13 februari 2001 Strafkamer nr. 00384/00 LR/SF Hoge Raad der Nederlanden Arrest op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 4 oktober 1999, parketnummer 22/000041-99, alsmede tegen alle op de terechtzitting van dit Hof gegeven beslissingen in de strafzaak tegen: [verdachte], geboren te [geboorteplaats] (voormalige Sovjet-Unie) op [geboortedatum] 1974, ten tijde van de bestreden uitspraak gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting "De Schie" te Rotterdam. 1.De bestreden einduitspraak Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Arrondissementsrechtbank te Rotterdam van 31 december 1998 - de verdachte ter zake van "moord" veroordeeld tot twaalf jaren gevangenisstraf. 2.Geding in cassatie Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. S.T. van Berge Henegouwen, advocaat te Maastricht, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De waarnemend Advocaat-Generaal Keijzer heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad het beroep zal verwerpen. 3.Beoordeling van het eerste middel 3.1In het middel wordt met een rechts- en motiveringsklacht opgekomen tegen de verwerping door het Hof van het verweer dat bij verhoren van de verdachte in Polen door Nederlandse opsporingsambtenaren ten onrechte aan hem niet is medegedeeld dat in Nederland een gerechtelijk vooronderzoek tegen hem was ingesteld. Het middel bevat voorts de klacht dat het Hof bij de verwerping van dat verweer de strekking van art. 207 Sv heeft miskend. 3.2 Het Hof heeft dat verweer in de bestreden uitspraak als volgt samengevat: "d. Verdachte is ernstig in zijn belangen, te weten de mogelijkheid van rechtsbijstand in Nederland, geschaad doordat verzuimd is bij de verhoren van verdachte in Polen hem mede te delen dat in Nederland een gerechtelijk vooronderzoek tegen hem was ingesteld en aldus is sprake van een ernstige schending van de beginselen van een goede procesorde als bedoeld in artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering op grond waarvan bewijs uitsluiting van het gedurende anderhalf jaar verzamelde bewijsmateriaal, dan wel strafvermindering dient te volgen". en als volgt verworpen: "d. het verhoor van verdachte in Polen door de rechter-commissaris op 2 april 1997 (de Hoge Raad leest: 1996) vond niet plaats in het kader van zijn strafzaak, zodat er geen verplichting bestond hem mede te delen dat er een gerechtelijk vooronderzoek tegen hem liep. Ook voor de bij de verhoren van de verdachte op 21 en 23 mei 1996 in Polen betrokken opsporingsambtenaren gold een dergelijke verplichting niet. De verdachte is in het kader van een rechtshulpverzoek van de officier van justitie ten tijde van het tegen verdachte geopende gerechtelijk vooronderzoek in bijzijn van Nederlandse opsporingsambtenaren onder verantwoordelijkheid van Poolse autoriteiten gehoord terwijl hij in Polen uit andere hoofde was gedetineerd. De in artikel 207, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering geformuleerde verplichting voor de rechter-commissaris brengt niet mee dat bedoelde opsporingsambtenaar onder voormelde omstandigheden gehouden waren bedoelde mededeling te doen. Overigens is bij het eerste verhoor in Polen aan de verdachte medegedeeld dat het openbaar ministerie hem verdacht van het feit waarvoor hij thans terecht staat, zodat aan de kennelijke strekking van artikel 207 van het Wetboek van Strafvordering is voldaan". 3.3.De eerste klacht van het middel faalt, omdat art. 207 Sv een verplichting aan de rechter-commissaris en niet aan opsporingsambtenaren oplegt. De tweede klacht moet hetzelfde lot delen, omdat deze uitsluitend is gericht tegen een ten overvloede gegeven overweging.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.