15 december 2000 Eerste Kamer Nr. C99/139HR Hoge Raad der Nederlanden Arrest in de zaak van: [Eiseres], gevestigd te [vestigingsplaats], EISERES tot cassatie, advocaat: mr. R.A.A. Duk, t e g e n [Verweerder], wonende te [woonplaats], VERWEERDER in cassatie, advocaat: mr. E. Grabandt. 1. Het geding in feitelijke instanties Verweerder in cassatie - verder te noemen: [verweerder] - heeft bij exploit van 11 april 1994 eiseres tot cassatie - verder te noemen: [eiseres] - gedagvaard voor de Kantonrechter te Deventer en gevorderd [eiseres] te veroordelen: 1. tot vergoeding aan [verweerder] van de schade welke hij lijdt, geleden heeft en nog zal lijden uit hoofde van het in het lichaam van de dagvaarding vermelde bedrijfsongeval en voor zover te dezen niet sub 2 gevorderd, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet; 2. tot betaling aan [verweerder] van zijn redelijke kosten van buitengerechtelijke rechtshulp ten bedrage van ƒ 2.515,35. [Eiseres] heeft de vorderingen bestreden. De Kantonrechter heeft bij tussenvonnis van 15 augustus 1996 [verweerder] bewijs opgedragen. Na enquête heeft de Kantonrechter bij eindvonnis van 20 november 1997 de vorderingen afgewezen. Tegen beide vonnissen heeft [verweerder] hoger beroep ingesteld bij de Rechtbank te Zwolle. Bij vonnis van 3 maart 1999 heeft de Rechtbank beide vonnissen van de Kantonrechter vernietigd en opnieuw rechtdoende de vorderingen van [verweerder] alsnog toegewezen. Het vonnis van de Rechtbank is aan dit arrest gehecht. 2. Het geding in cassatie Tegen het vonnis van de Rechtbank heeft [eiseres] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. [Verweerder] heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep. De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten. De conclusie van de Advocaat-Generaal Spier strekt tot verwerping van het beroep. De advocaat van [eiseres] heeft bij brief van 18 september 2000 op die conclusie gereageerd. 3. Beoordeling van het middel 3.1 In deze zaak is het ongeval aan de orde dat [verweerder] op 17 juli 1992 is overkomen tijdens de uitvoering van werkzaamheden die hij in dienst van [eiseres] verrichtte. Van dit ongeval, waarbij een hand van [verweerder] verminkt is geraakt, heeft de Arbeidsinspectie als gevolg van een te late melding door [eiseres] geen rapport opgemaakt. 3.2 De Kantonrechter heeft de op (thans) art. 7:658 lid 2 BW gebaseerde, onder 1 nader aangeduide vorderingen van [verweerder] afgewezen. In hoger beroep heeft de Rechtbank de grieven van [verweerder] gegrond bevonden en diens vorderingen alsnog toegewezen. Nu een ongevalsrapportage door de Arbeidsinspectie ontbreekt, aldus - kort samengevat en voorzover in cassatie van belang - de Rechtbank, heeft [eiseres] noch met betrekking tot haar verweer dat zij de op haar rustende zorgplicht om de veiligheid van haar werknemers te waarborgen heeft nageleefd, noch met betrekking tot haar verweer dat sprake is geweest van opzet of bewuste roekeloosheid aan de zijde van [verweerder] aan haar stelplicht voldaan (rov. 4.2 en 4.3). 3.3 Vooropgesteld moet worden dat in het onderhavige geval art. 7:658 BW van toepassing is (HR 3 december 1999, nr. C98/202, NJ 2000, 211). De in het middel vervatte klacht die van het tegendeel uitgaat, is in de schriftelijke toelichting ingetrokken. 3.4 Het middel klaagt dat de Rechtbank blijkens haar onder 3.2 weergegeven overwegingen heeft miskend, dat het enkele ontbreken van een ongevalsrapportage door de Arbeidsinspectie niet meebrengt dat [eiseres], zonder meer, niet aan haar stelplicht inzake
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.