25 oktober 2002 Eerste Kamer Nrs. C01/029 en C01/032HR JMH Hoge Raad der Nederlanden Arrest in de zaak C01/029 van: 1. [Eiseres 1], 2. [Eiseres 2], 3. [Eiseres 3], 4. [Eiseres 4], 5. [Eiseres 5], alle gevestigd te [vestigingsplaats], EISERESSEN tot cassatie, advocaat: mr. M.E. Gelpke, t e g e n 1. [Verweerder 1], en 2. [Verweerster 2], echtelieden, zowel ieder voor zich als in hun hoedanigheid van wettelijke vertegenwoordigers van hun minderjarige kinderen sub 3 en 4, 3. [Verweerder 3], 4. [Verweerder 4], 5. [Verweerder 5], en 6. [Verweerder 6], allen wonende te [woonplaats], VERWEERDERS in cassatie, advocaat: aanvankelijk mr. M.A. Leijten, thans mr. F. Damsteegt. en in de zaak C01/032 van: DE GEMEENTE HEEZE-LEENDE, gevestigd te Heeze-Leende, EISERES tot cassatie, advocaat: mr. H.A. Groen, t e g e n 1. [Verweerder 1], en 2. [Verweerster 2], echtelieden, zowel ieder voor zich als in hun hoedanigheid van wettelijke vertegenwoordigers van hun minderjarige kinderen sub 3 en 4, 3. [Verweerder 3], 4. [verweerder 4], 5. [Verweerder 5], en 6. [Verweerder 6], allen wonende te [woonplaats], VERWEERDERS in cassatie, advocaat: aanvankelijk mr. M.A. Leijten, thans mr. F. Damsteegt. 1. Het geding in feitelijke instanties in de zaken C01/029 en C01/032 Verweerders in cassatie - verder te noemen: [verweerder] c.s. - hebben bij exploiten van 9 september 1994 eiseressen tot cassatie in de zaak C01/029 - verder te noemen: [eiseres] c.s. - alsmede de gemeente Leende, gevestigd te Leende, later opgevolgd door de gemeente Heeze-Leende, eiseres tot cassatie in de zaak C01/032, - beide verder te noemen: de Gemeente - gedagvaard voor de Rechtbank te 's-Hertogenbosch en, voorzover in deze zaak nog van belang en verkort weergegeven, gevorderd bij vonnis, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad: - voor recht te verklaren dat [eiseres] c.s. ten opzichte van [verweerder] c.s. vanaf oktober 1988, althans in de periode gedurende welke ieder van de gedaagden verantwoordelijk was voor het in werking zijn van de inrichting aan de [a-straat 1] te [vestigingsplaats], onrechtmatig handelen c.q. gehandeld hebben, omdat zij vanuit de door hen geëxploiteerde inrichting ontoelaatbare geluidsoverlast veroorzaakten en de Gemeente omdat zij als de verantwoordelijke vergunningverlener en toezichthouder toerekenbaar is tekortgeschoten in de uitoefening van haar wettelijke taken, althans in volstrekt onvoldoende mate getracht heeft met gebruikmaking van de haar ten dienste staande wettelijke mogelijkheden die overlast tot een maatschappelijk acceptabel niveau terug te dringen, en - [eiseres] c.s. en de Gemeente te veroordelen tot betaling aan [verweerder] c.s. van schadevergoeding op te maken bij staat en te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van deze dagvaarding tot de dag der algehele voldoening. [Eiseres] c.s. en de Gemeente hebben de vorderingen bestreden. De Rechtbank heeft bij vonnis van 25 oktober 1996 zowel in het geschil tussen [verweerder] c.s. en [eiseres] c.s. als in het geschil tussen [verweerder] c.s. en de Gemeente de vorderingen afgewezen. Tegen dit vonnis hebben [verweerder] c.s. hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch. Bij tussenarrest van 3 november 1998 heeft het Hof het vonnis van de Rechtbank waarvan beroep vernietigd en - alvorens verder te beslissen - partijen in de gelegenheid gesteld bij akten opgave te doen van het aantal te benoemen deskundigen en van de aan hen voor te leggen vragen, alsmede [verweerder] c.s. in de gelegenheid gesteld een becijferde, gespecificeerde en geadstrueerde opgave van hun schade te doen. Bij tussenarrest van 16 november 1999 heeft het Hof de zaak naar de rol verwezen teneinde partijen in de gelegenheid te stellen zich bij akte uit te laten over het al dan niet door laten gaan van een trillingsonderzoek. Het Hof heeft bij eindarrest van 12 oktober 2000: - [eiseres] c.s. hoofdelijk des dat de een betalende de anderen zullen zijn bevrijd, veroordeeld om aan [verweerder] c.s. te betalen een bedrag van ƒ 30.000,-- per jaar over het tijdvak van 1 januari 1989 tot 1 januari 2000, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag, telkens per jaar berekend, vanaf de dag der dagvaarding tot die der algehele voldoening; - de Gemeente hoofdelijk samen met [eiseres] c.s., des dat de een betalende de anderen zullen zijn bevrijd, veroordeeld om aan [verweerder] c.s. te betalen een bedrag van ƒ 30.000,-- per jaar over het tijdvak van 1 juli 1991 tot 1 januari 2000, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag, telkens per jaar berekend, vanaf de dag der dagvaarding tot die der algehele voldoening; - dit arrest tot zover uitvoerbaar bij voorraad verklaard, en - het meer of anders gevorderde afgewezen. De arresten van het Hof van 3 november 1998, 16 november 1999 en 12 oktober 2000 zijn aan dit arrest gehecht. 2. Het geding in cassatie in zaak C01/029 Tegen de drie vermelde arresten van het Hof hebben [eiseres] c.s. beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. [Verweerder] c.s. hebben geconcludeerd tot verwerping van het beroep. De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten. De conclusie van de Advocaat-Generaal J. Spier strekt tot verwerping van het beroep. De advocaat van [eiseres] c.s. heeft bij brief van 14 juni 2002 op die conclusie gereageerd. 3. Het geding in cassatie in zaak C01/032 Tegen de drie vermelde arresten van het Hof heeft de Gemeente beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. [Verweerder] c.s. hebben geconcludeerd tot verwerping van het beroep. De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten. De conclusie van de Advocaat-Generaal J. Spier strekt tot verwerping van het beroep. 4. Beoordeling van de middelen in de zaken C01/029 en C01/032 - Inleiding 4.1 De Hoge Raad zal de zaken gevoegd behandelen. 4.2 [Verweerder] c.s. hebben in deze procedure een verklaring voor recht en schadevergoeding gevorderd, zoals hiervóór in 1 weergegeven. Zij baseerden dit op door het bedrijf van [eiseres] c.s. veroorzaakte geluidsoverlast, trillingoverlast en stankoverlast en op onvoldoende optreden daartegen door de Gemeente. In cassatie is slechts de geluidsoverlast aan de orde. Het bedoelde bedrijf (hierna: de inrichting) is een revisiebedrijf voor grondverzetmachines, dat in of omstreeks 1970 door [betrokkene 1] is gevestigd aan de [a-straat] te [vestigingsplaats] aan de westzijde van de rijksweg A2 Eindhoven-Weert. [Betrokkene 1] heeft de inrichting later, vóór de periode waarop deze procedure betrekking heeft, ingebracht in de besloten vennootschappen die thans optreden als eiseressen tot cassatie sub 4 en 5 in de zaak C01/029. Deze hebben haar geëxploiteerd tot 1993. Sindsdien wordt de inrichting geëxploiteerd door eiseressen tot cassatie sub 1-3 in de zaak C01/029. [Verweerder] c.s. bewonen sinds 1985 een woonhuis dat gelegen is tegenover de inrichting, aan de andere kant van de [a-straat]. Ook in 1985 - en niet eerder - hebben [eiseres] c.s. een Hinderwetvergunning aangevraagd en verkregen. Tot 1988 gaf de inrichting geen aanleiding tot klachten. In 1988 werd dat anders, mogelijk ten gevolge van een wijziging of intensivering van de bedrijfsactiviteiten. 4.3 De Rechtbank heeft geoordeeld dat niet is komen vast te staan dat [eiseres] c.s. of de Gemeente jegens [verweerder] c.s. onrechtmatig handelen of hebben gehandeld, en heeft op die grond de vorderingen afgewezen. Het Hof heeft na tussenarresten van 3 november 1998 en 16 november 1999 bij eindarrest van 12 oktober 2000 [eiseres] c.s. en de Gemeente veroordeeld om aan [verweerder] c.s. een bedrag te betalen van ƒ 30.000,-- per jaar over het tijdvak van 1 januari 1989, onderscheidenlijk 1 juli 1991 tot - in beide gevallen - 1 januari 2000. Het Hof heeft in zijn arresten een doorlopende nummering gehanteerd, lopend van 1 t/m 5 in het eerste tussenarrest, van 6 t/m 9 in het tweede tussenarrest en van 10 t/m 13 in het eindarrest, zodat in het navolgende bij verwijzing naar een rechtsoverweging van het Hof kan worden volstaan met vermelding van het nummer. 4.4 Het door [eiseres] c.s. tegen deze arresten voorgedragen middel is tevens door de Gemeente voorgedragen en wel als middel 2. 5. Beoordeling van onderdeel A van het door [eiseres] c.s. en de Gemeente voorgedragen middel 5.1 Het Hof heeft in rov. 4.6 overwogen, verkort weergegeven en voorzover in cassatie van belang, dat vaststaat dat [eiseres] c.s. sinds 1988 op haar buitenterrein met regelmaat werkzaamheden verricht aan zware werktuigen en onderdelen daarvan, zulks in een overigens landelijk gebied nabij een aldaar op een afstand van twintig meter gelegen woonhuis. Door waarnemingen en metingen is gebleken dat deze werkzaamheden de bewoners van dat huis ernstige overlast door geluid berokkenen welke in die omgeving niet behoeft te worden geduld, mede gelet op de aard van de schade waarover wordt geklaagd - een vrijwel dagelijks bij herhaling en/of voortduring optredende verstoring van de directe leefomgeving van [verweerder] c.s. te weten in de rust in en het genot van de hun toebehorende en door hen bewoonde woning - en welke gezien de hinder veroorzakende werkzaamheden en de situering van de betrokken erven aannemelijk is. Bovendien, aldus nog steeds het Hof, is komen vast te staan dat die werkzaamheden niet door een vergunning worden gedekt. Het Hof kwam tot deze oordelen op basis van hetgeen het in rov. 4.3 had vastgesteld ter zake van waarnemingen die gedaan zijn betreffende de activiteiten waarover werd geklaagd, in rov. 4.4 ter zake van hetgeen de Afdeling voor de geschillen van bestuur van de Raad van State (hierna: de Afdeling) bij beschikking van 9 augustus 1993 heeft overwogen aangaande werkzaamheden op of nabij het buitenterrein van [eiseres] c.s., en in rov. 4.5 ter zake van waarnemingen die gedaan zijn en maatregelen die zijn overwogen aangaande de door de gemelde activiteiten veroorzaakte overlast. In rov. 4.6 en 4.13, alsmede in het tweede tussenarrest heeft het Hof vervolgens nog een aantal verweren van [eiseres] c.s. verworpen. 5.2 Onderdeel A.1 klaagt dat het Hof heeft miskend dat het niet kon concluderen dat [eiseres] c.s. onrechtmatige (ernstige) geluidhinder hebben veroorzaakt door bedrijfsactiviteiten op haar terrein, zonder vast te stellen welke geluidgrenswaarden daarvoor maatgevend zijn, en zonder vast te stellen welke de aard, de ernst en de duur van eventuele overschrijdingen van die maatgevende geluidgrenswaarden zijn geweest, en welke schade door die overschrijdingen is veroorzaakt. 5.3 Zoals hiervóór in 5.1 is overwogen, heeft het Hof geoordeeld dat de door het Hof onrechtmatig geachte geluidhinder is veroorzaakt door activiteiten waarvoor geen vergunning was verkregen. Reeds om deze reden heeft het Hof niet blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door aan de vraag in welke mate het door die activiteiten veroorzaakte geluid bleef binnen de in de vergunning voorziene geluidgrenswaarden, niet meer betekenis toe te kennen dan het - in diverse niet in 5.1 weergegeven overwegingen - heeft gedaan. In rov. 8.1 heeft het Hof de stelling van [eiseres] c.s. behandeld dat uit de diverse rapportages van Peutz zou zijn af te leiden dat het door [eiseres] c.s. geproduceerde geluid nimmer de waarden zou hebben overschreden welke naar algemeen gehanteerde maatstaven aanvaardbaar worden geacht en ook gehanteerd werden in het ontwerp voor de gewijzigde Hinderwetvergunning van 1 maart 1990 en in de beschikking tot wijziging van de vergunning. Het Hof heeft deze stelling kennelijk opgevat als een verweer zoals bedoeld in onderdeel A.1, dat de geluidhinder bleef binnen volgens recente inzichten adequaat te achten equivalente en maximale geluidgrenswaarden - welke naar redelijke verwachting bij een aanpassing van die vergunning zouden worden opgelegd -, en dat de geluidhinder in verband daarmee, althans in beginsel, niet onrechtmatig was jegens [verweerder] c.s. Het Hof heeft dit verweer verworpen op de grond dat het enerzijds eraan voorbijgaat dat de bedoelde vergunning door de Afdeling is vernietigd, en dat anderzijds - hierbij bouwde het Hof voort op hetgeen het reeds in rov. 4.13.b had overwogen - in de rapportages van Peutz bij de berekening van de geproduceerde geluidwaarden telkens als uitgangspunt is genomen dat belangrijke voorzieningen tot beperking van geluidsemissie getroffen zouden worden, en dat die voorzieningen nooit zijn verwezenlijkt. Dit oordeel geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting, is niet onbegrijpelijk, noch onvoldoende gemotiveerd. Op dit een en ander stuit onderdeel A.1 geheel af. 5.4 Het in 5.3 overwogene brengt mee dat ook onderdeel A.2 tevergeefs is voorgesteld. Hetzelfde geldt voor onderdeel A.3, voorzover dit erover klaagt dat het Hof zijn oordeel dat sprake is van (ernstige) overschrijding van de equivalente geluidgrenswaarden van de vigerende Hinderwetvergunning dan wel van de volgens meer recente inzichten adequaat te achten equivalente en maximale geluidgrenswaarden, onvoldoende heeft gemotiveerd. Het faalt ook voorzover het klaagt over onvoldoende motivering van 's Hofs oordeel dat sprake is van (ernstige) onrechtmatige geluidhinder, aangezien de vaststellingen waarop het Hof dit oordeel heeft gebaseerd - onder meer inhoudend dat [eiseres] c.s. in een eerdere kort-gedingprocedure voor het Hof de overlast hebben erkend (rov. 4.13.b en 8.1) -, het oordeel alleszins kunnen dragen. 5.5 Onderdeel A.4 klaagt dat het Hof eraan heeft voorbijgezien dat [eiseres] c.s. specifiek te bewijzen hebben aangeboden dat de door haar veroorzaakte geluidhinder binnen de gangbare normen bleef, c.q. dat bewijsaanbod op ontoereikende gronden heeft gepasseerd. Dit bewijsaanbod hield in dat de bedoelde stelling in meerdere op verzoek van [eiseres] c.s., de Gemeente en de Milieudienst Eindhoven opgemaakte rapporten is bevestigd door het door [eiseres] c.s. ingeschakeld bureau Peutz en dat [eiseres] c.s. aanbieden daarvan bewijs te leveren. Het onderdeel faalt. In dit, in hoger beroep niet herhaalde, bewijsaanbod valt niet te lezen dat daarin iets anders te bewijzen wordt aangeboden dan blijkt uit de door het Hof in rov. 4.3.b, 4.5.e , 4.13.b, 4.14.c en 8.1 besproken rapportages van het bureau Peutz. Niet onbegrijpelijk is dan ook dat het Hof in dit bewijsaanbod niet een toevoeging aan het in hoger beroep uitsluitend in algemene zin gedane bewijsaanbod heeft gezien. 5.6 Onderdeel A.5 klaagt dat het Hof ten onrechte heeft nagelaten [eiseres] c.s. naar aanleiding van hun algemene bewijsaanbod in de gelegenheid te stellen tegenbewijs te leveren ter zake van de door het Hof aannemelijk geachte ernstige onrechtmatige geluidhinder, c.q. (ernstige) overschrijdingen van de equivalente geluidgrenswaarden van de vigerende Hinderwetvergunning, c.q. de volgens meer recente inzichten adequaat te achten equivalente en maximale geluidgrenswaarden. Het onderdeel miskent allereerst dat, voorzover het gaat om een aan de volgens meer recente inzichten adequaat te achten equivalente en maximale geluidgrenswaarden ontleend verweer, de bewijslast rust op de partij die zich op dat verweer beroept, zodat in zoverre niet van door [eiseres] c.s. te leveren tegenbewijs sprake is. Ten aanzien van de andere in de klacht genoemde punten moet worden aangetekend dat uit het hiervóór in 5.3 overwogene volgt dat de vraag of de equivalente geluidgrenswaarden van de vigerende Hinderwetvergunning overschreden zijn, geen zelfstandige betekenis heeft naast de stelling dat de geluidhinder niet ernstig was. Ook voorzover het onderdeel op dit laatste betrekking heeft, faalt het reeds omdat het Hof klaarblijkelijk van oordeel was dat de ernst van de overlast onvoldoende gemotiveerd door [eiseres] c.s. was weersproken. 5.7 Uit het in 5.1-5.6 overwogene volgt dat onderdeel A faalt voorzover het is voorgesteld door [eiseres] c.s. De Gemeente heeft ten aanzien van de onrechtmatigheid van de door de inrichting voortgebrachte geluidhinder in de vorige instanties minder uitvoerige stellingen aangevoerd dan [eiseres] c.s. en geen stellingen die ten aanzien van onderdeel A voor de Gemeente tot een ander oordeel leiden dan voor [eiseres] c.s. 6. Beoordeling van het uitsluitend door de Gemeente voorgedragen middel 6.1 Het Hof heeft zijn oordeel dat de Gemeente in de periode van 1 juli 1991 tot 1 januari 2000 onrechtmatig heeft gehandeld jegens [verweerder] c.s. naar de kern genomen hierop gegrond dat de Gemeente volgens het Hof ten onrechte heeft nagelaten gebruik te maken van de haar ten dienste staande publiekrechtelijke middelen om aan de door de inrichting onrechtmatig veroorzaakte overlast een einde te maken. 6.2 Onderdeel 1.1 klaagt dat het Hof, aldus oordelend, heeft miskend dat het [verweerder] c.s. weliswaar vrijstond zich tot de burgerlijke rechter te wenden met een vordering tot schadevergoeding wegens onrechtmatige daad van de Gemeente, maar dat de taakverdeling tussen de burgerlijke rechter en de bestuursrechter met zich brengt dat het antwoord op de vraag of - kort gezegd - de Gemeente jegens [verweerder] c.s. onrechtmatig heeft gehandeld door niet met de haar publiekrechtelijk ten dienste staande middelen, meer in het bijzonder door toepassing van enigerlei vorm van bestuursdwang, tegen [eiseres] c.s. op te treden, door de bestuursrechter behoort te worden gegeven. Het onderdeel tekent daarbij aan, dat niet in geschil is dat met betrekking tot die vraag voor [verweerder] c.s. een met voldoende rechtswaarborgen omklede rechtsgang openstond. Onderdeel 1.2 voegt hieraan toe dat het Hof in het bijzonder heeft miskend, dat [verweerder] c.s. geen gebruik hebben gemaakt van de hun ten dienste staande mogelijkheid bij de bestuursrechter een voorziening te vragen ter zake van het niet (nader) beslissen van de Gemeente op het verzoek tot sluiting van 6 juni 1991, bedoeld in rov. 4.11.a, nadat de aanvankelijke beslissing van de Gemeente op dit verzoek van 10 juli 1991, bedoeld in rov. 4.11.b, door de Afdeling bij uitspraak van 9 augustus 1993 was vernietigd, en dat het Hof derhalve tot uitgangspunt had moeten nemen dat, althans had moeten onderzoeken of, de (fictieve) weigering van de Gemeente (nader) te beslissen, formele rechtskracht toekwam. 6.3 Onderdeel 1.2 faalt, aangezien uit de enkele omstandigheid dat geen bezwaar en beroep is ingesteld tegen het niet tijdig nemen door een bestuursorgaan van een besluit op een verzoek, niet de conclusie kan worden getrokken dat de rechtspersoon waartoe het bestuursorgaan behoort, niet aansprakelijk kan worden gehouden voor schade die uit het niet tijdig nemen van het besluit is voortgevloeid. De Hoge Raad komt in zoverre terug van zijn arrest van 15 december 2000 nr. C99/034, NJ 2001, 318, zulks naar aanleiding van de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 21 november 2001, nr. 200004709/1, AB 2002, 183. 6.4 Ook onderdeel 1.1 faalt. Het Hof heeft in aanmerking genomen - (rov. 4.5.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.