2 november 2001 Eerste Kamer Nr. C00/020HR AS Hoge Raad der Nederlanden Arrest in de zaak van: [Eiser], wonende te [woonplaats], EISER tot cassatie, advocaat: mr. K.G.W. van Oven, t e g e n de stichting STICHTING HOGESCHOOL ROTTERDAM EN OMSTREKEN, gevestigd te Rotterdam, VERWEERSTER in cassatie, advocaat: mr. R.A.A. Duk. 1. Het geding in feitelijke instanties Verweerster in cassatie - verder te noemen: de Hogeschool - heeft bij exploit van 23 augustus 1994 eiser tot cassatie - verder te noemen: [eiser] - gedagvaard voor het Kantongerecht te Rotterdam en gevorderd: 1. [Eiser] te veroordelen binnen tien dagen na betekening van het ten deze te wijzen vonnis aan de Hogeschool een opgave te verstrekken van zijn als voorzitter van het openbaar lichaam ter voorbereiding van de instelling van het Zuidelijk Utrechts Waterschap genoten inkomsten gedurende de periode 1 juli 1991 tot 1 januari 1994, zulks gestaafd door loonopgaves en jaaroverzichten en zulks op straffe van een dwangsom van ƒ 1.000,-- voor elke dag dat [eiser] geheel of gedeeltelijk in gebreke blijft aan deze veroordeling te voldoen; 2. Primair: [Eiser] te veroordelen tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de Hogeschool te betalen de gedurende zijn dienstverband bij de Hogeschool ontvangen gelden uit hoofde van zijn functie als voorzitter van het openbaar lichaam als onder 1 bedoeld, e.e.a. conform de onder 1 bedoelde opgave en te vermeerderen met de wettelijke rente over het totaal vanaf 20 juni 1994 tot aan de dag der algehele voldoening; Subsidiair: De gevolgen van de overeenkomst ter opheffing van het door [eiser] veroorzaakte nadeel wijzigt op basis van art. 6:228 jo. 6:230 lid 2 BW in die zin dat [eiser] wordt veroordeeld zijn inkomsten uit nevenarbeid uit hoofde van zijn functie als voor-zitter van het openbaar lichaam als onder 1 bedoeld aan de Hogeschool af te dragen, welke inkomsten aan de hand van de onder 1 bedoelde opgave door de Hogeschool worden vastgesteld en door [eiser] aan de Hogeschool dienen te worden betaald, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag dezer dagvaarding tot aan die der algehele voldoening; Meer subsidiair: De gevolgen van de overeenkomst op grond van voornoemde onvoorziende omstandigheid wijzigt op basis van art. 6:258 BW in die zin dat de Hogeschool slechts gehouden is de door gedaagde vanaf 1 juli 1991 tot en met 31 december 1993 genoten neveninkomsten te suppleren tot het door haar uit hoofde van de arbeidsovereenkomst aan [eiser] verschuldigde salaris met bijbehorende emolumenten, met veroordeling van [eiser] het aldus teveel door hem genotene aan de Hogeschool terug te betalen, welk bedrag aan de hand van de onder 1 bedoelde opgave door de Hogeschool wordt vastgesteld en door [eiser] aan de Hogeschool dient te worden teruggestort vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag dezer dagvaarding tot aan die der algehele voldoening; 3. [Eiser] te veroordelen om aan de Hogeschool ten titel van vermogensschade als bedoeld in art. 6:96 lid 2 c BW te betalen een bedrag gelijk aan 15% van het conform dit vonnis primair, subsidiair, of meer subsidiair te betalen bedrag. [Eiser] heeft de vordering bestreden en een vordering in reconventie ingesteld die in cassatie niet meer terzake doet. Na een bevoegdheidsincident dat in cassatie niet meer van belang is, heeft de Kantonrechter bij tussenvonnis van 3 mei 1995 de procedure naar de rol verwezen voor het nemen van een nadere conclusie in conventie aan de zijde van de Hogeschool. De Kantonrechter heeft bij tussenvonnis van 26 juli 1995 [eiser] opgedragen om uiterlijk voor 30 september 1995 aan de Hogeschool opgave te verstrekken van zijn in het kader van zijn aanstelling op 28 augustus 1991 als voorzitter van het Samenwerkingsverband ZUW gedurende het bestaan van de arbeidsovereenkomst tussen partijen, althans in de periode tot 1 augustus 1993, genoten inkomsten, een en ander gestaafd door loonopgaves en jaaroverzichten en heeft de procedure aangehouden alsmede bepaald dat van dit vonnis eerst na het eindvonnis kan worden geappelleerd. Tegen deze tussenvonnissen heeft [eiser] hoger beroep ingesteld bij de Rechtbank te Rotterdam. Bij vonnis van 12 september 1996 heeft de Rechtbank [eiser] niet-ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep. Bij tussenvonnis van 22 januari 1997 heeft de Kantonrechter [eiser] veroordeeld binnen één maand na de betekening van dit vonnis aan de Hogeschool opgave te verstrekken van zijn in het kader van zijn aanstelling op 28 augustus 1991 als voorzitter van het Samenwerkingsverband ZUW gedurende het bestaan van de arbeidsovereenkomst tussen partijen in de periode vanaf 28 augustus 1991 tot en met 31 december 1993 genoten inkomsten, een en ander gestaafd door loonopgaves en jaaroverzichten, zulks op straffe van een dwangsom van ƒ 500,-- voor iedere dag dat [eiser] geheel of gedeeltelijk in gebreke blijft aan deze veroordeling te voldoen en heeft de beoordeling voor het overige aangehouden alsmede bepaald dat van dit vonnis eerst na het eindvonnis kan worden geappelleerd. Tegen dit tussenvonnis en de daaraan voorafgaande tussenvonnissen heeft [eiser] hoger beroep ingesteld bij de Rechtbank te Rotterdam. Bij vonnis van 16 april 1998 heeft de Rechtbank rechtdoende in hoger beroep de vonnissen van de Kantonrechter te Rotterdam van 3 mei 1995 en 26 juli 1995 bekrachtigd en het vonnis van 22 januari 1997 vernietigd, doch slechts voorzover [eiser] daarin is veroordeeld om aan de Hogeschool opgave te verstrekken van zijn tot en met 31 december 1993 genoten neveninkomsten en, in zoverre opnieuw rechtdoende, bepaald dat [eiser] de bedoelde opgave slechts behoeft te doen tot en met 31 juli 1993 en bekrachtigd het vonnis van 22 januari 1997 voor het overige. Bij vonnis van 12 augustus 1998 heeft de Kantonrechter [eiser] veroordeeld om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de Hogeschool te betalen een bedrag van ƒ 177.633,76 bruto, terzake van in de periode van 28 augustus 1991 tot en met 31 juli 1993 uit hoofde van zijn functie als voorzitter van het Openbaar Lichaam ter voorbereiding van de instelling van het Zuidelijk Utrechtse Waterschap genoten inkomsten, een en ander te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf de dag van dagvaarding tot aan die der algehele voldoening. Tegen dit vonnis heeft [eiser] hoger beroep ingesteld bij de Rechtbank te Rotterdam. De Rechtbank heeft bij vonnis van 23 september 1999 het bestreden vonnis bekrachtigd. Het vonnis van de Rechtbank is aan dit arrest gehecht. 2. Het geding in cassatie Tegen het vonnis van de Rechtbank heeft [eiser] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De Hogeschool heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep. De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten. De conclusie van de Advocaat-Generaal F.B. Bakels strekt tot vernietiging van het bestreden vonnis en verwijzing van de zaak naar het Hof te 's-Gravenhage. De advocaat van de Hogeschool heeft bij brief van 9 juli 2001 op die conclusie gereageerd. 3. Beoordeling van de middelen 3.1 In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan. (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.