← Nederland

ECLI:NL:HR:2000:AA7955

31 oktober 2000 Strafkamer nr. 00751/99 Hoge Raad der Nederlanden Arrest op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Arnhem van 21 mei 1999 in de strafzaak tegen: [verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1946, wonende te [woonplaats].

  1. De bestreden uitspraak 1.
  2. Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Arron- dissementsrechtbank te Arnhem van 26 mei 1998 - de verdachte vrijgesproken van het hem bij inleidende dagvaarding primair tenlastegelegde en hem voorts ter zake van “mishandeling, zwaar lichamelijk letsel ten gevolge hebbend” veroordeeld tot een geldboete van tienduizend gulden, subsidiair éénhonderd dagen hechtenis. 1.
  3. Het verkorte arrest en de aanvulling daarop als bedoeld in art. 365a, tweede lid, Sv zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.
  4. Geding in cassatie 2.
  5. Het beroep - dat kennelijk niet is gericht tegen de gegeven vrijspraak - is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. D.R. Doorenbos, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De Advocaat-Generaal Fokkens heeft geconcludeerd dat het beroep wordt verworpen. 2.
  6. De Hoge Raad heeft kennis genomen van het schriftelijk commentaar van de raadsman op de conclusie van de Advocaat-Generaal.
  7. Beoordeling van het eerste middel 3.1.
  8. Bij inleidende dagvaarding is aan de verdachte subsidiair tenlastegelegd dat “hij op of omstreeks 31 juli 1997 te Arnhem als bestuurder van een personenauto opzettelijk mishandelend een persoon te weten [het slachtoffer], die op dat moment op een fiets reed, met zijn personenauto heeft gesneden en/of rijdende naast [het slachtoffer] tegen [het slachtoffer] is aangereden, tengevolge waarvan deze zwaar lichamelijk letsel (een gebroken heupgewricht), althans enig lichamelijk letsel, heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden”. 3.1.
  9. In eerste aanleg is die tenlastelegging gewijzigd in die zin dat na het woord “gesneden” is toegevoegd: “waardoor [het slachtoffer] tegen de auto van verdachte is gereden”. 3.1.
  10. Van die tenlastelegging heeft het Hof bewezenverklaard dat “hij op 31 juli 1997 te Arnhem als bestuurder van een personenauto opzettelijk mishandelend een persoon te weten [het slachtoffer], die op dat moment op een fiets reed, met zijn personenauto heeft gesneden, tengevolge waarvan deze zwaar lichamelijk letsel (een gebroken heupgewricht) heeft bekomen en pijn heeft ondervonden”. 3.
  11. De Hoge Raad verstaat het middel aldus dat het primair klaagt dat het Hof de grondslag van de tenlastelegging heeft verlaten. Het middel voert daartoe aan dat het Hof, vrijsprekende van de omstandigheid dat tussen de auto van de verdachte en [het slachtoffer] een aanrijding heeft plaatsgevonden, “niet meer tot een bewezenverklaring kon komen”, althans dat hetgeen is bewezenverklaard “op zichzelf geen mishandeling meer kan opleveren”. 3.
  12. Het Hof heeft op blz. 2 van het bestreden arrest onder het hoofd “bewezenverklaring”, voorzover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende overwogen: “Het hof acht bewezen dat verdachte [het slachtoffer] heeft gesneden, immers zo dicht naast hem is gaan rijden dat deze - een ongewijzigde koers rijdend - de normale doorgang is belet en dat de verdachte dusdoende welbewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat [het slachtoffer] hierdoor ten val zou komen en daardoor (mede gelet op de snelheid van [het slachtoffer] van circa 30 kilometer per uur) (…) lichamelijk letsel zou kunnen oplopen”. 3.
  13. Het Hof heeft de tenlastelegging dus, afgezien van de daarin opgenomen strafverzwarende omstandigheid, kennelijk in die zin opgevat dat de verdachte [het slachtoffer] opzettelijk letsel en/of pijn heeft toegebracht door als bestuurder van een auto [het slachtoffer] op zijn fiets zodanig te snijden dat deze daardoor ten val is gekomen. In dat verband heeft het Hof klaarblijkelijk geoordeeld dat de steller van de tenlastelegging met de daarin opgenomen (wijzen van) aanrijding tussen de auto van de verdachte en [het slachtoffer] slechts heeft beoogd een mogelijke nadere toedracht van die val aan te duiden. In aanmerking genomen dat aan de term “opzettelijk mishandelend” mede feitelijke betekenis toekomt, is die uitleg met de bewoordingen van de tenlastelegging niet onverenigbaar, zodat zij in cassatie moet worden geëerbiedigd. 3.
  14. Gelet op die in cassatie te respecteren uitleg van de tenlastelegging heeft het Hof, door daarvan bewezen te verklaren hetgeen hiervoor onder 3.1.3 is weergegeven en door het aldus bewezenverklaarde te kwalificeren als “mishandeling, zwaar lichamelijk letsel ten gevolge hebbend” de grondslag van de tenlastelegging niet verlaten. 3.
  15. De primaire klacht van het middel faalt dus. Voorzover het middel voorts nog klaagt dat de bewezenverklaring ontoereikend is gemotiveerd, berust het, voortbouwend op de primaire klacht, kennelijk op de opvatting dat in een geval als het onderhavige eerst dan sprake kan zijn van opzettelijke mishandeling indien komt vast te staan dat de auto en de fiets(er) met elkaar in aanraking zijn gekomen. Die opvatting is onjuist zodat het middel ook in zoverre geen doel treft. 3.
  16. Het middel kan dus niet tot cassatie leiden.
  17. Beoordeling van de overige middelen De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 101a RO, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
  18. Slotsom Nu geen van de middelen tot cassatie kan leiden, terwijl de Hoge Raad ook geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak - voorzover aan zijn oordeel onderworpen - ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, moet het beroep worden verworpen.
  19. Beslissing De Hoge Raad verwerpt het beroep. Dit arrest is gewezen door de vice-president W.J.M. Davids als voorzitter, en de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, J.P. Balkema, A.J.A. van Dorst en B.C. de Savornin Lohman, in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, en uitgesproken op 31 oktober 2000.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.