24 oktober 2000 Strafkamer nr. 112917 Hoge Raad der Nederlanden Arrest op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Amsterdam van 29 maart 1999 alsmede tegen alle op de terechtzitting van dit Hof gegeven beslissingen in de strafzaak tegen: [verdachte], geboren te [geboorteplaats] (Suriname) op [geboortedatum] 1954, wonende te [woonplaats]. 1. De bestreden einduitspraak Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Arrondissementsrechtbank te Amsterdam van 26 januari 1998 - de verdachte vrijgesproken van het hem bij inleidende dagvaarding onder 1. en 6. tenlastegelegde en hem voorts ter zake van 9., 10., 11. en 12. “opzettelijk een bij de belastingwet voorgeschreven aangifte onjuist en onvolledig doen, terwijl daarvan het gevolg zou kunnen zijn dat te weinig belasting zou kunnen worden geheven, meermalen gepleegd” veroordeeld tot achttien maanden gevangenisstraf, met onttrekking aan het verkeer zoals in het arrest omschreven. 2. Geding in cassatie Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben mrs. C.F. Korvinus en G.G.J. Knoops, advocaten te Amsterdam, bij schriftuur midde-len van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De Advocaat-Generaal Fokkens heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep. De conclusie is aan dit arrest gehecht. 3. Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep Voorzover het beroep is gericht tegen de gegeven vrijspraken kan de verdachte daarin, gelet op art. 430, eerste lid, Sv, niet worden ontvangen. Dat brengt mee dat de hierna te bespreken middelen belang missen voorzover zij betrekking hebben op de feiten waarvan de verdachte is vrijgesproken. 4. Beoordeling van het vijfde middel 4.1 Het middel komt op tegen de verwerping door het Hof van een in hoger beroep gevoerd verweer dat strekte tot niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie in de vervolging. Dat verweer hield in dat de door de verdediging als getuige opgeroepen CID-chefs en opsporingsambtenaren tevoren op initiatief van het CID een zogeheten “getuigentraining” hebben ondergaan en daardoor dusdanig zouden zijn beïnvloed dat geen sprake meer kan zijn van een “fair trial”. 4.2. Het Hof heeft dat verweer samengevat op blz. 5 van het bestreden arrest en verworpen op blz. 9, 10 en 11 van dat arrest. 4.3. De gedachtegang van het Hof komt op het volgende neer. Het Hof heeft bij de verwerping van het verweer als feitelijk uitgangspunt genomen dat de door een bedrijfspsycholoog aan de desbetreffende - op verzoek van de verdediging in hoger beroep als getuige opgeroepen - politieambtenaren voorafgaande aan hun verhoor in hoger beroep gegeven training slechts diende tot het:
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.