9 januari 2001 Strafkamer nr. 00940/99 P Hoge Raad der Nederlanden Arrest op het beroep in cassatie tegen een uitspraak van het Gerechtshof te ‘s- Hertogenbosch van 12 mei 1999 op een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ten laste van: [verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1953, wonende te [woonplaats]. 1. De bestreden uitspraak 1.1. Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een beslissing van de Arrondissementsrechtbank te Roermond van 17 februari 1998 - de betrokkene de verplichting opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van éénmiljoenvierhonderéénendertigduizendvijf-honderdnegentig gulden, subsidiair tweeëndertig maanden hechtenis. 1.2. Het verkorte arrest is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. 2. Geding in cassatie Het beroep is ingesteld door de betrokkene. Namens deze heeft mr. M. Moszkowicz, advocaat te Maastricht, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De Advocaat-Generaal Jörg heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep. 3. Beschouwingen naar aanleiding van het eerste en het tweede middel 3.1. De middelen bevatten klachten aangaande de overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in onder meer art. 6, eerste lid, EVRM. 3.2. In zijn arrest van 3 oktober 2000 (NJ 2000, 721, ELRO AA 7309) heeft de Hoge Raad enige algemene uitgangspunten en regels geformuleerd waarop zijn huidige rechtspraak over dit onderwerp is gebaseerd. Deze uitgangspunten en regels zijn in het bijzonder gegeven voor gewone strafzaken en zijn niet in alle gevallen gelijkelijk toepasbaar op ontnemingszaken. Daarom zal de Hoge Raad ter aanvulling op het arrest van 3 oktober 2000 ook voor ontnemingszaken enige uitgangspunten en regels formuleren. Toetsing door de Hoge Raad als feitenrechter 3.3. De Hoge Raad oordeelt in volle omvang over de eventuele overschrijding van de redelijke termijn (mede) als gevolg van het tijdsverloop na de uitspraak waartegen beroep in cassatie is ingesteld. 3.4. Zoals in het arrest van 3 oktober 2000 is overwogen, is onder overschrijding van de redelijke termijn mede begrepen de overschrijding van de termijn voor de inzending van de stukken naar de Hoge Raad nadat beroep in cassatie is ingesteld. Die inzendingstermijn is vooralsnog gesteld op 8 maanden. 3.5. Indien de Hoge Raad tot de bevinding komt dat er sprake is van overschrijding van de redelijke termijn - waaronder dus de inzendingstermijn mede is begrepen - leidt dit slechts in uitzonderlijke gevallen tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in zijn vordering, bijvoorbeeld wanneer in een eenvoudige zaak sprake is van een zeer ernstige overschrijding. Regel is dat de overschrijding van de redelijke termijn wordt gecompenseerd door vermindering van het ontnemingsbedrag en van de daarmee corresponderende duur van de vervangende hechtenis. Vermindering blijft echter achterwege indien de overschrijding van de inzendingstermijn is gecompenseerd door een bijzonder voortvarende behandeling van het cassatieberoep. In bijzondere gevallen volstaat de Hoge Raad met het oordeel dat de geconstateerde verdragsschending voldoende is gecompenseerd met de enkele vaststelling dat inbreuk is gemaakt op art. 6, eerste lid, EVRM. Daartoe kan bijvoorbeeld worden besloten indien het de voorkeur verdient de sanctievermindering te concentreren in de (nagenoeg) gelijktijdig behandelde strafzaak waarin eveneens sprake is van overschrijding van de redelijke termijn. 3.6. Omtrent de wijze waarop de opgelegde sanctie wordt verminderd pleegt de Hoge Raad vooralsnog in beginsel een vermindering van ten hoogste 10% te hanteren. Het verminderingspercentage zal daarbij dalen naar mate het opgelegde ontnemingsbedrag hoger is en/of de mate van verdragsschending geringer is. Aanvang van de redelijke termijn 3.7. Op het aan de betrokkene toegekende recht op beslissing op de ontnemingsvordering binnen een redelijke termijn kan inbreuk worden gemaakt door het tijdsverloop, te rekenen vanaf het moment dat vanwege de Nederlandse Staat jegens de betrokkene een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat tegen hem een vordering tot ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel aanhangig zal worden gemaakt. Dat moment zal in de regel niet samenvallen met dat waarop de op zijn redelijkheid te beoordelen termijn in de met de ontnemingsvordering samenhangende strafzaak begint. 3.8. Het is aan de feitenrechter om, gelet op de omstandigheden van het geval, dit moment vast te stellen. Hoewel een meer specifieke regel daaromtrent niet valt te geven, zal in het algemeen als aanvangsdatum voor de redelijke termijn aangenomen kunnen worden: a. het in art. 311, eerste lid, Sv bedoelde moment waarop de officier van justitie uiterlijk bij gelegenheid van zijn requisitoir in de hoofdzaak in eerste aanleg zijn voornemen kenbaar maakt een ontnemingsvordering aanhangig te zullen maken, of b. het moment waarop de betrokkene ervan op de hoogte geraakt dat tegen hem een strafrechtelijk financieel onderzoek als bedoeld in art. 126 Sv is ingesteld, of c. het moment waarop de in art. 511b Sv bedoelde vordering aan de betrokkene is betekend. Onder omstandigheden zijn ook andere aanvangsmomenten aan te wijzen, bijvoorbeeld in het geval dat de positie van de betrokkene in belangrijke mate wordt beïnvloed door een specifiek op voordeelsontneming gerichte beslaglegging op grond van art. 94a Sv. Duur van de redelijke termijn 3.9. De redelijkheid van de duur van een ontnemingszaak is net als bij gewone strafzaken afhankelijk van onder meer de volgende omstandigheden: a. de ingewikkeldheid van de zaak; b. de invloed van de betrokkene en zijn raadsman op het procesverloop, en c. de wijze waarop de zaak door de bevoegde autoriteiten is behandeld. Daar komt voor een ontnemingszaak als bijzonderheid bij d. dat de afdoening van de zaak als gevolg van het bepaalde in art. 36e, eerste lid, Sr mede afhankelijk is van de termijn die met de behandeling van de strafzaak is gemoeid en e. dat de ontnemingszaak, naar volgt uit art. 511b, eerste lid, Sv, zo spoedig mogelijk doch in elk geval binnen twee jaren na de uitspraak in eerste aanleg in de strafzaak nog aanhangig kan worden gemaakt. 3.10. Voor de appelfase geldt dat in de regel sprake is van overschrijding van de redelijke termijn indien de stukken van het geding meer dan 8 maanden na het instellen van het hoger beroep ter griffie van de appelrechter zijn binnengekomen. Opmerking verdient dat aan overschrijding van de inzendingstermijn evenwel geen rechtsgevolgen behoeven te worden verbonden indien de zaak in hoger beroep alsnog met bijzondere voortvarendheid ter terechtzitting wordt aangebracht en behandeld. De overschrijding van de inzendingstermijn wordt daardoor gecompenseerd. Rechtsgevolgen van overschrijding van de redelijke termijn 3.11. In de regel behoort overschrijding van de redelijke termijn in ontnemingszaken te leiden tot vermindering van het te betalen bedrag en van de duur van de vervangende hechtenis. De vermindering is afhankelijk van de mate waarin de redelijke termijn is overschreden. 3.12. Voor niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vordering is slechts in uitzonderlijke gevallen plaats. 4. Beoordeling van het eerste middel 4.1. Het eerste middel klaagt over ‘s Hofs verwerping van een in hoger beroep gevoerd verweer strekkende tot niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie in de vordering op de grond dat de berechting van de zaak niet heeft plaatsgevonden binnen een redelijke termijn als bedoeld in art. 6 EVRM. 4.2. Het Hof heeft het in het middel bedoelde verweer samengevat en verworpen op blz. 1 en 2 van de bestreden uitspraak. 4.3. Zoals hiervoor onder 3.11 is vooropgesteld, is voor niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vordering op de grond dat de redelijke termijn van berechting is overschreden, slechts in uitzonderlijke gevallen plaats. 4.4. De stukken houden, voorzover thans van belang, ten aanzien van het verloop van de procedure het volgende in: (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.