16 april 2002 Strafkamer nr. 00998/01 LR/SM Hoge Raad der Nederlanden Arrest op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 12 februari 2001, nummer 22-002021-00, in de strafzaak tegen: [verdachte], geboren te [geboorteplaats] (Nederlands Indië) op [geboortedatum] 1942, wonende te [woonplaats]. 1. De bestreden uitspraak Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage van 23 maart 2000 - de verdachte vrijgesproken van het hem bij inleidende dagvaarding onder 2 tenlastegelegde en hem voorts ter zake van 1. "door misbruik van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht een minderjarige van onbesproken gedrag, wiens minderjarigheid de dader kent, opzettelijk bewegen ontuchtige handelingen van hem te dulden, meermalen gepleegd" veroordeeld tot zes maanden gevangenisstraf, waarvan drie maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren. Voorts heeft het Hof de vordering van de benadeelde partij toegewezen in voege als in het arrest vermeld. De Hoge Raad leest die toewijzing aldus dat de vordering van de benadeelde partij is toegewezen voor een bedrag van ƒ 4.500,--, en dat de verdachte wordt verwezen in de door de benadeelde partij gemaakte kosten ten grootte van ƒ 2.642,69. 2. Geding in cassatie 2.1. Het beroep - dat zich kennelijk niet richt tegen de gegeven vrijspraak - is ingesteld door de verdachte die tevens advocaat is. Deze heeft bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld en deze schriftelijk en mondeling toegelicht. De schriftuur en de schriftelijke toelichting zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit. De Advocaat-Generaal Machielse heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van de verdachte in het beroep. 2.2. De Hoge Raad heeft kennis genomen van het schriftelijk commentaar van de verdachte op de conclusie van de Advocaat-Generaal. 3. Beoordeling van het eerste middel 3.1. In het middel wordt opgekomen tegen het oordeel van het Hof dat in de behandeling van de strafzaak tot de terechtzitting in eerste aanleg geen sprake is van overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM. 3.2. Ter terechtzitting van het Hof heeft de raadsman van de verdachte blijkens de aan het proces-verbaal gehechte pleitnota onder meer het volgende aangevoerd: "Het tijdsverloop overschrijdt de redelijke termijn als bedoeld in art. 6 EVRM. [Verdachte] is op 18 november 1997 aangehouden. Hij is op 18 november 1997 in verzekering gesteld en op 20 november 1997 in vrijheid gesteld. Het onderzoek en de termijn is op 17 november, althans op 18 november 1997 gaan lopen. De dagvaarding die is uitgereikt door de officier van justitie zelf is voor zover ik heb kunnen nagaan, niet gedateerd. De zitting die de rechtbank voor het eerst aan deze zaak heeft gewijd, was op 9 maart 2000. Toen waren 271/2 maand verstreken." 3.3. Het Hof heeft dit verweer als volgt verworpen: "Naar het oordeel van het hof is er sprake geweest van een onwenselijk tijdsverloop, maar het hof acht het tijdsverloop niet zodanig dat dit de conclusie wettigt dat de behandeling van de zaak niet heeft plaatsgevonden binnen een redelijke termijn in de zin van die verdragsbepaling. Het hof wijst er in het bijzonder op dat het tijdsverloop tijdens het gerechtelijk vooronderzoek mede te wijten is aan de procesopstelling van de verdachte, gelet op de brief d.d. 15 juli 1999 van de rechter-commissaris, I.E. de Vries." 3.4. Bij de aan de Hoge Raad toegezonden stukken bevinden zich de volgende voor de beoordeling van het middel van belang zijnde brieven: (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.