Nr. 35278 20 december 2000 gewezen op het beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Leeuwarden van 12 maart 1999 betreffende na te melden aan de coöperatie X b.a. te Z opgelegde naheffingsaanslag in de omzetbelasting.
(1992)percent op de voet van artikel 15 van de Wet, in totaal een bedrag van ƒ 1.946.544,--, in aftrek gebracht. De Inspecteur heeft, zich op het standpunt stellende dat dit bedrag niet voor aftrek in aanmerking komt, dit bedrag begrepen in de onderhavige naheffingsaanslag. 3.
- Het Hof heeft geoordeeld dat een uitdeling van haar positieve exploitatieresultaat door een coöperatie aan haar leden, indien deze uitdeling - gelijk te dezen - plaatsvindt naar rato van de door de leden geleverde melk, dient te worden aangemerkt als een vergoeding ter zake van de levering door die leden van die melk in de zin van artikel 8, lid 2, van de Wet en alsdan - voorzover in rekening gebracht in het desbetreffende tijdvak - als het in rekening gebrachte bedrag in de zin van artikel 27, lid 4, van de Wet. Het Hof heeft voorts geoordeeld dat door de plaatsing van de certificaten bij de leden een stortingsplicht tot de nominale waarde van de desbetreffende certificaten ontstond en dat, nu belanghebbende dat recht op storting tot het nominale bedrag heeft prijsgegeven en voldaan heeft geacht door verrekening met winstuitdelingen aan haar leden tot hetzelfde bedrag, gezegd moet worden dat dit bedrag is aan te merken als onderdeel van de vergoeding ter zake van de geleverde melk. Het middel voert aan dat de handelingen met betrekking tot de certificaten als één geheel moeten worden beschouwd en dat geen sprake is van uitgeven van certificaten, uitdeling van winst, storting en compensatie. Het middel wordt in zoverre terecht voorgesteld. De feiten laten geen andere conclusie toe dan dat sprake is van één transactie, te weten het uitreiken van certificaten. Nu deze certificaten - naar het Hof heeft geoordeeld en in cassatie niet wordt bestreden - zijn verstrekt ter zake van de levering van melk door de leden, dient de waarde ervan tot de vergoeding voor de levering van melk te worden gerekend. Het Hof is echter ten onrechte uitgegaan van de nominale waarde van de certificaten en niet van de waarde die de certificaten voor de leden vertegenwoordigen. Gelet op het hiervóór overwogene kan ’s Hofs uitspraak niet in stand blijven. Verwijzing moet volgen voor het vaststellen van laatstgenoemde waarde.
- Proceskosten De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken. De vraag of aan belanghebbende voor de kosten in verband met de behandeling van het geding voor het Hof een vergoeding dient te worden toegekend, zal door het verwijzingshof worden beoordeeld.
- Beslissing De Hoge Raad: vernietigt de uitspraak van het Hof, behoudens de beslissing omtrent het griffierecht; verwijst het geding naar het Gerechtshof te Arnhem ter verdere behandeling en beslissing van de zaak in meervoudige kamer met inachtneming van dit arrest. Dit arrest is op 20 december 2000 vastgesteld door de vice-president R.J.J. Jansen als voorzitter, en de raadsheren G.J. Zuurmond, A.E. de Moor, D.G. van Vliet en P. Lourens, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier J.M. van Hooff, en op die datum in het openbaar uitgesproken.