28 juni 2002 Eerste Kamer Nr. C00/293HR WS Hoge Raad der Nederlanden Arrest in de zaak van: [Eiser], wonende te [woonplaats], EISER tot cassatie, advocaat: aanvankelijk mr. M.C. van Drempt, thans mr. D. Stoutjesdijk, t e g e n [Verweerster], gevestigd te [woonplaats], VERWEERSTER in cassatie, advocaat: mr. M.J. Schenck. 1. Het geding in feitelijke instanties Eiser tot cassatie - verder te noemen: [eiser] - heeft bij exploit van 18 april 1994 verweerster in cassatie - verder te noemen: [verweerster] - gedagvaard voor de Kantonrechter te Rotterdam en gevorderd bij vonnis, voorzover de wet het toelaat uitvoerbaar bij voorraad, de door [verweerster] verschuldigde huurprijs van de bedrijfsruimte staande en gelegen aan de [a-straat 1] te [plaats] met ingang van 1 oktober 1994 nader vast te stellen op een bedrag van ƒ 320.760,--, te vermeerderen met BTW, althans op een zodanige hoger bedrag dan de thans geldende huurprijs, als de Kantonrechter in goede justitie zal vermenen te behoren. [Verweerster] heeft de vordering bestreden en harerzijds in reconventie gevorderd: a. de huurprijs van voormelde bedrijfsruimte met ingang van 1 oktober 1994 nader vast te stellen op een bedrag van ƒ 240.570,-- per jaar, exclusief B.T.W., althans op een zodanig bedrag als de Kantonrechter in goede justitie zal vermenen te behoren; b. primair: dat [eiser] zal worden veroordeeld om de in deze conclusie onder 10 genoemde onderhoudswerkzaamheden c.q. reparaties aan de genoemde onroerende zaak voor haar rekening uit te doen voeren binnen twee maanden na het in deze te wijzen vonnis en dat zij zal worden veroordeeld om de buitengevel jaarlijks, voor het eerst binnen twee maanden na het in deze te wijzen vonnis, voor haar eigen rekening te (laten) reinigen; c. subsidiair: [verweerster] zal worden gemachtigd om de in de conclusie onder 10 genoemde onderhoudswerkzaamheden c.q. reparaties aan de hiervoor genoemde onroerende zaak zelf voor rekening en ten laste van [eiser] uit te (doen) voeren, dat [eiser] zal worden gelast de hieraan verbonden kosten op vertoon van de facturen die [verweerster] ontvangen heeft voor de uitvoering van de hiervoor omschreven werkzaamheden, althans op vertoon van zodanige bescheiden als de Kantonrechter geraden zal oordelen, aan [verweerster] te voldoen, voorzover deze kosten nog niet met de huurprijs verrekend mochten zijn, en dat zal worden bepaald dat [verweerster] de gemaakte kosten van deze onderhoudswerkzaamheden c.q. reparaties maandelijks tot een bedrag dat de huur maandelijks bedraagt per maand, ingaande op de eerste betaaldag vanaf de datum van het in deze te wijzen vonnis, met de huurprijs voor de onderhavige onroerende zaak mag verrekenen totdat zij op die wijze algehele betaling van de door haar gemaakte kosten ontvangen heeft. [Eiser] heeft in reconventie de vorderingen van [verweerster] bestreden. De Kantonrechter heeft bij tussenvonnis van 2 maart 1995 in conventie en in reconventie de Bedrijfshuuradviescommissie bij de Kamer van Koophandel en Fabrieken te Rotterdam om rapport en advies verzocht en in reconventie de zaak naar de rol verwezen teneinde [verweerster] de gelegenheid te bieden zich nader uit te laten bij akte of nadere conclusie omtrent de gang van zaken met betrekking tot het reinigingsonderhoud en een nadere specificatie van de gevorderde herstelwerkzaamheden over te leggen. [Verweerster] heeft vervolgens haar eis in reconventie verminderd voorzover het gaat om de reiniging van de buitengevel. Vervolgens heeft de Kantonrechter bij tussenvonnis van 20 juli 1995 in reconventie een comparitie van partijen gelast. [Verweerster] heeft daarna de reconventionele eis met betrekking tot de aan het gehuurde uit te voeren reparatie aan de aluminium gevelplaten ingetrokken. Na deskundigenbericht heeft [verweerster] haar eis in reconventie vermeerderd met een vordering tot vaststelling van de huurprijs van het gehuurde met ingang van 1 oktober 1994 op ƒ 227.414,-- per jaar exclusief BTW. Bij tussenvonnis van 25 september 1997 heeft de Kantonrechter wederom een comparitie van partijen gelast. Bij eindvonnis van 17 juni 1999 heeft de Kantonrechter in conventie de vorderingen afgewezen en in reconventie de huurprijs van de onderhavige bedrijfsruimte met ingang van 1 oktober 1994 vastgesteld op ƒ 227.414,-- per jaar, exclusief BTW. Tegen de vonnissen van de Kantonrechter van 25 september 1997 en 17 juni 1999 heeft [eiser] hoger beroep ingesteld bij de Rechtbank te Rotterdam. Daarbij heeft hij gevorderd voormelde vonnissen te vernietigen en opnieuw rechtdoende na vermeerdering van eis in conventie gevorderd: 1. de huurprijs voor de onderhavige bedrijfsruimte per 1 oktober 1994 nader vast te stellen op ƒ 317.400,90, althans op ƒ 300.190,00 telkens exclusief BTW, althans op een door de Rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag, voorzover nodig na de Bedrijfshuuradviescommissie van de Kamer van Koophandel te Rotterdam dan wel een andere bedrijfshuuradviescommissie een gecorrigeerd c.q. nieuw advies te hebben laten uitbrengen; 2. [verweerster] te veroordelen tot betaling aan [eiser] van het bedrag van de uit de vordering sub 1 voortvloeiende huurprijsverhoging over de periode van 1 oktober 1994 tot en met 5 januari 1999. [Verweerster] heeft incidenteel hoger beroep ingesteld en daarbij haar eis in reconventie aangevuld met een vordering tot terugbetaling van het bedrag aan teveel betaalde huur conform de vaststelling door de Kantonrechter in zijn vonnis van 17 juni 1999, waarbij de hoofdsom is bepaald op ƒ 227.414,--, te vermeerderen met de wettelijke rente. Bij vonnis van 29 juni 2000 heeft de Rechtbank de vonnissen van de Kantonrechter van 25 september 1997 en 17 juni 1999 zowel in conventie als in reconventie bekrachtigd, in dier voege dat de Rechtbank in reconventie tevens rechtdoende in hoogste ressort [eiser] heeft veroordeeld om aan [verweerster] te betalen het bedrag van ƒ 169.172,83, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 11 november 1999 tot aan de dag der voldoening. Het vonnis van de Rechtbank is aan dit arrest gehecht. 2. Het geding in cassatie Tegen het vonnis van de Rechtbank heeft [eiser] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. [Verweerster] heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep. De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten. De conclusie van de Advocaat-Generaal D.W.F. Verkade strekt tot vernietiging van het bestreden vonnis, met verwijzing van de zaak naar het Gerechtshof te 's-Gravenhage. De advocaat van [verweerster] heeft bij brief van 12 april 2002 op deze conclusie gereageerd. 3. Beoordeling van het middel 3.1 In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan. (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.