10 juli 2001 Strafkamer nr. 01618/00 SO/HdN Hoge Raad der Nederlanden Arrest op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Amsterdam van 18 november 1999, nummer 23/000224-99, in de strafzaak tegen: [Verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1973, wonende te [woonplaats].
(186)nog een bijzonder misdrijf van zamenrotting aan te nemen. Stelt men de geheele zaâmgevloeide menigte strafbaar, indien zij een dreigend karakter aanneemt, men komt, bij de toevloed van tal van onschuldigen (gelijk steeds pleegt te geschieden), in allerlei moeijelijkheden. Zoodra werkelijk geweldpleging tegen personen of goederen gerigt wordt, zullen diegenen uit de menigte, die zich daaraan schuldig maken, en ook zij die daaraan medepligtig zijn, alsmede zelfs zij, die pogen het te doen, onder het bereik der strafwet vallen, en dit is toch voldoende" (Rapport aan den Koning, H.J. Smidt, Geschiedenis van het Wetboek van Strafrecht, tweede deel, Haarlem 1881, blz. 91)". "Niemand kan daaraan worden schuldig verklaard dan die werkelijk geweld pleegt. Alzoo gaat het niet aan, met het duitsche wetboek, strafbaar te stellen ieder, die tot de vereenigde menigte behoort, die aan de zamenrotting - een woord wegens zijne onbepaaldheid te vermijden - deel neemt, ook al is door hem geen enkele daad van geweld bedreven" (H.J. Smidt, Geschiedenis van het Wetboek van Strafrecht, tweede deel II, Haarlem 1881, blz. 90)". 4.
- Zoals ook uit deze ontstaansgeschiedenis blijkt levert het enkele feit dat de verdachte tot een groep heeft behoord die geweld heeft gepleegd, zonder dat is komen vast te staan dat van de verdachte zelf enige gewelddadige handeling is uitgegaan, geen geweldpleging aan de kant van die verdachte op in de zin van art. 141, eerste lid, Sr (vgl. HR 9 oktober 1990, NJ 1991, 30). 4.
- Uit de hiervoor onder 4.3 weergegeven overwegingen blijkt niet dat het Hof bij zijn beraadslaging en beslissing is uitgegaan van een onjuiste opvatting omtrent de betekenis die aan de woorden "openlijk met verenigde krachten geweld plegen" moet worden toegekend. Aangezien ook overigens niet blijkt van enige omstandigheid op grond waarvan de vrijspraken zouden zijn aan te merken als andere dan die waarop in voormeld art. 430, eerste lid, Sv wordt gedoeld, kan de Advocaat-Generaal bij het Hof in zijn beroep met betrekking tot de onder 2 en 3 primair tenlastegelegde feiten niet worden ontvangen.
- Beoordeling van het eerste middel 5.
- Het middel bevat de klacht dat het Hof ten onrechte niet heeft geantwoord op het ter terechtzitting door de raadsvrouwe gevoerd verweer dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk is wegens schending van het verbod van willekeur en schending van het recht van de verdachte om binnen een redelijke termijn te worden berecht. 5.
- Het Hof heeft in zijn arrest in dit verband als volgt overwogen: "Ter terechtzitting in hoger beroep is door de raadsvrouw betoogd dat het openbaar ministerie niet ontvankelijk dient te worden verklaard. Het betoog van de raadsvrouw behoeft geen bespreking gelet op de hierna te nemen beslissing ten aanzien van het tenlastegelegde". Het Hof heeft de verdachte vervolgens van de gehele tenlastelegging vrijgesproken. 5.
- Het middel zou in beginsel slechts bespreking behoeven, indien daarin zou zijn aangevoerd dat het Hof het Openbaar Ministerie ten onrechte ontvankelijk zou hebben geacht in de vervolging. Dan zou dienen te worden onderzocht of zich een van de uitzonderingen op het verbod van de toetsing in cassatie van vrijspraken voordoet. Een vrijspraak die voortbouwt op het onjuist -eventueel impliciet gegeven- oordeel dat het openbaar ministerie in de vervolging ontvankelijk is, leent zich immers inzoverre wel voor toetsing in cassatie. Een dergelijke stelling is evenwel in het middel niet te lezen. Daarom is de Advocaat-Generaal bij het Hof niet-ontvankelijk in het door hem ingestelde beroep voorzover hij daarmee opkomt tegen het verzuim van het Hof te beslissen op het in hoger beroep gevoerde verweer dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk is in de vervolging.
- Slotsom Hetgeen hiervoor is overwogen brengt mee dat als volgt moet worden beslist.
- Beslissing: De Hoge Raad: Verklaart de Advocaat-Generaal bij het Hof niet-ontvankelijk in het door hem ingestelde beroep. Dit arrest is gewezen door de vice-president W.J.M. Davids als voorzitter, en de raadsheren G.J.M. Corstens, A.M.M. Orie, A.M.J. van Buchem Spapens en E.J. Numann, in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, en uitgesproken op 10 juli 2001.