17 september 2002 Strafkamer nr. 00943/01 IV/KD Hoge Raad der Nederlanden Arrest op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 18 april 2001, nummer 22/001983-00, in de strafzaak tegen: [verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1956, wonende te [woonplaats]. 1. De bestreden uitspraak Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage van 23 mei 2000 - de verdachte ter zake van 1. "overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander zodanig lichamelijk letsel wordt toegebracht dat daaruit tijdelijke ziekte ontstaat", 2. "overtreding van artikel 7, eerste lid aanhef en onder a, van de Wegenverkeerswet 1994" en 3. "overtreding van artikel 9, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994, meermalen gepleegd" veroordeeld tot tien maanden gevangenisstraf en voorts ten aanzien van feit 1. tot ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van vijf jaren. 2. Geding in cassatie Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. R.J. Ottens, advocaat te Noordwijk aan Zee, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De Advocaat-Generaal Machielse heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad het beroep zal verwerpen. 3. Beoordeling van het eerste middel Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling. 4. Beoordeling van het tweede middel 4.1. Het middel komt op tegen de verwerping door het Hof van het verweer dat het Openbaar Ministerie in zijn vervolging ter zake van de feiten 1 en 2 niet-ontvankelijk dient te worden verklaard "in verband met het vervolgen van twee verdachten voor hetzelfde feit, waarbij maar één fysieke dader mogelijk is". 4.2. Aan de verdachte is, voorzover voor de beoordeling van het middel van belang, onder 1 primair en 2. tenlastegelegd dat hij 1. "op of omstreeks 05 oktober 1997 te Oegstgeest als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (auto), daarmee rijdende over de weg, de Rijksweg A44, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden (...) waardoor een ander (genaamd [het slachtoffer]) zwaar lichamelijk letsel (te weten rugletsel), of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan (...)"; 2. "op of omstreeks 05 oktober 1997 te Oegstgeest als bestuurder van een motorrijtuig betrokken bij een verkeersongeval op de Rijksweg A44, althans als degene die bij een verkeersongeval op de Rijksweg A44 was betrokken, de plaats van het ongeval heeft verlaten, terwijl bij dat ongeval naar hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden aan een ander (te weten [het slachtoffer]) letsel en/of schade was toegebracht." 4.3. Het in het middel bedoelde verweer is door het Hof op de volgende gronden verworpen: "De raadsvrouwe van verdachte heeft voorts aangevoerd dat het openbaar ministerie in de vervolging van de feiten 1 en 2 niet ontvankelijk dient te worden verklaard, omdat [betrokkene] ter zitting van 7 september 1999 betreffende hetzelfde ongeval en hetzelfde feitencomplex is veroordeeld wegens overtreding van artikel 7 van de Wegenverkeerswet. Ter terechtzitting is gebleken dat (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.