8 februari 2002 Eerste Kamer Rek.nr. R01/084HR SB Hoge Raad der Nederlanden Beschikking in de zaak van: [Verzoeker], wonende te [woonplaats], VERZOEKER tot cassatie, advocaat: mr. E. van Staden ten Brink, t e g e n DE INSPECTEURS VOOR DE GEZONDHEIDSZORG TE GRONINGEN, FRIESLAND EN DRENTHE, gevestigd te Groningen, VERWEERDERS in cassatie, niet verschenen. 1. Het verloop van het geding tot dusver Voor het verloop van het geding tot dusver in de zaak van verzoeker tot cassatie - verder te noemen: de arts - en verweerders in cassatie - verder te noemen: de Inspecteurs - verwijst de Hoge Raad naar zijn beschikking van 16 februari 2001, rekestnummer R00/082HR. Bij deze beschikking heeft de Hoge Raad de beschikking van het Gerechtshof te Leeuwarden van 24 mei 2000 vernietigd en het geding naar dit Gerechtshof verwezen ter verdere behandeling en beslissing. Na verwijzing heeft het Hof bij beschikking van 30 mei 2001 bepaald dat de arts uit 's Rijks kas een vergoeding zal worden betaald ten bedrage van ƒ 82.820,-- en het meer of anders verzochte afgewezen. De beschikking van het Hof is aan deze beschikking gehecht. 2. Het tweede geding in cassatie Tegen de beschikking van het Hof heeft de arts beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit. De Inspecteurs hebben geen verweerschrift ingediend. De conclusie van de Advocaat-Generaal E.M. Wesseling-van Gent strekt tot verwerping van het beroep. 3. Beoordeling van het middel 3.1 Tegen de arts is een klacht ingediend door de Inspecteurs. Het Regionaal Tuchtcollege te Groningen heeft deze klacht gegrond bevonden en de arts de bevoegdheid ontzegd de geneeskunst uit te oefenen. Het Hof heeft in hoger beroep deze beslissing vernietigd en de klacht ongegrond verklaard. De arts heeft zich gewend tot het Hof met een verzoek te bepalen dat hem een vergoeding uit 's Rijks kas zou worden verstrekt voor de in verband met de behandeling door hem gemaakte kosten ten bedrage van ƒ 214.003,--. Het Hof heeft hem in dit verzoek niet-ontvankelijk verklaard bij beschikking van 24 mei 2000. De Hoge Raad heeft deze beschikking vernietigd en het geding naar het Hof verwezen. Het Hof heeft bij de hiervoor in 1 vermelde beschikking bepaald dat aan de arts een vergoeding toekomt van ƒ 82.820,--. Tegen deze beschikking keert zich het middel dat uit drie hierna te behandelen onderdelen bestaat. 3.2 Het Hof heeft in rov. 1 van zijn beschikking overwogen dat het verzoek van de arts tot vergoeding van de noodzakelijk door hem gemaakte kosten uit 's Rijks kas in beginsel moet worden gehonoreerd. De hiertegen gerichte klacht van onderdeel (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.