ECLI:NL:HR:2002:AD5355
1 februari 2002 Eerste Kamer Nr. C00/158HR AP Hoge Raad der Nederlanden Arrest in de zaak van: [Eiser], wonende te [woonplaats], EISER tot cassatie, advocaat: aanvankelijk mr. J.E. Molenaar, thans mr. V.A.J. Gassler, t e g e n 1. [Verweerder 1], 2. [Verweerster 2], beiden wonende te [woonplaats], VERWEERDERS in cassatie, niet verschenen.
B+R Holding en [eiser] hebben de vordering bestreden.
De Rechtbank heeft bij vonnis van 9 december 1998 B+R Holding en [eiser] veroordeeld om aan [verweerder] c.s. te betalen een bedrag van ƒ 129.810,82, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 12 september 1996.
Tegen dit vonnis heeft alleen [eiser] hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof te 's-Gravenhage.
Bij arrest van 16 februari 2000 heeft het Hof het bestreden vonnis van de Rechtbank bekrachtigd.
Het arrest van het Hof is aan dit arrest gehecht.
Tegen [verweerder] c.s. is verstek verleend.
De zaak is voor [eiser] toegelicht door zijn advocaat.
De conclusie van de Advocaat-Generaal L.A.D. Keus strekt tot verwerping van het beroep.
3.2 In de onderhavige procedure hebben [verweerder] c.s. de in het vorenstaande onder 1 vermelde vordering tot schadevergoeding ingesteld. Zij hebben daaraan, kort weergegeven, ten grondslag gelegd, primair dat B+R Holding en [eiser] wanprestatie hebben gepleegd, subsidiair dat zij door de gedane mededelingen dan wel het schenden van een spreekplicht van B+R Holding en [eiser] hebben gedwaald en dat de laatstgenoemden een onrechtmatige daad hebben gepleegd door de gebreken aan de fundering van het pand te verzwijgen.
De Rechtbank heeft de vordering tot schadevergoeding wegens wanprestatie toegewezen. [Eiser] heeft tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld. Het Hof heeft de door hem aangevoerde grieven verworpen en het vonnis bekrachtigd.
3.3 Het Hof heeft daartoe, kort weergegeven en voor zover in cassatie van belang, het volgende overwogen. De eerste grief van [eiser] komt erop neer dat hij ten tijde van de verkoop van het pand slechts juridisch eigenaar was, dat hij geen bemoeienis heeft gehad met de verkoop en levering, geen partij is geweest bij de koopovereenkomst en derhalve ook geen wanprestatie heeft gepleegd. De grief faalt. In eerste aanleg is in de conclusie van antwoord onder 2 door B+R Holding en [eiser] met zoveel woorden erkend dat zij met [verweerder] c.s. de koopovereenkomst hebben gesloten, terwijl vervolgens in alle processtukken van B+R Holding en [eiser] in eerste aanleg het standpunt dat zij beiden als verkopers zijn aan te merken, consequent is volgehouden.
Aldus is sprake van een gerechtelijke erkentenis, als bedoeld in art. 181 Rv., die onherroepelijk is, nu niet is gesteld of gebleken dat één van de in het tweede lid van art. 181 vermelde uitzonderingen zich voordoet. Dat [eiser] in de desbetreffende koopovereenkomst niet als verkoper staat vermeld, doet naast deze erkentenis niet ter zake.
Bovendien is door [eiser] zelf in de toelichting op de grief aangevoerd dat de wel als verkoper in de koopovereenkomst vermelde economische eigenaar B+R Holding mede als onherroepelijk gevolmachtigde van [eiser] optrad. Tenslotte staat vast dat B+R Holding en [eiser] samen, beiden vertegenwoordigd door [betrokkene B ], in de transportakte als "verkoper" worden genoemd. Afgezien van het voorgaande valt nog op te merken dat door [eiser] in het geheel niet is toegelicht waarom hij als "slechts juridisch eigenaar" niet jegens [verweerder] c.s. aansprakelijk zou zijn voor het bij de verkoop tegenover hen verzwijgen van de informatie in het rapport Stam.
3.4 In zijn memorie van grieven heeft [eiser] onder meer aangevoerd: "Hoewel aan de toenmalige advocaat bekend was dat appellant geen feitelijke bemoeienis heeft gehad met de verkoop (…) en daarom ook geen partij was bij de koopovereenkomst zijn door deze advocaat hierdoor kennelijk toch de belangen van [eiser] uit het oog verloren en heeft hij dit essentiële argument niet aangevoerd in de procedure in eerste aanleg." In deze stellingen ligt, aldus onderdeel 2a, een beroep op art. 181 lid 2 Rv. besloten. Onbegrijpelijk is dan ook, zo betoogt onderdeel 2a voorts, dat het Hof vaststelt dat niet is gesteld of gebleken dat één van de in art. 181 lid 2 Rv. gestelde omstandigheden zich voordoet. Onderdeel 2b strekt ten betoge dat de door [eiser] gestelde fout (vergissing) van zijn advocaat in eerste aanleg, die hierin heeft bestaan dat deze, evident ten onrechte, kennelijk heeft gemeend te kunnen volstaan met het naar voren brengen van slechts die weren die de aanvankelijk enige cliënt voor wie deze advocaat optrad (B+R Holding), zouden kunnen baten, op gelijke voet moet worden beoordeeld als het geval dat een partij zich heeft vergist of in de war is geraakt en waarin blijkens de wetsgeschiedenis sprake kan zijn van een erkentenis onder invloed van dwaling in de zin van art. 181 lid 2.
Voormelde door [eiser] in zijn memorie van grieven aangevoerde stellingen laten geen andere gevolgtrekking toe dan dat zijn advocaat in eerste aanleg niet een vergissing heeft gemaakt, maar dat hij in de conclusie van antwoord een bewust onjuiste verklaring heeft opgenomen. Van een gerechtelijke erkentenis onder invloed van dwaling als bedoeld in art. 181 lid 2 is evenwel slechts sprake wanneer men door een misverstand tot een erkentenis is gekomen die men anders niet gedaan zou hebben. Herroeping van bewust onjuiste verklaringen blijft derhalve uitgesloten (vgl. Parl. Gesch. Nieuw bewijsrecht, blz. 117). Of de advocaat deze verklaring, zoals [eiser] stelt, buiten medeweten en tegen de zin van [eiser] heeft afgelegd, doet in dit verband niet terzake. De onderdelen kunnen derhalve niet tot cassatie leiden.
3.5 De overige onderdelen kunnen evenmin tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu de onderdelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
Dit arrest is gewezen door de vice-president R. Herrmann als voorzitter en de raadsheren A.E.M. van der Putt-Lauwers, J.B. Fleers, H.A.M. Aaftink en A.G. Pos, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A. Hammerstein op 1 februari 2002.`