31 oktober 2000 Strafkamer nr. 01916/00 Hoge Raad der Nederlanden Arrest op het beroep in cassatie tegen een bij verstek gewezen arrest van het Gerechtshof te Amsterdam van 8 februari 2000, parketnummer(
- s)23/001417-99, in de strafzaak tegen: [verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1974, wonende te [woonplaats]. 1. De bestreden uitspraak 1.1. Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Politierechter in de Arrondissementsrechtbank te Amsterdam van 12 maart 1999 - het openbaar ministerie niet-ontvankelijk verklaard in zijn strafvervolging. 1.2. De bestreden uitspraak is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. 2. Geding in cassatie 2.1. Het beroep is ingesteld door de Advocaat-Generaal bij het Hof. Deze heeft bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De raadsman van de verdachte, mr. M. Veldman, advocaat te Amsterdam, heeft het cassatieberoep tegengesproken. 2.2. De Advocaat-Generaal Wortel heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad de bestreden uitspraak zal vernietigen en de zaak zal verwijzen naar een aangrenzend Hof opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan. 3. De procesgang 3.1. In de onderhavige zaak staat de vraag centraal of een in de praktijk toegepaste en als “supersnelrecht” aangeduide procedure verenigbaar is met het systeem van de wet. Het gaat hier om de situatie waarin de officier van justitie een verdachte die in verzekering is gesteld, dagvaardt om te verschijnen ter terechtzitting van de politierechter binnen een termijn van drie dagen en vijftien uren, derhalve vóór het tijdstip waarop de verdachte op grond van art. 59a Sv voor de rechter-commissaris moet worden geleid en waarbij vervolgens op die terechtzitting op de vordering van de officier van justitie door de politierechter de voorlopige hechtenis van de verdachte wordt bevolen. Het gaat hier derhalve niet om de snelrechtprocedure van art. 375 Sv noch om de procedure waarbij tijdens de bewaring van de verdachte ter terechtzitting de (voortzetting van
- de)voorlopige hechtenis wordt gelast. 3.2. In cassatie moet van het volgende worden uitgegaan: (
- i)Op 9 maart 1999 om 12.28 uur is de verdachte op heterdaad aangehouden wegens winkeldiefstal, waarna hij om 13.24 uur is voorgeleid aan de Hulpofficier van Justitie en vervolgens inverzekering is gesteld. (
- ii)De verdachte is gedagvaard om te verschijnen ter terechtzitting van de Politierechter in de Rechtbank Amsterdam van 12 maart 1999; de verdachte heeft afstand gedaan van de dagvaardingstermijn van art. 370 Sv. (iii) Bij vonnis van 12 maart 1999 heeft de Politierechter de verdachte ter zake van diefstal veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twee weken. De Politierechter heeft voorts de vordering van de Officier van Justitie tot gevangenneming van de verdachte afgewezen en de - subsidiair gevorderde - gevangenhouding bevolen. (
- iv)Het Hof heeft bij de bestreden uitspraak van 8 februari 2000 dit vonnis van de Politierechter vernietigd en het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk verklaard in de vervolging. Het Hof overwoog daartoe zoals is weergegeven op blz. 2 tot en met 5 van de bestreden uitspraak. 4. Beoordeling van het middel 4.1. De eerste klacht van het middel houdt in dat het Hof aan het begrip “belang van het onderzoek” als bedoeld in art. 57 Sv alsmede aan de art. 60 en 61 Sv een onjuiste betekenis heeft toegekend. 4.2. Voor de beoordeling van deze klacht is het volgende wettelijke kader van belang: - Ingevolge art. 57, eerste lid, Sv kan de verdachte door de officier van justitie of door de hulpofficier van justitie in het belang van het onderzoek in verzekering worden gesteld. Art. 57, vijfde lid, Sv bepaalt dat de officier van justitie de invrijheidstelling van de verdachte gelast zodra het belang van het onderzoek dit toelaat. - Art. 58, tweede lid, Sv houdt in dat het bevel tot inverzekeringstelling slechts gedurende drie dagen van kracht is, met een eventuele eenmalige verlenging voor ten hoogste drie dagen. - Indien de officier van justitie een langere vrijheidsbeneming van de verdachte noodzakelijk acht, dient hij van de rechter te vorderen dat deze een bevel tot voorlopige hechtenis geeft. Volgens art. 133 Sv wordt onder voorlopige hechtenis verstaan de vrijheidsbeneming ingevolge een bevel tot bewaring, gevangenneming of gevangenhouding. Voor deze drie vormen van voorlopige hechtenis geldt gelijkelijk dat voldaan moet zijn aan het bepaalde in de art. 67 en 67a Sv. - De bevoegdheid om de bewaring te bevelen is toegekend aan de rechter- commissaris (art. 63 Sv), terwijl de officier van justitie zich voor een bevel tot gevangenhouding of gevangenneming tot de rechtbank moet wenden. Art. 65, eerste lid, Sv houdt in dat de gevangenhouding slechts kan worden bevolen wanneer de verdachte zich in bewaring bevindt. Voor de gevangenneming (die ook ambtshalve kan worden bevolen) bepaalt art. 65, tweede lid, Sv dat deze kan worden gelast “na de aanvang van het onderzoek ter terechtzitting”. - Art. 60 Sv bepaalt dat de officier van justitie voor wie de verdachte wordt geleid of die zelf de verdachte heeft aangehouden, hem, ingeval hij diens bewaring nodig oordeelt, onverwijld voor de rechter-commissaris doet geleiden. 4.3. Zoals hiervoor is overwogen dient voor een voortzetting van de vrijheidsbeneming van een inverzekeringgestelde verdachte een beslissing van de rechter te worden uitgelokt. De inverzekeringstelling kan in het belang van het onderzoek worden bevolen. Redelijke wetstoepassing brengt mee dat onder dat onderzoeksbelang niet alleen moet worden begrepen het onderzoek naar het mogelijk gepleegde strafbare feit, maar ook het onderzoek, zowel door de officier van justitie als door de rechter die over een door de officier van justitie ingediende vordering tot voorlopige hechtenis heeft te oordelen, naar de mogelijkheid en wenselijkheid een bevel tot voorlopige hechtenis te vorderen dan wel te geven. 4.4. Het Hof is kennelijk ook van het voorgaande uitgegaan, maar heeft geoordeeld dat genoemd belang in elk geval na aanvang van het onderzoek ter terechtzitting niet meer aanwezig kan worden geacht en dat de inverzekeringstelling vanaf dat moment een wettelijke grondslag ontbeerde. Tot dat oordeel, waarin besloten ligt dat uitsluitend de rechter-commissaris kan oordelen over het eerste bevel tot voorlopige hechtenis in aansluiting op een toegepaste inverzekeringstelling, is het Hof gekomen met een beroep op de art. 60 en 61, eerste lid, Sv. Dat oordeel is echter onjuist. 4.5. Anders dan in art. 61, eerste lid, Sv is voorzien, is de verdachte in deze zaak wel in verzekering gesteld. Art. 60 Sv, waarbij de wetgever kennelijk voor ogen heeft gestaan de - thans in de praktijk niet of nauwelijks voorkomende - gevallen dat de officier van justitie de verdachte zelf heeft aangehouden of dat de verdachte na diens aanhouding ingevolge art. 53, derde lid, of art. 54, derde lid, Sv aan hem is voorgeleid, schrijft slechts voor dat de officier van justitie, indien hij de bewaring van de verdachte nodig oordeelt, deze onverwijld doet geleiden voor de rechter- commissaris. Die bepaling sluit op zichzelf niet uit dat, indien het onderzoek ter terechtzitting - met inachtneming van de rechten en belangen van de verdediging- binnen de termijn van de inverzekeringstelling kan worden aangevangen, aldaar de gevangenneming van de verdachte wordt gevorderd. 4.6. Ook art. 65 Sv verzet zich daartegen niet. Vooropgesteld dient te worden dat in een geval als het onderhavige het bevel tot gevangenhouding van de verdachte niet mogelijk is, omdat daarvoor ingevolge art. 65, eerste lid, Sv is vereist dat de verdachte zich in bewaring bevindt. Het gaat derhalve om de vraag of ter terechtzitting de gevangenneming van de inverzekeringgestelde verdachte kan worden bevolen. Art. 65, tweede lid, Sv houdt in dat de rechtbank na de aanvang van het onderzoek ter terechtzitting de gevangenneming van de verdachte kan bevelen. De tekst van de wet houdt niets in waaruit kan volgen dat daarbij van belang is of de verdachte zich al dan niet in vrijheid bevindt. Uit de wetsgeschiedenis met betrekking tot art. 65 Sv valt op te maken dat de wetgever ervan is uitgegaan dat wanneer vóór de terechtzitting voorlopige hechtenis noodzakelijk is, de mogelijkheden van bewaring en gevangenhouding benut moeten worden, terwijl na de aanvang van de terechtzitting de mogelijkheid van gevangenneming bestaat (vgl. Kamerstukken II 1913/14, 286, nr. 3, blz. 61 en Ontwerp tot vaststelling van een wetboek van strafvordering, der Koningin aangeboden door de Staatscommissie voor de herziening van het Wetboek van Strafvordering, ingesteld bij KB van 8 april 1910, no. 17, deel II, Toelichting, blz. 102). In de systematiek van de wet is gevangenneming derhalve mogelijk van de verdachte die zich niet reeds in voorlopige hechtenis bevindt. Noch de tekst of het systeem van de wet noch de wetsgeschiedenis verzet zich derhalve tegen de gevangenneming van de inverzekeringgestelde verdachte. De zittingsrechter heeft dan te onderzoeken of toepassing van de voorlopige hechtenis rechtens mogelijk en in het gegeven geval aangewezen is. Anders dan het Hof heeft geoordeeld kan dus niet worden gezegd dat in een geval als het onderhavige na de aanvang van het onderzoek ter terechtzitting geen sprake meer kan zijn van het belang van het onderzoek in de zin van art. 57, eerste lid, Sv. De eerste klacht van het middel is dus gegrond. 4.7. Het voorgaande brengt mee dat tevens onjuist is het oordeel van het Hof dat de Officier van Justitie door de gevangenneming te vorderen inbreuk heeft gemaakt op het beginsel “nemo debet bis vexari”, nu het immers bij die vordering tot gevangenneming ging om de eerste vordering strekkende tot het toepassen van voorlopige hechtenis. Hetzelfde geldt voor ’s Hofs oordelen dat de Officier van Justitie haar bevoegdheid heeft gehanteerd voor een ander doel dan waarvoor die bevoegdheid is gegeven en dat inbreuk is gemaakt op beginselen van een behoorlijk procesrecht welke tot niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie in zijn strafvervolging dient te leiden. Voorzover het middel daarover klaagt is het dus ook terecht voorgesteld. 5. Slotsom Het vorenoverwogene brengt mee dat de bestreden uitspraak niet in stand kan blijven en als volgt moet worden beslist. 6. Beslissing De Hoge Raad: Vernietigt de bestreden uitspraak en wijst de zaak terug naar het Gerechtshof te Amsterdam opdat deze op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt behandeld en afgedaan. Dit arrest is gewezen door de vice-president C.J.G. Bleichrodt als voorzitter, en de raadsheren A.M.M. Orie, A.M.J. van Buchem-Spapens, J.P. Balkema en B.C. de Savornin Lohman, in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, en uitgesproken op 31 oktober 2000.