26 maart 2002 Strafkamer nr. 03850/00 E SM Hoge Raad der Nederlanden Arrest op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Arnhem, Economische Kamer, van 24 juli 2000, nummer 21/000569-99, in de strafzaak tegen: [verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1947, wonende te [woonplaats]. 1. De bestreden uitspraak Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Economische Politierechter in de Arrondissementsrechtbank te Zutphen van 15 februari 1999 - de verdachte ter zake an "overtreding van een voorschrift, gesteld bij artikel 14 (oud), eerste lid, van de Meststoffenwet, opzettelijk begaan" veroordeeld tot een geldboete van ƒ. 3.000,--, subsidiair veertig dagen hechtenis, voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. 2. Geding in cassatie Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. A.A.M. van Beek, advocaat te Tilburg, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De Advocaat-Generaal Machielse heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest en tot verwijzing van de zaak naar een aangrenzend hof teneinde op het bestaande beroep te worden berecht en afgedaan. 3. Beoordeling van het middel 3.1. Het middel bevat de klacht dat het Hof art. 14, eerste en vijfde lid, (oud) Meststoffenwet heeft geschonden doordat het heeft verzuimd zelfstandig vast te stellen of de mestproduktie vergeleken met de referentie-hoeveelheid is uitgebreid. 3.2. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat: "hij in het jaar 1997 in de gemeente [woonplaats], opzettelijk, op verdachtes bedrijf, zijnde een varkensbedrijf, als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Interimwet beperking varkens- en pluimveehouderijen, de produktie van dierlijke meststoffen heeft uitgebreid tot een produktie die groter was dan zoals die ten tijde van de werking van genoemde wet toegestaan was, zulks terwijl de totale produktie van dierlijke meststoffen op verdachtes bedrijf groter was dan 125 kilogram fosfaat per hectare per jaar van de tot het bedrijf behorende oppervlakte landbouwgrond." 3.3. Ter terechtzitting in hoger beroep is namens de verdachte een verweer gevoerd dat door het Hof als volgt is samengevat en verworpen: "Door en namens verdachte is ter terechtzitting aangevoerd, dat verdachte, anders dan is telastegelegd, de productie van dierlijke meststoffen niet heeft uitgebreid tot een productie die groter was dan zoals die ten tijde van de werking van de Interimwet beperking varkens- en pluimveehouderijen was toegestaan, aangezien bij de berekening van zijn mestproductierecht als gevolg van een door verdachte destijds op grond van artikel 2 van het Registratiebesluit dierlijke meststoffen foutief gedane opgave is uitgegaan van een kleiner aantal varkenseenheden dan op grond van de genoemde Interimwet was toegestaan. Verdachte en zijn raadsman zijn van oordeel dat verdachte bij de opgave als bedoeld in artikel 2 van voornoemd besluit uit had mogen gaan van de hoogste veebezetting gelegen tussen de landbouw-telling in mei 1984 en 2 november 1984. De raadsman is van mening dat het hof blijkens het bepaalde in artikel 14 (oud), vijfde lid, van de Meststoffenwet, op de gronden als nader aangegeven in de door de raadsman aan het hof overgelegde pleitnota, ambtshalve het op basis van de Interimwet aan verdachte toekomende referentie-aantal dient vast te stellen. De raadsman concludeert derhalve tot vrijspraak. Het hof is van oordeel dat dit verweer dient te worden verworpen op grond van het volgende. Verdachte gaat er ten onrechte van uit dat hij bij de opgave als bedoeld in artikel 2 van het Registratiebesluit dierlijke meststoffen uit mocht gaan van de hoogste veebezetting gelegen tussen de landbouwtelling in mei 1984 en 2 november 1984. In de eerste plaats was verdachte op grond van artikel 6 (oud) Meststoffenwet in verband met de artikelen 2 en 3 van het Registratiebesluit dierlijke meststoffen gehouden naar waarheid opgave te doen van het aantal gehouden dieren op 31 december 1986. Daarnaast kon verdachte op grond van artikel 3 van voornoemd Besluit opgave doen van de bezetting op een ander tijdstip mits laatstbedoelde bezetting overeen kwam met de gebruikelijke bezetting in 1986. In de tweede plaats is voor de bepaling van het mestproductierecht van verdachte in 1987 de bestaande situatie in 1984 slechts in zoverre van belang, dat de mestproductie in 1987 op grond van artikel 14 (oud), vijfde lid, van de Meststoffenwet niet hoger mocht liggen dan de productie zoals die ten tijde van de werking van de Interimwet was toegestaan. Blijkens artikel 1, eerste lid, van de Interimwet was echter niet de hoogste bezetting in 1984 bepalend voor het zogenaamde referentie-aantal, maar de bezetting tijdens de landbouwtelling in mei 1984 dan wel de gebruikelijke bezetting in het bedrijf. Op grond van het vorenoverwogene dient het namens verdachte gevoerde verweer te worden verworpen. Dat verdachte zegt bij het doen van de opgave te zijn afgegaan op een berekening van een deskundige vermag hieraan niet af te doen, nu is komen vast te staan dat verdachte deze opgave niet heeft gecontroleerd of heeft nagegaan of de daarin vermelde gegevens de juiste waren." 3.4. Voor de beoordeling van het middel zijn de volgende bepalingen van belang. (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.