7 november 2000 Strafkamer nr. 01490/99 Hoge Raad der Nederlanden Arrest op het beroep in cassatie tegen een vonnis van de Arrondissementsrechtbank te Alkmaar van 26 mei 1999, parketnummer 14/200246-98, in de strafzaak tegen: [Verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1975, wonende te [woonplaats].
- De bestreden uitspraak De Arrondissementsrechtbank heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Kantonrechter te Alkmaar van 4 december 1998 - de verdachte ter zake van "overtreding van het bepaalde krachtens artikel 177 van de Wegenverkeerswet 1994" (hetgeen de Hoge Raad leest als: “overtreding van art. 5.1.1, eerste lid onder c, in verbinding met art. 5.6.1, eerste lid onder b sub 1, van het Voertuigreglement) schuldig verklaard zonder oplegging van straf en onttrekking aan het verkeer uitgesproken als in het vonnis vermeld.
- Geding in cassatie Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. J. Boksem, advocaat te Leeuwarden, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De Advocaat-Generaal Jörg heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, doch uitsluitend ten aanzien van de kwalificatie en de onttrekking aan het verkeer met verwijzing van de zaak naar het Gerechtshof te Amsterdam teneinde in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan, met verwerping van het beroep voor het overige.
- Beoordeling van het eerste middel 3.
- Het gaat in deze zaak om een verdachte ten aanzien van wie - kort gezegd - is bewezenverklaard dat hij als bestuurder van een bromfiets als bedoeld in artikel 1.1 onder m, van het Voertuigreglement op een voor het openbaar verkeer openstaande weg heeft gereden terwijl die bromfiets niet behoorde tot een door de Minister van Verkeer en Waterstaat goedgekeurd type of exemplaar. Blijkens de gebezigde bewijsmiddelen gaat het hier om een zogenoemde motorstep. 3.
- De Rechtbank heeft voor het bewijs gebruik gemaakt van “een proces-verbaal nummer PL 1010/97-026883 van 4 december 1997, opgemaakt in de wettelijke vorm door de opsporingsambtenaren F. Lang en J.J. Ruiter”, onder meer voorzover inhoudende als relaas van die verbalisanten: “Bij het onderzoek hebben wij vastgesteld dat dit voertuig voldeed aan de definitie bromfiets als bedoeld in hoofdstuk 1, artikel 1.1 onder m van het voertuigreglement 1994”. 3.
- Het middel klaagt dat de Rechtbank dusdoende de bewezenverklaring heeft doen steunen op een ontoelaatbare, namelijk op een aan de rechter voorbehouden conclusie van genoemde verbalisanten, zodat de bewezenverklaring ontoereikend is gemotiveerd, doch tevergeefs. 3.
- Het desbetreffende, zich bij de stukken bevindende proces-verbaal vermeldt in de aanhef “technisch onderzoek verkeer”, en houdt als functieomschrijving van de genoemde verbalisanten in: “hoofdagent van politie, groep Technische Ondersteuning, politie NHN” onderscheidenlijk: “brigadier van politie, groep technische Ondersteuning, politie NHN”. De in het middel bedoelde verklaring van die verbalisanten bevat niets wat niet kan gelden als hun eigen waarneming bij het onderzoek met betrekking tot de aard van het in de tenlastelegging genoemde voertuig. 3.
- De bewezenverklaring is, in aanmerking genomen dat terzake in feitelijke aanleg geen verweer is gevoerd naar behoren gemotiveerd. Het middel kan derhalve niet tot casatie leiden.
- Beoordeling van het tweede middel 4.
- Het middel strekt ten betoge dat de Rechtbank ten onrechte de maatregel van onttrekking aan het verkeer heeft opgelegd dan wel het opleggen van die maatregel onjuist en/of onvoldoende heeft gemotiveerd. 4.
- De Rechtbank heeft de oplegging van die maatregel als volgt gemotiveerd: “Het bewezenverklaarde feit is met betrekking tot de motorstep begaan en het ongecontroleerde bezit daarvan is in strijd met de wet en het algemeen belang”. 4.
- Nu de Rechtbank heeft vastgesteld dat met de motorstep geen gebruik mocht worden gemaakt van voor het openbaar verkeer openstaande wegen, terwijl de Rechtbank kennelijk en niet onbegrijpelijk heeft geoordeeld, dat zodanig gebruik, gelet op de aard van het voertuig, niettemin voor de hand ligt, geeft haar oordeel dat het ongecontroleerd bezit van dat voorwerp in strijd is met het algemeen belang, geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting, terwijl het evenmin onbegrijpelijk is. Dat oordeel, dat de oplegging van de maatregel zelfstandig draagt, behoefde, ook in het licht van de door de verdachte aangevoerde omstandigheid “dat het zijn bedoeling is de motorstep aan de muur te hangen”, geen nadere motivering. 4.
- Het middel kan derhalve niet tot cassatie leiden.
- Slotsom Nu geen van de middelen tot cassatie kan leiden, terwijl de Hoge Raad ook geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, moet het beroep worden verworpen.
- Beslissing De Hoge Raad verwerpt het beroep. Dit arrest is gewezen door de vice-president C.J.G. Bleichrodt als voor-zitter, en de raadsheren F.H. Koster en J.P. Balkema, in bijzijn van de waarnemend-griffier H.H.A. de Nijs, en uitgesproken op 7 november 2000.