18 oktober 2002 Eerste Kamer Nr. C01/306HR JMH Hoge Raad der Nederlanden Arrest in de zaak van: 1. DE HOBBY-TUINVERENIGING DE HAAGSE LENTE, gevestigd te 's-Gravenhage, 2. [Eiser 2], wonende te [woonplaats], en 18 anderen, wier namen blijken uit de aan de cassatiedagvaarding aangehechte lijst, EISERS tot cassatie, advocaat: mr. P. Garretsen, t e g e n [verweerder], wonende te [woonplaats], VERWEERDER in cassatie, niet verschenen. 1. Het geding in feitelijke instanties Eisers tot cassatie - verder te noemen: De Haagse Lente c.s. - en een aantal andere personen hebben bij exploit van 14 april 1999 verweerder in cassatie - verder te noemen: [verweerder] - gedagvaard voor de Kantonrechter te 's-Gravenhage en - kort gezegd - gevorderd: 1. te verklaren voor recht dat de Huurwet van toepassing is op de rechtsrelatie tussen partijen; 2. te verklaren voor recht dat de door [verweerder] gedane huuropzegging nietig, dan wel onrechtmatig is, zodat de huurrelatie in stand is gebleven, met veroordeling van [verweerder] die rechten en aanspraken gestand te doen en te houden; 3. subsidiair te verklaren voor recht dat De Haagse Lente c.s. aanspraak toekomt op huurbescherming dan wel ontruimingsbescherming als bedoeld in de art. 18 en 28c Huurwet, met veroordeling van [verweerder] die rechten en aanspraken gestand te doen en te houden; 4. te verklaren voor recht dat [verweerder] schadeplichtig is ingeval van onrechtmatige aantasting of stoornis van vorenbedoelde rechten en aanspraken, met begroting van die schade op ƒ 2 miljoen; 5. te verklaren voor recht dat [verweerder] gehouden is tot voldoening van een schadeloosstelling van ƒ 2 miljoen, ingeval van eindigend genot van De Haagse Lente c.s. met betrekking tot hun tuinhuisjes resp. stacaravans; 6. te verklaren voor recht dat [verweerder] gehouden is tot het stellen van zekerheid op grond van de voort-gezette dan wel geëindigde huurovereenkomsten. Nadat de Kantonrechter bij vonnis van 19 mei 1999 op verzoek van De Haagse Lente c.s. voorlopige voorzieningen had getroffen en tegen [verweerder] verstek was verleend, heeft de Kantonrechter bij verstekvonnis van 9 juni 1999 de hiervoor onder 1 en 2 vermelde primaire vorderingen toegewezen en het meer of anders gevorderde afgewezen. Tegen dit vonnis is [verweerder] bij exploit van 18 juni 1999 in verzet gekomen bij de Kantonrechter te 's-Gravenhage. Bij vonnis van 15 december 1999 heeft de Kantonrechter het tussen partijen gewezen verstekvonnis van 9 juni 1999 bekrachtigd. Tegen de vonnissen van de Kantonrechter van 9 juni 1999 en 15 december 1999 heeft [verweerder] hoger beroep ingesteld bij de Rechtbank te 's-Gravenhage. De Haagse Lente c.s. hebben voorwaardelijk hoger beroep ingesteld. Bij vonnis van 11 juli 2001 heeft de Rechtbank: - [verweerder] niet-ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep tegen het vonnis van de Kantonrechter ex art. 116 (oud) Rv. van 19 mei 1999; - de tussen partijen gewezen vonnissen van 9 juni 1999 en 15 december 1999 vernietigd, voor zover daarbij (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.