ECLI:NL:HR:2001:AD4434
27 november 2001 Strafkamer nr. 03349/00 KD/SM Hoge Raad der Nederlanden Arrest op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Amsterdam van 5 april 2000, nummer 23/001658-98, in de strafzaak tegen: [verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1965, wonende te [woonplaats].
Namens deze heeft mr. G.G.J. Knoops, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal Wortel heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad het beroep zal verwerpen.
4.2. Het Hof heeft ten laste van de verdachte bewezenverklaard dat: "[Betrokkene A] op 27 februari 1997 in de gemeente Alkmaar opzettelijk en met voorbedachten rade [het slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft genoemde [betrokkene A] opzettelijk en met voorbedachten rade, namelijk na kalm beraad en rustig overleg, [het slachtoffer] meermalen met een of meer klauwhamers, met kracht, op het hoofd geslagen, waardoor [dat slachtoffer] dusdanig letsel heeft bekomen, dat zij daardoor is overleden, tot het plegen van welk misdrijf verdachte in de periode van 10 februari 1997 tot en met 27 februari 1997, in de gemeenten Eindhoven en Alkmaar opzettelijk gelegenheid heeft verschaft en opzettelijk behulpzaam is geweest, door tezamen met die [betrokkene A] het plan om [dat slachtoffer] te doden te bespreken en tezamen met die [betrokkene A] klauwhamers te kopen en die [betrokkene A], terwijl hij, verdachte, wist van het voornemen van die [betrokkene A] om [het slachtoffer] van het leven te beroven, met een door hem, verdachte, bestuurde auto te vervoeren naar Alkmaar en in de gemeente Alkmaar uit de auto te laten stappen en heeft nagelaten op enigerlei wijze [dat slachtoffer] en/of de politie en/of anderen op de hoogte te brengen van en/of te waarschuwen voor het gegeven dat die [betrokkene A] voornemens was en bij die [betrokkene A] de gedachte had postgevat [dat slachtoffer] te doden en anderszins opzettelijk niet heeft belet dat die [betrokkene A] [dat slachtoffer] zou gaan doden."
4.3. Het Hof heeft het bewezenverklaarde gekwalificeerd als "medeplichtigheid aan moord".
4.4. Op grond van art. 48 Sr kan degene die opzettelijk behulpzaam is bij het plegen van het misdrijf of die opzettelijk gelegenheid, middelen of inlichtingen verschaft tot het plegen van het misdrijf, worden gestraft als medeplichtige aan dat misdrijf (de zogenoemde actieve medeplichtigheid). Als medeplichtige kan ook worden gestraft degene die in strijd met een op hem rustende rechtsplicht opzettelijk nalaat te beletten dat het misdrijf wordt gepleegd (vgl. HR 12 december 2000, ELRO AA8966) (de zogenoemde passieve medeplichtigheid).
4.5. Het bestreden arrest bevat niets waaruit een dergelijke voor de medeplichtigheid vereiste, op de verdachte rustende rechtsplicht kan worden afgeleid. Daarbij verdient opmerking dat kennis omtrent het voornemen van een ander tot het plegen van een misdrijf niet zonder meer voldoende is voor het doen ontstaan van de rechtsplicht tot openbaarmaking van die kennis en het aldus beletten van het misdrijf.
Die plicht kan hier ook niet worden ontleend aan art. 136 Sr. Ingevolge art. 137 Sr is art. 136 Sr onder meer niet van toepassing op hem die door de in laatstgenoemd artikel bedoelde kennisgeving gevaar voor strafvervolging zou doen ontstaan voor zichzelf. Op grond van de wetsgeschiedenis moet worden aangenomen dat de wetgever daarbij mede het oog heeft gehad op degene die als deelnemer bij het desbetreffende delict is betrokken. Daaruit vloeit voort dat art. 136 Sr ten aanzien van enig daarin genoemd delict niet van toepassing is op degene, die, zoals de verdachte in deze zaak, als - actieve -medeplichtige aan dat delict wordt vervolgd.
4.6. Uit het voorgaande volgt dat de bewezenverklaring voorzover inhoudende dat de verdachte "heeft nagelaten op enigerlei wijze [dat slachtoffer] en/of de politie en/of anderen op de hoogte te brengen van en/of te waarschuwen voor het gegeven dat die [betrokkene A] voornemens was en bij die [betrokkene A] de gedachte had postgevat [dat slachtoffer] te doden en anderszins opzettelijk niet heeft belet dat die [betrokkene A] [dat slachtoffer] zou gaan doden", geen medeplichtigheid oplevert.
4.7. Dit behoeft evenwel niet tot cassatie te leiden omdat de overige onderdelen van de bewezenverklaring "medeplichtigheid aan moord" opleveren.
4.8. 's Hofs strafmotivering houdt onder meer het volgende in: "Verdachte is medeplichtig aan de moord op de grootmoeder van [betrokkene A]. Verdachte is opzettelijk behulpzaam geweest bij het plegen van het misdrijf, in dier voege dat hij [betrokkene A] naar de woonplaats van het slachtoffer heeft vervoerd en aanwezig is geweest bij de aanschaf van een tweetal hamers waarmee het slachtoffer later om het leven is gebracht. Verdachte is gedurende dit behulpzaam zijn telkens op de hoogte geweest van het voornemen van [betrokkene A], doch heeft zijn hulp niet gestaakt en evenmin derden gewaarschuwd."
4.9. Gelet op deze overwegingen, meer in het bijzonder voorzover zij inhouden dat de verdachte geen derden heeft gewaarschuwd, heeft het Hof klaarblijkelijk de bewezen-verklaarde nalatigheid - hiervoor onder 4.6 bedoeld - als medeplichtigheid opleverend nalaten ten bezware van de verdachte bij de straftoemeting betrokken. Dat strookt niet met het hiervoor onder 4.6 door de Hoge Raad gegeven oordeel, zodat de strafoplegging ontoereikend is gemotiveerd. Te dien aanzien kan de bestreden uitspraak derhalve niet in stand blijven.
5.2. Uit hetgeen hiervoor onder 4.5 is overwogen volgt dat het middel tevergeefs is voorgesteld.
Vernietigt de bestreden uitspraak - voorzover aan zijn oordeel onderworpen - maar uitsluitend wat betreft de strafoplegging;
Verwijst de zaak naar het Gerechtshof te 's-Gravenhage opdat de zaak wat betreft de strafoplegging op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan;
Verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president W.J.M. Davids als voorzitter, en de raadsheren F.H. Koster, A.M.M. Orie, A.J.A. van Dorst en E.J. Numann, in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, en uitgesproken op 27 november 2001.
Mr. A.M.M. Orie is buiten staat dit arrest te ondertekenen.