiste persoon. Namens deze hebben mr. G.P. Hamer en mr. A.M. Kengen, advocaten te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De waarnemend Advocaat-Generaal Keijzer heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad de bestreden uitspraak zal vernietigen en de verzochte uitlevering ontoelaatbaar zal verklaren.
- Beoordeling van het eerste middel 3.
- Het middel komt met rechts- en motiveringsklachten op tegen het oordeel van de Rechtbank dat de feiten waarvoor de uitlevering toelaatbaar is verklaard naar Nederlands recht oplichting opleveren. Daartoe wordt in het bijzonder aangevoerd dat in de feiten niet het aannemen van een valse hoedanigheid besloten ligt. 3.
- Het bij het uitleveringsverzoek gevoegde Haftbefehl van het Amtsgericht Köln van 12 januari 2000 (505 Gs 69/00, 71 Js 410/98) bevat de uiteenzetting van de feiten waarvoor de uitlevering is verzocht. Deze luidt: “Im Zeitraum vom
- August 1998 bis zum
- August 1998 entlieh der Beschuldigte [de opgeëiste persoon] in vier Fällen bei verschiedenen Autoverleihfirmen Kraftfahrzeuge und brachte diese nicht zurück. Im einzelnen handelt es sich um folgende Fälle:
- Am
- August 1998 entlieh der Beschuldigte bei der “Kölner Flitzer Auto Vermietung” in Köln einen Ford Transit, amtliches Kennzeichen: [01] (Wert: 35.000,00 Deutsche Mark). Das Fahrzeug sollte am
- August 1998 zurückgebracht werden, was jedoch nicht geschah. Dem Beschuldigten war bereits bei Anmietung des Fahrzeugs bewusst, dass er dieses nicht zurückbringen werde.
- Ferner mietete der Beschuldigte am
- August 1998 bei der Autovermietung “Colonia” einen Daimler-Benz, Typ: Sprinter 210, amtliches Kennzeichen [02] (Wert 50.000,00 Deutsche Mark) an und lieferte das Fahrzeug nicht wie vereinbart zurück.
- Bei der Firma “Europcar” in Köln-Bickendorf mietete Der Beschuldigte am
- August 1999 einen Mercedes Kastenwagen mit dem amtlichten Kennzeichen [03] (Wert: 30.000,00 Deutsche Mark) und brachte diesen nicht wie vereinbart am
- August 1999 an die Autovermietung zurück.
- Am Abend des
- August 1999 entlieh er bei der “Duo Car Kraftfahrzeugvermietung GmbH” in Köln einen Volkswagen ZD 8 (Caravelle) mit dem amtlichen Kennzeichen [04] (Wert: 54.000,00 Deutsche Mark) und brachte ihn nach dem vereinbarten Mietfristende nicht zurück”. 3.
- Deze uiteenzetting van de feiten laat niet de gevolgtrekking toe dat de betrokken autoverhuurders door het gebruik van een van de in art. 326 Sr genoemde oplichtingsmiddelen zouden zijn bewogen tot de afgifte van de auto's. Het oordeel van de Rechtbank dat deze feiten naar Nederlands recht mede zijn te kwalificeren als oplichting is derhalve onjuist. Dit behoeft evenwel niet tot cassatie te leiden nu het middel - terecht - niet opkomt tegen het oordeel van de Rechtbank dat de in genoemd Haftbefehl vermelde feiten naar Nederlands recht verduistering opleveren.
- Beoordeling van het tweede middel 4.
- Het middel komt op tegen de verwerping van het verweer dat de uitlevering ontoelaatbaar moet worden verklaard omdat de feiten in een tegen de opgeëiste persoon in Oostenrijk gewezen vonnis op zodanige wijze zijn betrokken dat het ne bis in idem-beginsel aan uitlevering ter zake van die feiten in de weg staat. 4.
- In haar uitspraak heeft de Rechtbank vermeld dat van het dossier onder meer deel uitmaakt een (kopie van een) strafvonnis van "Das Landgericht für Strafsachen Wien" d.d. 2 oktober 1998, waarbij de opgeëiste persoon tot achttien maanden gevangenisstraf is veroordeeld. 4.
- De Rechtbank heeft een namens de opgeëiste persoon gevoerd verweer als volgt samengevat: “De raadsvrouwe heeft voorts betoogd dat de uitlevering ontoelaatbaar verklaard dient te worden, aangezien er sprake is van schending van “ne bis in idem”. Immers, in het Oostenrijkse vonnis van 2 oktober 1998 is voor het bewijs van het strafverzwarende (“Erschwerend”) “Tatwiederholung im Rahmen der Gewerbsmässigkeit” gebruik gemaakt van de verklaring van de verdachte, dat hij - onder meer - de feiten, in verband waarmee thans uitlevering wordt gevraagd, heeft gepleegd”. De Rechtbank heeft ten aanzien van dat verweer onder meer overwogen: “De rechtbank verwerpt dit verweer, aangezien haar uit het Haftbefehl, noch uit het overgelegde Oostenrijkse vonnis of anderszins is gebleken, dat de opgeëiste persoon bij genoemd vonnis is veroordeeld voor de feiten waarvoor thans de uitlevering wordt verzocht”. 4.
- In deze overweging van de Rechtbank ligt als haar oordeel besloten dat de feiten waarvoor thans de uitlevering wordt verzocht, in het in kracht van gewijsde gegane Oostenrijkse vonnis niet zodanig zijn betrokken dat de opgeëiste persoon geacht kan worden ter zake daarvan bij dat vonnis onherroepelijk te zijn berecht in de zin van het Nederlandse voorbehoud bij art. 9 Europees Verdrag betreffende uitlevering. 4.
- In aanmerking genomen dat: - de eigen opgave van de opgeëiste persoon als verdachte in de Oostenrijkse strafzaak dat hij eerder soortgelijke delicten in Duitsland heeft gepleegd blijkens het Oostenrijkse vonnis slechts is gebezigd als een van de omstandigheden op grond waarvan bewezen is verklaard dat de drie in Oostenrijk gepleegde feiten een bedrijfsmatig karakter hadden, waaronder het Landgericht verstaat dat het herhaald begaan van die feiten in de sleutel van het verwerven van een voortdurende bron van inkomsten stond; - de enkele vermelding van die in Duitsland begane feiten in het vonnis van het Landgericht Wien niet is gelijk te stellen met de onherroepelijke afdoening van die feiten op een wijze vergelijkbaar met de in Nederland toegepaste voeging ad informandum; geeft het oordeel van de Rechtbank geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is het niet onbegrijpelijk. Dit oordeel van de Rechtbank draagt de verwerping van het verweer zelfstandig. De in het middel vervatte klacht tegen hetgeen de Rechtbank overigens ten aanzien van het verweer heeft overwogen kan daarom onbesproken blijven. 4.
- Het middel faalt dus.
- Slotsom Nu de middelen niet tot cassatie kunnen leiden, terwijl de Hoge Raad geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, moet worden beslist als volgt.
- Beslissing De Hoge Raad verwerpt het beroep. Dit arrest is gewezen door de vice-president C.J.G. Bleichrodt als voor-zit-ter, en de raadsheren G.J.M. Corstens, A.M.M. Orie, A.J.A. van Dorst en B.C. de Savornin Lohman, in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, en uitgesproken op 3 oktober 2000.