6 juni 2001 Derde Kamer Rek.nr. OK 81 Hoge Raad der Nederlanden Beschikking in de zaak van: 1. YVC HOLDING B.V., gevestigd te Schiedam, 2. YVC IJSSELWERF B.V., gevestigd te Capelle aan den IJssel, VERZOEKSTERS tot cassatie, advocaat: voorheen mr. P.A. Ruig, thans mr. J.W.H. van Wijk, t e g e n FNV BONDGENOTEN, gevestigd te Amsterdam, VERWEERSTER in cassatie, advocaat: mr. E. van Staden ten Brink. 1. Het geding in feitelijke instantie Voor het verloop van het geding in feitelijke instantie verwijst de Hoge Raad naar de beschikking van de Ondernemingskamer van het Gerechtshof te Amsterdam van 21 oktober 1999, Bij deze beschikking heeft de Ondernemingskamer een onderzoek bevolen naar het beleid en de gang van zaken van YVC Holding B.V. en YVC IJsselwerf B.V. - tezamen verder: YVC - over het tijdvak als onder 4.10 van de beschikking vermeld en ten aanzien van YVC Holding B.V. onder de beperking tot de gang van zaken en het beleid van de Holding voor zover deze betrekking hadden en hebben op YVC IJsselwerf B.V. en met benoeming van mr. L.P. van den Blink teneinde het onderzoek te verrichten, en de Ondernemingskamer heeft voorts beslissingen gegeven omtrent de kosten. De beschikking van de Ondernemingskamer is aan deze beschikking gehecht. 2. Het geding in cassatie YVC heeft tegen de voormelde beschikking van de Ondernemingskamer beroep in cassatie ingesteld. Het verzoekschrift tot cassatie is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit. Verweerster in cassatie - verder: FNV - heeft het cassatieberoep bestreden. De Plaatsvervangend Procureur-Generaal M.R. Mok heeft op 19 januari 2001 geconcludeerd tot verwerping van het beroep. YVC heeft bij brief van 15 februari 2001 een reactie op die conclusie gegeven. 3. Beoordeling van het middel 3.1 In cassatie kan worden uitgegaan van de feiten die zijn vermeld in rov. 3.1 tot en met 3.6 van de bestreden beschikking. 3.2 De Ondernemingskamer heeft in rov. 4.4 van haar beschikking overwogen dat zij de zienswijze van FNV deelt dat het welbewust afstevenen op een beëindiging van IJsselwerf, mede in het licht van de ter gelegenheid van de overname van Wilton-Feijenoord aan het personeel gegeven werkgelegenheidsgarantie voor de duur van twee jaren met ingang van maart 1999, in strijd zou zijn met elementaire beginselen van behoorlijk ondernemerschap. De Ondernemingskamer overweegt voorts dat zij het ook met FNV eens is “dat er zodanige krachtige aanwijzingen zijn dat van een dergelijk voornemen bij YVC sprake is geweest, althans dat er zodanige klemmende vragen naar een juist beleid zijn gerezen, dat het stellen van een onderzoek gerechtvaardigd is”. Het middel klaagt dat de beslissing van de Ondernemingskamer om op deze gronden een onderzoek naar het beleid en de gang van zaken van YVC Holding en YVC IJsselwerf te bevelen, rechtens onjuist is, althans onvoldoende is gemotiveerd. 3.3 Uitgangspunt moet zijn dat het verzoek tot het instellen van een onderzoek op grond van het bepaalde in art. 2:350 BW slechts toewijsbaar is, wanneer blijkt van gegronde redenen om aan een juist beleid te twijfelen. Het oordeel van de Ondernemingskamer dat van gegronde redenen sprake is, kan, verweven als het is met waarderingen van feitelijke aard, in cassatie slechts in beperkte mate worden getoetst. Het heeft echter niet een voorlopig karakter. Het is immers een eindbeslissing voor zover daarop de beslissing om een onderzoek te bevelen, is gebaseerd. Het verweer van FNV dat het cassatieberoep niet-ontvankelijk is, moet derhalve worden verworpen. 3.4 De Ondernemingskamer heeft haar hiervoor in 3.2 vermelde oordeel in de eerste plaats gebaseerd op de omstandigheden dat (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.