← Nederland

ECLI:NL:HR:2000:AA7960

31 oktober 2000 Strafkamer nr. 01997/99 Hoge Raad der Nederlanden Arrest op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Amsterdam van 23 juli 1999 alsmede tegen alle op de terechtzitting van dit Hof gegeven beslissingen in de strafzaak tegen: [verdachte], geboren te [geboorteplaats] (Marokko) op [geboortedatum] 1975, wonende te [woonplaats], ten tijde van het instellen van beroep in cassatie verblijvende in de Penitentiaire Inrichting “Almere Binnen” te Almere.

  1. De bestreden einduitspraak 1.
  2. Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Arrondissementsrechtbank te Amsterdam van 30 december 1998, voorzover aan ‘s Hofs oordeel onderworpen, - de verdachte ter zake van
  3. primair “doodslag”,
  4. primair “poging tot doodslag” en
  5. primair “diefstal” veroordeeld tot tien jaren gevangenisstraf, met onttrekking aan het verkeer zoals in het arrest omschreven. Voorts heeft het Hof de vordering van de benadeelde partij toegewezen in voege als in het arrest vermeld. 1.
  6. De bestreden uitspraak is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
  7. Geding in cassatie Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. M. Moszkowicz sr., advocaat te Maastricht, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De Advocaat-Generaal Fokkens heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad het beroep zal verwerpen.
  8. Beoordeling van het eerste en het tweede middel 3.
  9. De middelen komen met rechts- en motiveringsklachten op tegen de verwerping door het Hof van het beroep op (putatief) noodweer en noodweerexces. 3.
  10. Het Hof heeft het beroep op noodweer als volgt verworpen: “Verdachte heeft verklaard dat de dood van [slachtoffer 2] het gevolg was van een ongeluk: [slachtoffer 2] liep zelf in het mes. Nu dit kennelijk de beleving van verdachte is geweest omtrent de gang van zaken, kan hij niet tevens de intentie gehad hebben uit noodweer te handelen. De bij noodweer behorende psychische gesteldheid is immers onverenigbaar met een ongeluk. Dat voormelde verklaring van verdachte geen geloof verdient, doet aan het voorgaande niet af. Reeds op die grond dient het beroep op noodweer te worden verworpen. Maar ook overigens faalt het verweer. Na de eerste gewelddadige gedraging had verdachte rekening kunnen en moeten houden met een reactie, mogelijk zelfs één van dreigende of gewelddadige aard, van de zijde van het personeel in de werkplaats of van eventuele andere omstanders. Door met het mes in zijn hand voor de winkel te blijven staan met zijn gezicht in de richting van de toegangsdeur van de werkplaats, heeft verdachte bevorderd dat de reactie van de monteurs uit de werkplaats ook daadwerkelijk dreigend van aard zou worden. Aldus heeft verdachte een zelfstandige en aanzienlijke bijdrage geleverd aan de toen ontstane dreiging, terwijl voor de verdachte mogelijkheden bestonden om de dreiging te keren. Dit spreekt te meer daar uit verdachtes verklaring, afgelegd in hoger beroep, blijkt dat hij zich onmiddellijk na het steken van [slachtoffer 1] realiseerde wat hij had gedaan. Hij had de situatie kunnen en behoren te deëscaleren door, bijvoorbeeld, één of meer stappen achteruit te doen of het mes op de grond te laten vallen, dan wel door iets te zeggen. Hij heeft dit alles echter nagelaten. Tenslotte had hij de (dreiging met een) aanval kunnen ontwijken, bijvoorbeeld - door in plaats van te steken - zich af te wenden of te bukken. Uit het onderzoek ter terechtzitting zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die het beroep op noodweer rechtvaardigen”. Voorts heeft het Hof op blz. 4 onder het hoofd “de strafbaarheid van de verdachte” geoordeeld: “Gelet op hetgeen hiervoor ten aanzien van het verweer op noodweer is overwogen, behoeven de verweren ten aanzien van noodweerexces en putatief noodweer geen bespreking”. 3.
  11. In de bestreden uitspraak heeft het Hof vastgesteld: - dat de verdachte het slachtoffer [slachtoffer 1] voor zijn fietsenwinkel in Amsterdam met een mes, dat hij in zijn broek had zitten, heeft gestoken - hetgeen letsel aan dunne en dikke darm heeft veroorzaakt - omdat de verdachte, naar zijn zeggen geïrriteerd was geraakt door het gedrag van [slachtoffer 1]; - dat de verdachte, nadat hij [slachtoffer 1] had gestoken, voor de winkel bleef staan met het mes in zijn had en met zijn gezicht in de richting van de toegangsdeur van de werkplaats; - dat drie personeelsleden van [slachtoffer 1], onder wie het latere slachtoffer [slachtoffer 2], vanuit de werkplaats op de verdachte toestormden, waarbij [slachtoffer 2] met een driepoot naar de verdachte een dreigend gebaar maakte en dat de verdachte op het moment dat die personeelsleden hem wilden pakken [slachtoffer 2] met het mes in de borst heeft gestoken, tengevolge van welke steekwond [slachtoffer 2] is overleden. 3.
  12. In de overwegingen van het Hof die volgen op zinsnede “Ook overigens faalt het verweer” ligt als zijn oordeel besloten dat van een noodweersituatie geen sprake was - en dat de verdachte ook niet kon menen dat dat het geval was - omdat hij door [slachtoffer 1] met een mes te steken en daarna voor de winkel te blijven staan met het mes in zijn hand en met het gezicht naar de toegangsdeur van de werkplaats, zich willens en wetens in een situatie heeft gebracht waarin de dreigende reactie van [slachtoffer 2] te verwachten was. Dat oordeel geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting, terwijl het evenmin onbegrijpelijk is. Het draagt de verwerping van het beroep op noodweer en putatief noodweer zelfstandig, zodat de middelen buiten bespreking moeten blijven voorzover zij zich richten tegen hetgeen het Hof overigens ter verwerping van die verweren heeft geoordeeld. 3.
  13. Uit het in cassatie te respecteren oordeel van het Hof dat van een noodweerstituatie geen sprake was vloeit voort dat het beroep op noodweerexces door het Hof terecht is verworpen. 3.
  14. De middelen zijn dus tevergeefs voorgesteld.
  15. Beoordeling van het derde middel Het middel klaagt dat het Hof het onder 2 bewezenverklaarde feit ten onrechte heeft gekwalificeerd als “poging tot doodslag”. Het berust klaarblijkelijk op de opvatting dat voor een veroordeling ter zake van poging tot misdrijf is vereist dat de bewezenverklaring inhoudt dat het misdrijf niet is voltooid. Die opvatting is, gelet op het bepaalde in art. 45 Sr, onjuist, zodat het middel faalt.
  16. Beoordeling van het vierde middel Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 101a RO, geen nadere motivering nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
  17. Slotsom Nu geen van de middelen tot cassatie kan leiden, terwijl de Hoge Raad ook geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, moet het beroep worden verworpen.
  18. Beslissing De Hoge Raad verwerpt het beroep. Dit arrest is gewezen door de vice-president W.J.M. Davids als voorzitter, en de raadsheren F.H. Koster, G.J.M. Corstens, A.M.M. Orie en A.M.J. van Buchem- Spapens, in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, en uitgesproken op 31 oktober 2000.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.