← Nederland

ECLI:NL:HR:2000:AA7792

24 oktober 2000 Strafkamer nr. 00082/00 Hoge Raad der Nederlanden Arrest op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 19 november 1999 alsmede tegen alle op de terechtzitting van dit Hof gegeven beslissingen in de strafzaak tegen: [verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1945, wonende te [woonplaats]. 1. De bestreden einduitspraak Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een von-nis van de Arron-disse-- mentsrechtbank te Dordrecht van 7 juli 1998 - de verdachte ter zake van “valsheid in geschrift, meermalen gepleegd” veroordeeld tot vijftien maanden gevangenisstraf, waarvan vijf maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. 1.2. Het verkorte arrest is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. 2. Geding in cassatie Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. G. Meijers, advocaat te Amsterdam, middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De Advocaat-Generaal Wortel heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad het beroep zal verwerpen. 3. Beoordeling van het eerste middel Het middel, dat klaagt over het ontbreken van een gewaarmerkt afschrift van de bestreden uitspraak bij de processtukken, faalt bij gebrek aan feitelijke grondslag nu een dergelijk afschrift inmiddels in het dossier is gevoegd. 4. Beoordeling van het tweede middel 4.1 Het middel komt met een aantal klachten op tegen de verwerping door het Hof van een in hoger beroep gevoerd verweer strekkende tot bewijsuitsluiting in welk verband is betoogd dat de Belastingdienst in strijd met de geheimhoudingsplicht van art. 67 AWR informatie heeft verstrekt en dat op die grond de start van het strafrechtelijk onderzoek onrechtmatig was. 4.2. Het Hof heeft het in het middel bedoelde verweer samengevat op blz. 2 van het bestreden arrest en heeft dat verweer verworpen op blz. 2 tot en met 5 van dat arrest. 4.3 Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard, kort gezegd, dat hij zich in de periode van 31 maart 1991 tot en met 27 december 1995 heeft schuldig gemaakt aan valsheid in geschrift door op AWW/WAO-formulieren niet op te geven dat hij inkomsten uit arbeid had. 4.4 In cassatie moet worden uitgegaan van het volgende. (

  1. i)Op 29 mei 1995 heeft de Belastingdienst te Gorinchem aan functionarissen van het GAK medegedeeld dat de verdachte naast zijn arbeidsongeschiktheidsuitkering andere inkomsten had ontvangen en dat een door de Belastingdienst ingesteld onderzoek had uitgewezen dat de inkomsten hoger waren dan door de verdachte waren opgegeven in een aangiftebiljet betreffende de inkomstenbelasting; (
  2. ii)Op 22 mei 1996 heeft een aan het GAK verbonden verbalisant een onderzoek ingesteld in hem door de Belastingdienst ter beschikking gestelde belastingdossiers betreffende de verdachte. 4.5 De eerste klacht van het middel is gericht tegen de verwerping door het Hof van het ter terechtzitting in hoger beroep gevoerde verweer dat de door de Belastingdienst op eigen initiatief verstrekte startinformatie afkomstig was uit een “persoonsregistratie” in de zin van de Wet persoonsregistraties (WPR). Bij de beoordeling van deze klacht is het volgende wettelijk kader van belang. - Ingevolge art. 67, eerste lid, van de Algemene Wet inzake Rijksbelastingen (AWR) rust op ambtenaren van de belastingdienst een geheimhoudingsplicht. Het tweede lid van art. 67 AWR houdt in dat de Minister van Financiën ontheffing daarvan kan verlenen. - Een nadere regeling van de gevallen waarin de belastingdienst informatie mag verstrekken aan anderen is opgenomen in het ten tijde van de aanvang van het onderzoek geldende Voorschrift Informatieverstrekking 1993 (Besluit van 14 december 1992, Stcrt. 1992, 251). - Par. 5.1 van het VIV 1993 houdt in dat het op eigen initiatief verstrekken van gegevens uit door de Belastingdienst aangehouden persoonsregistraties niet is toegestaan. - Onder een persoonsregistratie moet blijkens art. 1 WPR worden verstaan “een samenhangende verzameling van op verschillende personen betrekking hebbende persoonsgegevens, die langs geautomatiseerde weg wordt gevoerd of met het oog op een doeltreffende raadpleging van die gegevens systematisch is aangelegd”. - Par. 2.4.1 van het VIV 1993 omschrijft het begrip persoonsregistratie onder verwijzing naar de WPR en bepaalt voorts: “Een legger- of dossierverzameling bij de Belastingdienst wordt niet beschouwd als een persoonsregistratie. Dat betekent dat de informatie die daarin is opgenomen niet onder de werking van de WPR valt. Is deze informatie oorspronkelijk afkomstig uit een persoonsregistratie dan geldt de WPR wel. Hierbij valt te denken aan een uitdraai uit een geautomatiseerde administratie in de legger. (…) Als informatie niet afkomstig is uit een persoonsregistratie en darmee niet onder de werking van de WPR valt, is spontane verstrekking in beginsel wel mogelijk”. 4.6 Het Hof heeft het verweer dat eerdergenoemde startinformatie afkomstig was uit een persoonsregistratie als volgt verworpen: “(…) blijkt nergens uit dat de door de Belastingdienst verstrekte startinformatie, inhoudende “dat de inkomsten hoger waren dan door [verdachte] werd aangegeven op zijn aangiftebiljet IB” afkomstig was uit een persoonsregistratie. Veeleer is aannemelijk dat deze startinformatie afkomstig was uit een inmiddels met betrekking tot de verdachte aan de hand van zijn aangifte IB gevormd belastingdossier (…). Een dossier valt niet onder het begrip “persoonsregistratie” in de zin van de Wet persoonsregistraties (paragraaf 5.1 VIV 1993)”. Dit oordeel, hierop neerkomende dat niet aannemelijk is geworden dat de startinformatie afkomstig was uit een persoonsregistratie geeft gelet op de hiervoor weergegeven bepalingen van de WPR en van het VIV 1993 geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk in het licht van hetgeen op dit punt in hoger beroep is aangevoerd alwaar blijkens de pleitnota slechts gewezen is op een aantal stukken betrekking hebbende op de verdachte en zijn economische activiteiten welke het betreffende dossier zou hebben bevat. 4.7 Het middel klaagt voorts over de verwerping door het Hof van het in hoger beroep gevoerde verweer dat uit het dossier niet kan volgen dat het voorstel tot verstrekking van genoemde startinformatie overeenkomstig het bepaalde in de VIV 1993 ter beslissing is voorgelegd aan het hoofd van de eenheid van de belastingdienst. Bij de beoordeling van deze klacht moet worden vooropgesteld dat het VIV in par. 5.3 met betrekking tot het verstrekken van informatie aan overheidsinstellingen het volgende inhoudt. “Informatieverstrekking op eigen initiatief is alleen mogelijk indien deze informatie van belang kan zijn voor en naar verwachting zal worden gebruikt bij de voorkoming of bestrijding van misbruik en oneigenlijk gebruik van regelingen van de overheid. (…) Spontane informatieverstrekking blijft achterwege bij een te gering financieel belang. Ook moet worden voorkomen dat informatie wordt verstrekt zonder dat het enig effect heeft, bijvoorbeeld omdat de informatie- ontvangende instelling niet de capaciteit heeft deze te verwerken of het beleidsmatig niet opportuun acht om maatregelen te nemen”. 4.8 Gelet op de hiervoor weergegeven inhoud van par. 5.3 van het VIV strekt de regel inhoudende dat het voorstel moet worden voorgelegd aan het hoofd van de desbetreffende eenheid van de belastingdienst, niet tot bescherming van de rechten van derden als de verdachte, maar ter bevordering van de doelmatigheid van het functioneren van de belastingdienst en andere overheidsinstellingen op het punt van de daarin voorziene informatie-uitwisseling. Hieruit volgt dat het Hof het verweer terecht heeft verworpen, zodat buiten beschouwing kan blijven hetgeen het Hof dienaangaande heeft overwogen. 4.9 De in de toelichting op het middel onder d tot en met f verwoorde klachten richten zich tegen overwegingen van het Hof die klaarblijkelijk ten overvloede zijn gegeven, zodat deze niet tot cassatie kunnen leiden. 4.10. Het middel treft geen doel. 5. Beoordeling van het derde middel Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 101a RO, geen nadere motivering nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling. 6. Slotsom Nu geen van de middelen tot cassatie kan leiden, terwijl de Hoge Raad ook geen grond aanwezig oordeelt waarop de be-streden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, moet het beroep worden verworpen. 7. Beslissing De Hoge Raad verwerpt het beroep. Dit arrest is gewezen door de vice-president C.J.G. Bleichrodt als voor-zitter, en de Raadsheren F.H. Koster en A.M.J. van Buchem-Spapens, in bijzijn van de waarnemend-griffier H.H.A. de Nijs, en uitgesproken op 24 oktober 2000.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.