10 augustus 2001 Eerste Kamer Nr. C00/040HR AT Hoge Raad der Nederlanden Arrest in de zaak van:
- [Eiser 1],
- [Eiseres 2], beiden wonende te [woonplaats], EISERS tot cassatie, advocaat: mr. A.J.Th. de Bree, t e g e n POSTBANK SCHADEVERZEKERING N.V., gevestigd te 's-Gravenhage, VERWEERSTER in cassatie, niet verschenen.
- Het geding in feitelijke instantie Eisers tot cassatie - verder te noemen: [eiser] c.s. - hebben bij exploit van 12 maart 1999 verweerster in cassatie - verder te noemen: de Postbank - gedagvaard voor de Kantonrechter te Amsterdam en gevorderd de Postbank te veroordelen tot betaling aan [eiser] c.s. gezamenlijk van een bedrag van ƒ 9.613,25, te vermeerderen met de wettelijke rente over ƒ 8.106,70 vanaf 5 maart 1999 tot aan de dag der algehele voldoening. De Postbank heeft bij conclusie van antwoord een exceptie van onbevoegdheid opgeworpen alsmede de vordering bestreden. De Kantonrechter heeft zich, na een tussenvonnis van 23 juli 1999, bij eindvonnis van 15 oktober 1999 in het incident onbevoegd verklaard en in de hoofdzaak de zaak verwezen naar de Kantonrechter te 's-Gravenhage. Het eindvonnis van de Kantonrechter is aan dit arrest gehecht.
- Het geding in cassatie Tegen het eindvonnis van de Kantonrechter hebben [eiser] c.s. beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. Tegen de Postbank is verstek verleend. De zaak is voor [eiser] c.s. toegelicht door hun advocaat. De conclusie van de Plaatsvervangend Procureur-Generaal strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van [eiser] c.s. in hun beroep.
- Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep 3.1 Wat betreft de feiten en het verloop van de procedure verwijst de Hoge Raad naar punt 1 van de conclusie van de Plaatsvervangend Procureur-Generaal en naar het hiervoor onder 1 overwogene. 3.2 Ingevolge art. 157b lid 4 Rv. is tegen het vonnis, houdende onbevoegdverklaring, waarbij wordt verwezen naar een rechter van gelijke rang, geen hogere voorziening toegelaten. Derhalve dienen [eiser] c.s. niet-ontvankelijk te worden verklaard in hun beroep. Daaraan doet, anders dan [eiser] c.s. in cassatie betogen, niet af dat de Hoge Raad in zijn arrest van 18 juni 1993, nr. 15030, NJ 1994, 4, het cassatieberoep ontvankelijk heeft geacht tegen een vonnis waarbij de kantonrechter zich onbevoegd had verklaard, nu het in die zaak ging om het geval waarin de kantonrechter oordeelde dat hij absoluut onbevoegd was en de Hoge Raad van oordeel was dat in een zodanig geval het cassatieberoep ontvankelijk was op grond van het bepaalde in art. 100 lid 1, aanhef en onder 3°, RO.
- Beslissing De Hoge Raad: verklaart [eiser] c.s. niet-ontvankelijk in hun beroep; veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van de Postbank begroot op nihil. Dit arrest is gewezen door de raadsheren R. Herrmann, als voorzitter, H.A.M. Aaftink en P.C. Kop, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer W.H. Heemskerk op 10 augustus 2001.
🔗 Naar officiële bron
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.