26 april 2002 Eerste Kamer Nr. C00/199HR JMH Hoge Raad der Nederlanden Arrest in de zaak van: [De man], wonende te [woonplaats], EISER tot cassatie, advocaat: mr. drs. R.W.L. Russell, t e g e n [De vrouw], wonende te [woonplaats], VERWEERSTER in cassatie, advocaat: mr. K.G.W. van Oven. 1. Het geding in feitelijke instanties Verweerster in cassatie - verder te noemen: de vrouw - heeft bij exploit van 12 mei 1998 eiser tot cassatie - verder te noemen: de man - in kort geding gedagvaard voor de President van de Rechtbank te Amsterdam en - voor zover in cassatie nog van belang - gevorderd de man te veroordelen zijn medewerking te verlenen aan een medische keuring en een verklaring omtrent zijn gezondheid aan de vrouw af te geven, zulks op verbeurte van een dwangsom van ƒ 5.000,-- per dag. De man heeft de vorderingen gemotiveerd bestreden en een voorwaardelijke eis in reconventie ingesteld. De President heeft bij vonnis van 7 januari 1999 de gevraagde voorziening geweigerd en verstaan dat de voorwaardelijk ingestelde reconventie niet ter beoordeling voorligt. Tegen dit vonnis heeft de vrouw hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof te Amsterdam. Bij tussenarrest van 12 oktober 1999 heeft het Hof een comparitie van partijen gelast en bij eindarrest van 18 mei 2000 heeft het Hof het bestreden vonnis vernietigd en opnieuw rechtdoende de man veroordeeld binnen een maand na betekening van dit arrest zijn medewerking te verlenen aan een medische keuring en voorts een verklaring omtrent zijn gezondheid (gezondheidsverklaring) aan de vrouw af te geven, een en ander op straffe van verbeurte van een dwangsom van ƒ 1.000,-- per dag dat hij daarmee in gebreke blijft. Voorts heeft het Hof deze veroordeling uitvoerbaar bij voorraad verklaard en het meer of anders gevorderde afgewezen. Het arrest van het Hof is aan dit arrest gehecht. 2. Het geding in cassatie Tegen het eindarrest van het Hof heeft de man beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De vrouw heeft primair geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring en subsidiair tot verwerping van het beroep. De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten. De conclusie van de Advocaat-Generaal L.A.D. Keus strekt tot vernietiging en verwijzing. De advocaat van de vrouw heeft bij brief van 14 februari 2002 op die conclusie gereageerd. 3. Uitgangspunten in cassatie Het gaat in cassatie om het volgende. Partijen zijn gehuwd geweest. Bij beschikking van het Hof van 13 november 1997 is de door de man aan de vrouw te betalen alimentatie bepaald op ƒ 25.000,-- per maand. Het door de vrouw daartegen ingestelde cassatieberoep is door de Hoge Raad bij beschikking van 16 oktober 1998 verworpen. In dit kort geding ging het in hoger beroep nog slechts om de vordering van de vrouw dat de man zijn medewerking zou verlenen aan een medische keuring en aan haar een verklaring omtrent zijn gezondheid zou afgeven. De vrouw heeft de gezondheidsverklaring nodig voor het afsluiten van een overlijdensrisicoverzekering waarmee zij zich kan indekken tegen het wegvallen van de alimentatie in het geval dat de man vóór haar komt te overlijden. De President heeft de gevraagde voorziening geweigerd. Het Hof heeft bij arrest van 18 mei 2000 het vonnis van de President vernietigd en, opnieuw rechtdoende, de man veroordeeld binnen een maand na betekening van 's Hofs arrest zijn medewerking te verlenen aan een medische keuring en voorts een verklaring omtrent zijn gezondheid (gezondheidsverklaring) aan de vrouw af te geven, een en ander op straffe van verbeurte van een dwangsom. Het Hof heeft deze veroordeling uitvoerbaar bij voorraad verklaard, het meer of anders gevorderde afgewezen en voorts bepaald dat iedere partij de eigen proceskosten draagt. 4. Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep 4.1 In haar conclusie van antwoord in cassatie heeft de vrouw zonder nadere onderbouwing primair gesteld dat de man niet in zijn cassatieberoep kan worden ontvangen, aangezien hij bij dat beroep geen belang heeft. In de schriftelijke toelichting van de advocaat van de vrouw wordt gesteld dat in een ander kort geding met betrekking tot dezelfde materie ter zitting van de President op 10 augustus 2000 - dus na het bestreden arrest -tussen partijen een regeling in der minne is getroffen, die is neergelegd in een ter zitting opgemaakt proces-verbaal, waarvan copie bij de schriftelijke toelichting is gevoegd. De daarin neergelegde regeling houdt, samengevat en voorzover in cassatie van belang, het volgende in:
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.