12 juni 2001 Strafkamer nr. 02763/00 MA/IK Hoge Raad der Nederlanden Arrest op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Amsterdam van 14 februari 2000, nummer 23/002243-98, in de strafzaak tegen: [verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1968, wonende te [woonplaats]. 1. De bestreden uitspraak 1.1. Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Arrondissementsrechtbank te Utrecht van 22 april 1998 - de verdachte ter zake van primair "verkrachting" veroordeeld tot vierentwintig maanden gevangenisstraf. 1.2. Het verkorte arrest en de aanvulling daarop als bedoeld in art. 365a, tweede lid, Sv zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit. 2. Geding in cassatie Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. C.N.G.M. Starmans, advocaat te Utrecht, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De Advocaat-Generaal Jörg heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad het beroep zal verwerpen. 3. Beoordeling van het eerste en het tweede middel 3.1. Het eerste en tweede middel bevatten de klacht dat het Hof ten onrechte de ter terechtzitting in hoger beroep gedane vorderingen tot wijziging van de tenlastelegging heeft toegewezen. 3.2. De inleidende dagvaarding bevat een primaire en een subsidiaire tenlastelegging. De eerste in de middelen bedoelde vordering strekt ertoe dat hieraan een meer subsidiaire en meest subsidiaire tenlastelegging wordt toegevoegd. De tweede vordering strekt tot aanvulling van de meer subsidiaire en meest subsidiaire tenlastelegging. 3.3. Het Hof heeft de verdachte veroordeeld op de grondslag van de primaire tenlastelegging. Het Hof is dus niet toegekomen aan enige beslissing ter zake van het subsidiair, meer subsidiair en meest subsidiair tenlastegelegde. 3.4. Uit het vorenstaande volgt dat de verdachte geen belang heeft bij een beoordeling van de toewijzing door het Hof van genoemde vorderingen tot wijziging van de tenlastelegging. Reeds daarom falen de middelen. 4. Beoordeling van het derde middel 4.1. Naar de Hoge Raad begrijpt, beoogt het middel onder meer te betogen dat het oorzakelijk verband tussen enerzijds het bewezenverklaarde geweld en/of andere feitelijkheid en anderzijds het bewezenverklaarde seksueel binnendringen niet kan volgen uit de door het Hof gebezigde bewijsmiddelen. 4.2. Bij de beoordeling van deze klacht moet worden vooropgesteld dat slechts sprake kan zijn van door geweld en/of een andere feitelijkheid dwingen tot het ondergaan van handelingen die bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam van het slachtoffer als bedoeld in art. 242 Sr, indien de verdachte door dat geweld en/of die feitelijkheid opzettelijk heeft veroorzaakt dat het slachtoffer die handelingen tegen zijn wil heeft ondergaan (vgl. onder meer HR 29 november 1994, NJ 1995, 201, HR 24 maart 1998, NJ 1998, 534 en HR 16 november 1999, NJ 2000, 125). 4.3. Overeenkomstig de inleidende dagvaarding is ten laste van de verdachte bewezenverklaard dat: "hij in de maand februari 1994 te [plaats] door geweld en/of een andere feitelijkheid [slachtoffer] heeft gedwongen tot het ondergaan van handelingen die hebben bestaan uit of mede hebben bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, immers heeft verdachte [het slachtoffer] met een wurggreep om de nek vastgepakt en met geweld pillen in haar mond gebracht en met geweld een hand op de mond van [het slachtoffer] gedrukt teneinde haar te dwingen die pillen door te slikken en [het slachtoffer] op bed gegooid en [het slachtoffer] uitgekleed en [het slachtoffer] bij het lichaam vastgehouden en zijn penis gebracht in de vagina van [het slachtoffer]". 4.4. De door het Hof gebezigde bewijsmiddelen houden onder meer in: (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.