4 december 2001 Strafkamer nr. 03505/00 IV/AS Hoge Raad der Nederlanden Arrest op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Amsterdam van 31 juli 2000, nummer 23/002516-99, in de strafzaak tegen: [verdachte], geboren te [geboorteplaats] (Suriname) op [geboortedatum] 1929, wonende te [woonplaats]. 1. De bestreden uitspraak Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Politierechter in de Arrondissementsrechtbank te Haarlem van 9 december 1998 - de verdachte ter zake van 1. "bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht" en 2. "diefstal" veroordeeld tot een geldboete van duizend gulden, subsidiair twintig dagen, waarvan een gedeelte groot vijfhonderd gulden, subsidiair tien dagen hechtenis, voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. 2. Geding in cassatie Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. M.R.H. Meijer, advocaat te Haarlem, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De Advocaat-Generaal Fokkens heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep. De Hoge Raad heeft kennis genomen van het schriftelijk commentaar van de raadsman op de conclusie van de Advocaat-Generaal. 3. Beoordeling van het eerste en het derde middel De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 101a RO, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling. 4. Beoordeling van het tweede middel 4.1. Het middel bevat de klacht dat het Hof het verweer dat geen sprake was van diefstal, omdat het hout in kwestie (mede)eigendom van de verdachte was althans dat de verdachte dat hout niet kon wegnemen omdat hij dat hout al anders dan door misdrijf onder zich had, ten onrechte heeft verworpen. 4.2. De ter terechtzitting in hoger beroep van 24 juli 2000 overgelegde pleitnota houdt -voorzover hier van belang- in: "Wèlke zijn de feiten? De percelen van [betrokkene A] en [verdachte] grenzen aan elkaar. Tussen de (achter in de tuin gebouwde) garage van [verdachte] en de erfgrens ligt een strook grond van 42 cm breed. Ten behoeve van o.a. [verdachte] dient [betrokkene A] recht van voetpad te verlenen over een strook grond ter breedte van 1,50 mtr, gemeten vanaf de erfgrens [verdachte]/[betrokkene A]. Op de grens zijn indertijd door de rechtsvoorganger van [betrokkene A] beukenbomen geplant, waardoor deze -van rechtswege: art. 5: 62 BW- gemeenschappelijk eigendom en mandelig werden. [Betrokkene A] heeft deze bomen op enig moment gerooid (en vervangen door een coniferenhaag) en het hout daarvan opgeslagen tegen de schuur (en op het terrein) van [verdachte]. Dat was dus
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.