30 november 2001 Eerste Kamer Nr. C00/041HR MP Hoge Raad der Nederlanden Arrest in de zaak van: [Eiseres], gevestigd te [vestigingsplaats], EISERES tot cassatie, advocaat: mr. E. van Staden ten Brink, t e g e n CARNIFOUR COMPANY V.O.F., gevestigd te Best, VERWEERSTER in cassatie, advocaat: mr. G.C. Makkink. 1. Het geding in feitelijke instanties Eiseres tot cassatie - verder te noemen: [eiseres] - heeft bij exploit van 14 februari 1995 verweerster in cassatie - verder te noemen: Carnifour - gedagvaard voor de Rechtbank te 's-Hertogenbosch en gevorderd Carnifour te veroordelen om aan [eiseres] te betalen een bedrag van ƒ 70.110,01 vermeerderd met de rente ad 1,5% per maand over ƒ 51.348,45 met ingang van 5 maart 1992, en vermeerderd met de wettelijke rente over ƒ 18.761,36 met ingang van 4 januari 1995. Carnifour heeft de vordering bestreden. In reconventie heeft zij het door haar betaalde bedrag van ƒ 51.348,45 teruggevorderd, vermeerderd met de wettelijke rente. [Eiseres] heeft de reconventionele vordering bestreden. De Rechtbank heeft bij vonnis van 25 april 1997 in conventie de vorderingen van [eiseres] afgewezen en in reconventie [eiseres] veroordeeld om tegen kwijting aan Carnifour te betalen de somma van ƒ 51.348,45, vermeerderd met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 19 maart 1995 tot aan die der voldoening. Tegen dit vonnis heeft [eiseres] hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch. Nadat het Hof bij tussenarrest van 20 oktober 1998 zowel [eiseres] als Carnifour tot bewijs had toegelaten, heeft het Hof bij eindarrest het bestreden vonnis bekrachtigd. Het arrest van het Hof is aan dit arrest gehecht. 2. Het geding in cassatie Tegen het arrest van het Hof heeft [eiseres] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. Carnifour heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep. De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten. De conclusie van de Advocaat-Generaal E.M. Wesseling-van Gent strekt tot verwerping van het beroep. De advocaat van [eiseres] heeft bij brief van 5 oktober 2001 op die conclusie gereageerd. 3. Beoordeling van het middel 3.1 Het gaat in dit geding om het volgende. Op 23 maart 1992 heeft [eiseres] conservatoir beslag doen leggen onder Carnifour ten laste van United Meat Packers (Ballyhaunis) Ltd. (verder: UMP Ballyhaunis), een vennootschap naar Iers recht, tot zekerheid van de vordering van [eiseres] op deze Ierse vennootschap. Op 7 april 1992 heeft Carnifour een schriftelijke verklaring afgelegd zoals bedoeld in art. 476a Rv., inhoudende dat zij een bedrag van ƒ 255.657,91 verschuldigd was aan UMP Ballyhaunis. [eiseres] heeft een executoriale titel verkregen tegen UMP Ballyhaunis en vordert in dit geding dat Carnifour aan haar, dan wel aan de executerende deurwaarder, ƒ 70.110,01 met rente en kosten zal betalen. Carnifour weigert genoemd bedrag te betalen omdat zij zich bij het doen van voormelde verklaring heeft vergist. Zij was het genoemde bedrag van ƒ 255.657,91 niet schuldig aan UMP Ballyhaunis, maar aan United Meat Packers (Export) Ltd. (verder: UMP Export). Carnifour heeft, mede onder de druk van de oplopende rente van 1,5% per maand, op 9 maart 1995 een bedrag van ƒ 51.348,45 - de hoofdsom van hetgeen [eiseres] van UMP Ballyhaunis te vorderen heeft - aan [eiseres] voldaan. In reconventie heeft zij dit bedrag, als onverschuldigd betaald, teruggevorderd. 3.2 De Rechtbank heeft in conventie de vordering van [eiseres] afgewezen en de vordering van Carnifour in reconventie toegewezen. In hoger beroep heeft [eiseres] haar vordering in zoverre gewijzigd dat zij alsnog uitdrukkelijk onrechtmatig handelen van Carnifour aan haar vordering ten grondslag heeft gelegd. Daartoe heeft [eiseres], samengevat, aangevoerd dat Carnifour jegens haar niet meer op de buitengerechtelijke verklaring is teruggekomen, zodat zij erop mocht vertrouwen dat het beslag doel had getroffen. In het vertrouwen dat het verhaal aldus verzekerd was, heeft zij niet alleen de procedure tegen UMP Ballyhaunis voortgezet maar ook eventuele verhaalsmogelijkheden laten schieten. Het Hof heeft in de rov. 4.3.6 en 4.5 van zijn tussenarrest vastgesteld dat Carnifour op het tijdstip waarop het derdenbeslag werd gelegd niets aan UMP Ballyhaunis was verschuldigd zodat de vordering van [eiseres] niet uit dien hoofde kan worden toegewezen. Dit oordeel wordt in cassatie niet bestreden. Het Hof heeft bij zijn tussenarrest onder meer [eiseres] toegelaten te bewijzen dat zij op 7 april 1992 andere mogelijkheden had om haar vordering op UMP Ballyhaunis te verzekeren. In zijn eindarrest heeft het Hof geoordeeld dat [eiseres] niet erin was geslaagd te bewijzen dat zij op 7 april 1992 nog over andere mogelijkheden beschikte om haar vordering op UMP Ballyhaunis te verzekeren. Daarom is, naar 's Hofs oordeel, niet komen vast te staan dat [eiseres] schade heeft geleden als gevolg van de onjuistheid van de verklaring van Carnifour. Het middel keert zich in het bijzonder tegen 's Hofs tussenarrest. Wat 's Hofs eindarrest betreft volstaat het middel ermee in onderdeel 3 te betogen dat gegrondbevinding van tegen het tussenarrest gerichte klachten, meebrengt dat ook het eindarrest niet in stand kan blijven. 3.3.1 De onderdelen 1.1 - 1.5 zijn gericht tegen 's Hofs rov. 4.4 van zijn tussenarrest, waar het overweegt: "De stelling van [eiseres] dat Carnifour (...) aan haar verklaring kan worden gehouden in die zin dat Carnifour door het enkele afleggen van die verklaring thans zelf het door [eiseres] aan UMP Ballyhaunis te vorderen bedrag aan [eiseres] verschuldigd is, vindt geen steun in het recht. Evenmin schept art. 477 Rv. een geheel op zichzelf staande verplichting voor Carnifour om voornoemd bedrag aan de executerende deurwaarder af te geven." 3.3.2 Bij de beoordeling van deze onderdelen moet het volgende worden vooropgesteld. (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.